Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1116

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-03-2015
Datum publicatie
02-04-2015
Zaaknummer
HV 200.154.272-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2890
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoeken krachtens artikelen 2 en 5 Wet Medezeggenschap Cliënten Zorginstellingen (Wmcz)/ Ontvankelijkheid verzoeken in eerste aanleg/ ontvankelijkheid verzoeken in hoger beroep na eiswijziging vanwege nieuwe medezeggenschapsstructuur/ ratio Wmcz en uitleg instellingsbegrip/ Kostenvergoeding rechtsbijstand krachtens artikel 2 lid 5 Wmcz/ Onderscheid eerste aanleg en hoger beroep/ nadere inhoudelijke eisen?/ nieuwe inzichten minister relevant?/ WTBZ niet langer van toepassing /uitlating partijen over beoordeling kosten rechtsbijstand hoger beroep/ geen proceskostenveroordeling gezien aard procedure.

Wetsverwijzingen
Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2
Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 5
Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/583
GJ 2015/100 met annotatie van mr. drs. K.D. Meersma
AR-Updates.nl 2015-0334
GZR-Updates.nl 2015-0152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 26 maart 2015

Zaaknummer: HV 200.154.272/01

Zaaknummer eerste aanleg: 3143003 EJ verz 14/450

in de zaak in hoger beroep van:

1 LCVR De Biezenrijt-de Werkschuur,

2. LCVR Kort Verblijf,

beiden gevestigd te [vestigingsplaats],

appellanten in principaal appel,

geïntimeerden in incidenteel appel,

hierna te noemen: De Biezenrijt-de Werkschuur respectievelijk Kort Verblijf, tezamen te noemen: De Biezenrijt c.s.,

advocaat: mr. R.C. de Mol,

tegen

Stichting [zorg] Zorg,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de stichting,

advocaat: mr. L.G.H.J. Houwen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, sector kanton, locatie Eindhoven, van 1 augustus 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 augustus 2014, hebben De Biezenrijt c.s. verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

I. de stichting te bevelen artikel 2 van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (hierna: de Wmcz) na te leven, en uit dien hoofde De Biezenrijt c.s. schriftelijk te erkennen als cliëntenraden in de zin van de Wmcz, hen aldus alsnog actief en direct te betrekken bij de medezeggenschap binnen de stichting;

II. de stichting te bevelen om de declaraties van de raadsman van De Biezenrijt c.s. te voldoen;

III. de stichting te bevelen artikel 5 Wmcz na te leven, en uit dien hoofde De Biezenrijt c.s. de in hun brief van 13 april 2014 verzochte informatie te verstrekken;

IV. de stichting te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 september 2014, heeft de stichting verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, zo nodig met aanvulling en/of verbetering van de gronden, met veroordeling van De Biezenrijt c.s. in de kosten van beide instanties.

Tevens heeft de stichting incidenteel appel ingesteld en verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van De Biezenrijt c.s. tot het geven van een bevel ex artikel 2 lid 5 Wmcz juncto 10 lid 2 Wmcz op inhoudelijke gronden af te wijzen, met veroordeling van De Biezenrijt c.s. in de kosten van beide instanties.

2.3.

Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 12 november 2014, hebben De Biezenrijt c.s. verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, zo nodig met aanvulling en/of verbetering van de gronden, met veroordeling van de stichting in de kosten van het incidenteel appel.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 februari 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de heer [voorzitter van De Biezenrijt-de Werkschuur], voorzitter van De Biezenrijt-de Werkschuur;

  • -

    mevrouw [secretaris van De Biezenrijt-de Werkschuur], secretaris van De Biezenrijt-de Werkschuur;

  • -

    Mr. De Mol, advocaat van De Biezenrijt c.s. ;

  • -

    mr. M.H.J. van Rest, kantoorgenoot van mr. De Mol;

  • -

    de heer [voorzitter van de Raad van Bestuur van de stichting], voorzitter van de Raad van Bestuur van de stichting;

  • -

    mevrouw [secretaris van de Raad van Bestuur van de stichting], secretaris van de Raad van Bestuur van de stichting;

  • -

    mr. Houwen, advocaat van de stichting;

  • -

    mr. T. van Malssen, kantoorgenoot van mr. Houwen.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 18 juli 2014;

  • -

    de ter zitting in hoger beroep door mr. Van Rest overgelegde en voorgedragen pleitnota;

  • -

    de ter zitting in hoger beroep door mr. Van Malssen overgelegde en door mr. Houwen (tot pagina 10) en mr. Van Malssen (vanaf pagina 10) voorgedragen pleitaantekeningen.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

De Biezenrijt c.s. hebben zich in eerste aanleg tot de kantonrechter gewend met het verzoek de stichting te bevelen om:

A. artikel 2 Wmcz na te leven, en uit dien hoofde:

a) De Biezenrijt c.s. schriftelijk te erkennen als cliëntenraad in de zin van de Wmcz;

b) hen aldus alsnog actief en direct te betrekken bij de medezeggenschap binnen de stichting - waaronder maar niet uitsluitend - de voorgenomen invoering van een geheel nieuwe medezeggenschapsstructuur;

B. de declaraties van de raadsman van De Biezenrijt c.s. te voldoen;

C. artikel 5 Wmcz na te leven, en uit dien hoofde De Biezenrijt c.s. de in hun brief van 13 april 2014 verzochte informatie te verstrekken;

D. de stichting te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter:

- het verzoek onder B. toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-- inclusief BTW;

- de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

- De Biezenrijt c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek onder C.;

- de verzoeken onder A. en D. afgewezen.

3.3.

De Biezenrijt c.s. kunnen zich met de beslissing, zoals verwoord onder 3.2., eerste, derde en vierde aandachtsstreepje niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen. De stichting kan zich met de beslissing, zoals verwoord onder 3.2., eerste aandachtsstreepje niet verenigen. Zij heeft ter zake incidenteel appel ingesteld.

3.4.

De verzoeken, zoals geformuleerd in het beroepschrift kunnen op basis van de pleitnota in hoger beroep van mr. Van Rest worden teruggebracht tot drie door het hof te beantwoorden vragen:

A. Heeft de stichting in 2014 (de ‘oude situatie’) respectievelijk vanaf 1 januari 2015 (de ‘nieuwe situatie’) voldaan aan haar wettelijke verplichting om op instellingsniveau volwaardige cliëntenraden in te stellen?

B. Moet de stichting de financiële informatie waar De Biezenrijt c.s. om verzocht hebben (bij brief van 13 april 2014) verstrekken?
C. Is de stichting gehouden de kosten van deze procedure voor haar rekening te nemen (in welk verband ook het incidenteel beroep kan worden betrokken)?

3.5.

Alvorens tot de beantwoording van deze vragen over te gaan, stelt het hof het volgende voorop.

3.6.

Nu het hoger beroep leidt tot een hernieuwde kennisname van de stellingen van partijen in eerste aanleg, hebben De Biezenrijt c.s. naar het oordeel van het hof geen belang meer bij hun grief dat de kantonrechter in zijn beschikking waarvan beroep de stellingen van partijen niet uitputtend heeft weergegeven. Grief 1 dient dan ook te worden verworpen.

A. Heeft de stichting voldaan aan haar wettelijke verplichting om op instellingsniveau volwaardige cliëntenraden in te stellen?

Ontvankelijkheid van het oorspronkelijke verzoek (de ‘oude’ situatie).

3.7.1.

De stichting heeft in eerste aanleg (primair) een niet-ontvankelijkheidsverweer gevoerd.

Zij stelde dat De Biezenrijt c.s. slechts formeel hun verzoek hadden gebaseerd op één van de artikelen (te weten artikel 2 Wmcz) met betrekking waartoe artikel 10 lid 2 Wmcz in geval van schending een gang naar de kantonrechter mogelijk maakt. Materieel was volgens de stichting het verzoek echter gebaseerd op artikel 3, eerste lid, aanhef en sub l (eventueel in samenhang met artikel 4) Wmcz ter zake waarvan de Wmcz in geval van geschil (als exclusieve remedie) een procedure bij de Landelijke Commissie van Vertrouwenslieden (hierna: LCvV) voorschrijft.

De stichting heeft dit als volgt toegelicht.

Zij stelde dat artikel 2 Wmcz uitsluitend ziet op situaties waarin überhaupt geen cliëntenraad in de zin van artikel 2 Wmcz is ingesteld.

Het artikel ziet niet op situaties waarin ter discussie wordt gesteld hoe goed de bestaande cliëntenraden wel of niet functioneren of hoe representatief bestaande cliëntenraden wel of niet zijn, aldus de stichting.

Zij voerde aan dat De Biezenrijt c.s. in het geheel niet betwisten dat sprake was van één of meerdere cliëntenraden in de zin van de Wmcz, maar (inhoudelijk) opkwamen tegen de wijze waarop conform de structuur 2008 (‘Medezeggenschapsstructuur cliënten [zorg] zorg’) de bevoegdheden op basis van de Wmcz over de bestaande cliëntenraden waren verdeeld in het licht van de perikelen zoals het opgeheven zijn van de CCVR in 2011 en het afgenomen ledental van de diverse RCVR-en.

De kern van de verwijten van De Biezenrijt c.s. betrof de wijze waarop ze zijn betrokken bij de totstandkoming van de nieuwe medezeggenschapsstructuur. Het ging De Biezenrijt c.s., volgens de stichting, uitsluitend om de (hof: toen nog) voorgenomen invoering van een geheel nieuwe medezeggenschapsstructuur.

Het ‘drie-vennen-arrest’ van de Hoge Raad (6 april 2001, NJ 2001, 325) en het arrest van de Ondernemingskamer van gerechtshof Amsterdam van 29 april 2010 (JOR 2010/187) doen naar het inzicht van de stichting aan haar visie niet af. In die uitspraken kwam volgens de stichting de representativiteitsvraag de facto neer op de vraag of überhaupt sprake was van een cliëntenraad in de zin van de Wmcz c.q. werd de vraag opgeworpen of überhaupt sprake was van cliëntmedezeggenschap in de zin van de Wmcz.

3.7.2.

De Biezenrijt c.s. hebben in eerste aanleg hiertegen ingebracht dat het gaat om het instellingsbegrip uit de Wmcz. In hun visie zijn er binnen de stichting meerdere instellingen in de zin van de Wmcz en moet voor al deze instellingen een cliëntenraad ingesteld worden, die als volwaardige cliëntenraad erkend wordt en zijn adviserende rol kan uitoefenen.

Volgens De Biezenrijt c.s. is de vraag op welk niveau een cliëntenraad moet worden ingesteld en uit welke personen die volgens de regeling moet bestaan bij uitstek een vraag waarvoor de kantonrechter bevoegd is en in de Wmcz specifiek wordt aangewezen.

Het enkele feit dat De Biezenrijt c.s. wel het ‘label’ cliëntenraad hebben gekregen van de stichting maakt niet dat De Biezenrijt c.s. geen naleving van artikel 2 Wmcz zouden kunnen afdwingen. Ter onderbouwing van deze visie verwijzen De Biezenrijt c.s. naar Kamerstukken II 1993/94, 23 041, nr. 5, p. 31. Een als zodanig ‘gelabelde’ cliëntenraad moet volgens De Biezenrijt c.s. op grond van artikel 2 Wmcz ook kunnen afdwingen dat deze ook als zodanig behandeld wordt en conform de wet wordt vormgegeven.

3.7.3.

Op grond van een en ander zou het hof willen constateren dat De Biezenrijt c.s. van mening waren dat de cliënten van de stichting ((ook) in de oude situatie) volwaardige en directe medezeggenschap via de lokale raden onthouden werd – omdat het de stichting niet lukte om op hogere niveaus binnen de stichting raden in te stellen die ondersteund werden door de achterban – en dat het De Biezenrijt c.s. (in de oude situatie) er klaarblijkelijk om ging om langs de weg van artikel 2 Wmcz af te dwingen dat de op lokaal niveau (waar daadwerkelijk zorg wordt verleend) binnen de stichting bestaande formeel volwaardige raden ook als zodanig behandeld worden en conform de wet worden vormgegeven.

3.7.4.

De kantonrechter oordeelde ten aanzien van deze ontvankelijkheidsvraag als volgt: “Verzoekers zijn ontvankelijk in hun verzoek - kort gezegd - om als cliëntenraad erkend te worden. De stelling dat de wet ondeugdelijk is nagekomen staat gelijk aan de stelling dat die niet is nagekomen. Voorts vertegenwoordigen zij cliënten en kunnen zij dus het recht van artikel 10 lid 2 Wmcz uitoefenen”.

Oordeel hof over de ontvankelijkheid in de oude situatie:

3.8.

Uit de memorie van toelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel voor de Wmcz blijkt dat de bedoeling van de wetgever was dat als een zorgaanbieder meer dan één instelling in stand houdt, er voor iedere instelling een afzonderlijke cliëntenraad in het leven moet worden geroepen. De wetgever stelt nadrukkelijk dat er niet kan worden volstaan met één cliëntenraad voor alle onder de zorgaanbieder ressorterende tehuizen of inrichtingen (Kamerstukken II 1992/93, 23 041, nr. 3, blz. 25). Het is de bedoeling dat er een cliëntenraad wordt ingesteld op het niveau waar daadwerkelijk zorg wordt verleend.

3.9.

De cliëntenmedezeggenschap binnen de stichting is oorspronkelijk (in 2008) in drie lagen getrapt en dubbel georganiseerd: op lokaal, op regionaal en op centraal niveau was er in oorsprong per niveau zowel een cliëntenraad (CR) als een cliëntvertegenwoordigersraad (CVR). Dit heeft geresulteerd in een centrale CR (CCR) en een centrale CVR (CCVR), regionale CR-en (RCR-en) en regionale CVR-en (RCVR-en) en lokale CR-en (LCR-en) en lokale CVR-en (LCVR-en).

3.10.

De Wmcz kent geen verplichting om een CC(V)R of RC(V)R in te stellen en kent daaraan dus ook geen eigen bevoegdheden toe. Een daartoe ingediend amendement tot invoering van artikel 6a Wmcz waarin de positie van de centrale cliëntenraad zou worden geregeld heeft geen meerderheid gehaald ((Kamerstukken II 1994/95, 23 041, nr. 26). Wel wordt in de wetsgeschiedenis melding gemaakt van de mogelijkheid om dergelijke raden in te stellen (Kamerstukken II 1992/93, 23 041, MvA nr. 5 p. 9-10). Een dergelijke centrale of regionale C(V)R kan blijkens laatstgenoemd kamerstuk volgens de minister slechts over (een deel van) de in de Wmcz neergelegde bevoegdheden beschikken na overdracht van (een deel van) deze bevoegdheden door en met instemming van de diverse lokale C(V)R-en.

3.11.

Het hof begrijpt dat De Biezenrijt c.s. in 2008 (een deel van) hun bevoegdheden, met instemming hunnerzijds aan de centrale C(V)R en de regionale C(V)R-en hebben overgedragen. Daarmee zijn de CR-en, dus ook De Biezenrijt c.s. (in beginsel) niet opgehouden te bestaan.

3.12.

Van functionerende medezeggenschap op regionaal en centraal niveau zou volgens De Biezenrijt c.s. inmiddels geen sprake meer zijn, nu in de loop der tijd ofwel de bezettingsgraad van de centrale en regionale medezeggenschapsorganen tot onder de minimale bezettingsgraad is gedaald ofwel de centrale en regionale medezeggenschapsorganen zichzelf hebben opgeheven. Zo bestaat op centraal niveau enkel nog een CCR en zijn er op regionaal niveau in totaal vijf functionerende RCVR-leden terwijl er per RCVR vijf leden zouden moeten zijn.

3.13.

Als belangrijkste voorbeeld van het handelen van de stichting in strijd met artikel 2 Wmcz werd door De Biezenrijt c.s. genoemd de gevolgde adviesprocedure voor de invoering van een nieuwe medezeggenschapsstructuur. Gesteld werd dat ten onrechte het voorstel voor deze nieuwe structuur alleen ter rechtstreekse advisering door het bestuur van de stichting is voorgelegd aan de – inmiddels volgens De Biezenrijt c.s. niet meer representatieve – RCVR-en en niet (minst genomen: ook) ter rechtstreekse advisering door het bestuur van de stichting aan de LC(V)R-en is voorgelegd. Aldus bestond voor de LC(V)R-en slechts getrapt een beperkte inspreekmogelijkheid bij de RCVR, die bovendien niet gehouden was de ontvangen reactie door te geleiden aan het bestuur van de stichting of de inhoud van de ontvangen reactie aan de stichting bekend te maken.

3.14.

De Biezenrijt c.s. voerden in dit verband aan dat het voorstel voor een nieuwe medezeggenschapsstructuur binnen de stichting zorgt voor een wijziging van de regeling als bedoeld in artikel 2 lid 2 Wmcz en dus valt onder de zwaarwegende adviesbevoegdheid van artikel 3, eerste lid, aanhef en sub l Wmcz. Daargelaten het feit dat een wijziging van de medezeggenschap zulk een ‘existentiële kwestie’ betreft, dat reeds hierom alle CR-en en CVR-en geconsulteerd zouden moeten worden, aldus De Biezenrijt c.s.

3.15.

De Biezenrijt c.s. verzochten de kantonrechter dan ook de stichting te bevelen hen alsnog actief en direct te betrekken bij (de advisering over) het voorstel voor de nieuwe medezeggenschapsstructuur.
De stichting heeft een en ander uitvoerig weersproken, als hierna op te nemen voor zover voor de beoordeling van belang.

3.16.

De Biezenrijt c.s. baseerden hun verzoek aan de kantonrechter formeel gezien op artikel 2 Wmcz, maar, gelet op het vorenoverwogene en gezien de aangevoerde feiten ter onderbouwing, materieel, gezien – en dat is voor het hof doorslaggevend – op artikel 3 Wmcz, zoals ook de stichting heeft betoogd.

3.17.

Bij geschillen met de zorgaanbieder over de uitvoering van artikel 3 Wmcz is de LCvV op grond van artikel 10, eerste lid Wmcz de (exclusief) bevoegde instantie. (zie ook Kamerstukken II 1992/93, 23 041, nr. 3, blz 30)

3.18.

In de oude situatie zou het hof De Biezenrijt c.s. in hun verzoek onder A. dan ook niet-ontvankelijk hebben verklaard.

3.19.

Aan dit oordeel kan niet afdoen hetgeen De Biezenrijt c.s. hebben gesteld over de terugkeer van overgedragen bevoegdheden bij De Biezenrijt c.s.

3.20.

Het hof oordeelt dat noch uit de Wmcz noch uit de parlementaire geschiedenis daarvan, noch anderszins blijkt dat in een situatie waarin sprake is van mankerende medezeggenschap op regionaal en centraal niveau de overgedragen bevoegdheden zonder meer terugkeren bij – in dit geval – De Biezenrijt c.s.

3.21.

Dat De Biezenrijt-de Werkschuur bij brief van 21 maart 2014 en Kort Verblijf bij brief van 2 april 2014 – voor zover nodig en ter voorkoming van misverstand – hun overgedragen Wmcz-bevoegdheden uitdrukkelijk hebben teruggenomen, maakt het voorgaande niet anders en maakt dan ook niet dat deze bevoegdheden weer bij hen zijn komen te liggen. Van de mogelijkheid eenzijdig eerder overgedragen bevoegdheden terug te verlangen via opzegging of anderszins blijkt uit de Wmcz niet. De mogelijkheid voor een LC(V)R bevoegdheden terug te verkrijgen door opzegging blijkt evenmin uit de op 11 november 2008 opgezette Medezeggenschapsstructuur cliënten [zorg] zorg (productie 1 bij het inleidend verzoekschrift).

3.22.1.

De Biezenrijt c.s. kunnen de stichting dan ook niet verwijten dat, zoals De Biezenrijt c.s. stellen, de stichting is blijven handelen alsof er wel degelijk sprake is van functionerende regionale en centrale medezeggenschap. Voor zover De Biezenrijt c.s. betogen dat de stichting aldus artikel 2 Wmcz met voeten heeft getreden, kan dit betoog dan ook geen stand houden.

3.22.2.

Het hof merkt hierbij op dat overigens ook indien wel bevoegdheden zouden zijn teruggekeerd bij De Biezenrijt c.s. de bezwaren van De Biezenrijt c.s. inzake het handelen van de stichting materieel gezien op artikel 3 Wmcz zijn gebaseerd en niet op artikel 2 van die wet (zodat het oordeel inzake de niet-ontvankelijkheid in de oude situatie ook dan gehandhaafd zou zijn).

Oordeel hof over de ontvankelijkheid in de nieuwe situatie:

3.23.

In hoger beroep ligt onverminderd de vraag voor of de stichting heeft voldaan aan haar verplichting ingevolge artikel 2 lid 1 Wmcz om voor elke door haar in stand gehouden ‘instelling’ een cliëntenraad in het leven te roepen die redelijkerwijze in staat kan worden geacht de gemeenschappelijke belangen van de cliënten te behartigen (‘volwaardige’ cliëntenraden).

3.24.

Het hof stelt voorop dat het ex nunc heeft te oordelen of de gewraakte beslissing in stand moet blijven, dat wil zeggen dat bij de beoordeling van de vraag of het verzoek van De Biezenrijt c.s. ex artikel 10 lid 2 juncto artikel 2 Wmcz terecht is afgewezen ook rekening gehouden moet worden met feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen sedert de beslissing waarvan beroep.

3.25.

De situatie is in hoger beroep in zoverre anders dan in eerste aanleg, dat hangende de procedure in hoger beroep, op 1 januari 2015 binnen de stichting een nieuwe medezeggenschapsstructuur voor cliënten is ingevoerd.

3.26.

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat De Biezenrijt c.s. in hoger beroep, anders dan in eerste aanleg, een oordeel van het hof willen over de vraag of de opzet van de nieuwe medezeggenschapsstructuur aan de eisen van de Wmcz, in het bijzonder artikel 2 van deze wet voldoet.

3.27.

Voor de vraag of de stichting op dit moment aan haar wettelijke verplichtingen ingevolge de Wmcz voldoet is – aldus mr. Van Rest ter zitting in hoger beroep – irrelevant of de adviesprocedure over de huidige, inmiddels doorgevoerde medezeggenschapsstructuur wel of niet goed is doorlopen. Het oordeel van het hof daarover wordt dan ook, eveneens anders dan in eerste aanleg, in hoger beroep niet (meer) ingeroepen.

3.28.

Voor zover hiermee sprake zou zijn van een eiswijziging, heeft de stichting daartegen geen (voldoende uitdrukkelijk) bezwaar gemaakt en is zij zelfs zonder voorbehoud het debat ter zake aangegaan. Het hof zal in het navolgende dan ook uitgaan van de eis zoals die thans in hoger beroep luidt.

3.29.

Wat – blijkens de overgelegde stukken en verstrekte toelichting van de zijde van de stichting – de nieuwe medezeggenschapsstructuur anders maakt dan de oude medezeggenschapsstructuur is dat medezeggenschap op lagere niveaus niet meer plaatsvindt in de vorm van regionale en lokale cliënten(vertegenwoordigers)raden maar in de vorm van clusterraden terwijl op het niveau van de teams wel een informele overlegvorm tussen het team en (een groep) cliënten is gehandhaafd; het groepsoverleg. Dit (laatste) is geen formele medezeggenschapsraad als bedoeld in de Wmcz (zie het voorstel van de nieuwe structuur als onderdeel van productie 4 bij inleidend verzoekschrift, blz. 6). In de in 2008 opgezette medezeggenschapsstructuur bestond de groepsvergadering als ‘georganiseerde achterbanoverleg voor de lokale raden’ (productie 1 inleidend verzoekschrift, blz. 8).

3.30.

De nieuwe medezeggenschapsstructuur is – aldus de stichting – in lijn met de nieuwe organisatiestructuur van de stichting, hetgeen betekent dat de medezeggenschap niet langer geografisch maar op doelgroepen is ingericht en uitgaat van de verschillende organisatie-eenheden (divisies en clusters).

3.31.

Nu in de nieuwe medezeggenschapsstructuur per 1 januari 2015 - anders dan voorheen - op lokaal niveau geen sprake meer is van één of meerdere cliënten(vertegenwoordigers)raden in de zin van de Wmcz, dienen De Biezenrijt c.s., anders dan in eerste aanleg onder de oude structuur aan de orde, ontvankelijk te worden verklaard in hun verzoek de stichting te bevelen artikel 2 Wmcz na te leven, omdat zij de mogelijkheid dienen te hebben te laten toetsen of de stichting na implementatie van de nieuwe medezeggenschapsstructuur (nog) aan de eisen van de Wmcz voldoet.
Door de stichting is overigens terecht niet betoogd dat De Biezenrijt c.s. niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat zij in de nieuwe structuur niet meer zouden bestaan. Nu De Biezenrijt c.s. in eerste aanleg onbetwist bevoegd waren als cliëntvertegenwoordigersraad op te treden en zij tevens in ieder geval nog – ook in de visie van de stichting – bestonden toen het hoger beroep werd ingesteld, is er geen reden hen thans niet te ontvangen in hun verzoeken in hoger beroep.

3.32.

Het hof komt hiermee toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van De Biezenrijt c.s. de stichting te bevelen artikel 2 Wmcz na te leven. Het hof overweegt te dier zake als volgt.

3.33.

Onder ‘instelling’ wordt ingevolge artikel 1 lid 1, aanhef en sub b Wmcz – voor zover hier aan de orde – per 1 januari 2015 verstaan:

1°. een instelling in de zin van de Wet toelating zorginstellingen;

2°. elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin gezondheidszorg wordt verleend en dat wordt gefinancierd:

a. door het Zorginstituut Nederland op grond van de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg;

b. door Onze Minister (hof: d.i.: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) op grond van Kaderwet VWS-subsidies.

Ten tijde van indiening van het inleidend verzoekschrift luidde artikel 1 lid 1, aanhef en sub b Wmcz-oud als volgt:

b. instelling:

1º. een instelling in de zin van de Wet toelating zorginstellingen;

2º. elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin maatschappelijke zorg of gezondheidszorg wordt verleend en dat wordt gefinancierd:

a. door het Zorginstituut Nederland op grond van de Zorgverzekeringswet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;

b. door Onze Minister (hof: d.i.: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) op grond van Kaderwet VWS-subsidies of een gemeente op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

In artikel 7.2 (Stb. 2014, 280), bevattende overgangsrecht ten aanzien van de wijziging van bovengenoemd artikel als in werking getreden per 1 januari 2015 (Stb. 2014, 521), is bepaald:
“Op procedures inzake de naleving van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen, aangevangen voor inwerkingtreding van artikel 7.1, blijft die wet van toepassing”.
Dit geldt dus in beginsel ook voor de onderhavige procedure, die op 30 mei 2014 is aangevangen.
Niettemin zal het hof uitgaan van de nieuwste versie van het wetsartikel nu de medezeggenschapsstructuur bij de stichting vanaf 1 januari 2015 moet worden beoordeeld, het verzoek door De Biezenrijt c.s. als op de nieuwe medezeggenschapsstructuur gericht eerst is gedaan na 1 januari 2015 en overigens de aanpassingen in artikel 1 Wmcz technisch van aard zijn (namelijk aanpassing van verwijzingen) en geen materiële aanpassing beogen.

Waar hierna Wmcz staat is dus de wettekst vanaf 1 januari 2015 bedoeld, zijn eerdere versies bedoeld dan zal vermeld staan ‘Wmcz (oud)’, behalve in citaten uit de parlementaire geschiedenis of in relatie tot de parlementaire geschiedenis (die nagenoeg alle op de oorspronkelijke Wmcz (oud) zien).

Artikel 1 lid 1, aanhef en sub b onder 1° Wmcz

3.34.

Artikel 1 lid 1, aanhef en sub b onder 1° Wmcz verwijst naar het begrip ‘instelling’ in de zin van de Wet toelating zorginstellingen (WTZi). Die wet definieert een instelling als een organisatorisch verband dat een toelating heeft als bedoeld in artikel 5 WTZi.

3.35.

Vaststaat dat de stichting geen afzonderlijke toelatingen op grond van de WTZi voor de verschillende dagverblijven en woonhuizen (meer) heeft, maar (slechts) één WTZi-toelating voor de stichting als geheel.

Daarmee is alleen de stichting (als geheel) nog aan te merken als een instelling in de zin van artikel 1 lid 1, aanhef en sub b onder 1° Wmcz.

3.36.

Uitgaande van uitsluitend het instellingsbegrip van artikel 1 lid 1, aanhef en sub b onder 1° Wmcz is de stichting ex artikel 2 lid 1 Wmcz in deze situatie tot niet méér gehouden dan tot het instellen van een cliëntenraad op het niveau van de stichting c.q. op centraal niveau.

3.37.

De Biezenrijt c.s. stellen dat artikel 1 lid 1, aanhef en sub b onder 1° Wmcz niet meer aansluit bij de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever dat niet kan worden volstaan met één cliëntenraad voor alle onder de zorgaanbieder ressorterende tehuizen of inrichtingen. Zij ontlenen dit argument in het bijzonder (pleitnota mr. Van Rest onderdeel 9) aan de memorie van toelichting bij een wetsvoorstel tot wijziging van de Wmcz uit 2006/2007. Die voorgestelde wijziging van de Wmcz is evenwel nooit doorgevoerd, zodat onverminderd uitgegaan moet worden van de huidige wettekst en daaraan ten grondslag liggende parlementaire geschiedenis.

3.38.

Aan de verplichting tot het instellen van een cliëntenraad op het niveau van de stichting c.q. op centraal niveau heeft de stichting naar het oordeel van het hof voldaan en de aldus in het leven geroepen centrale cliëntenraad is in de nieuwe medezeggenschapsstructuur blijven bestaan.

Artikel 1 lid 1, aanhef en sub b onder 2° Wmcz

3.39

De Biezenrijt c.s. stellen, met een beroep op artikel 1 lid 1, aanhef en sub b onder 2° Wmcz en onder verwijzing naar de bedoeling van de wetgever om cliëntmedezeggenschap vorm te geven ‘op het niveau waar daadwerkelijk zorg wordt verleend’, dat de stichting niet kan volstaan met het instellen van één cliëntenraad, op het niveau van de stichting c.q. op centraal niveau.

3.40.

Zo stellen De Biezenrijt c.s. dat artikel 1 lid 1, aanhef en sub b onder 2° Wmcz wellicht ooit is geschreven om instellingen die aan bijzondere financieringsvoorwaarden

voldoen ook onder het instellingsbegrip te scharen, maar dat nergens uit blijkt dat men het

artikellid tot die bijzondere instellingen zou moeten beperken.

3.41.

Rechtdoende aan de bedoeling van de wetgever dient artikel 1, lid 1, aanhef en sub b onder 2° Wmcz, zo betogen De Biezenrijt c.s., aldus te worden gelezen en toegepast dat een instelling is:

“een in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband (vier muren en één dak; een ruimtelijke voorziening) waarin zorg wordt verleend waarop aanspraak bestaat ingevolge onder andere de AWBZ.”

3.42.

Niet ter discussie staat dat:

- de locaties die De Biezenrijt c.s. vertegenwoordigen – twee dagbestedingscentra en vier logeerhuizen –, afzonderlijke entiteiten (vier muren en één dak) zijn; alsmede dat

- de zorg die wordt verleend binnen deze locaties wordt bekostigd vanuit de AWBZ.

3.43.

Aldus zouden op het niveau van deze locaties, als zijnde instellingen, cliëntenraden moeten worden ingesteld, aldus De Biezenrijt c.s..

3.44.

De stichting heeft daartegen het volgende ingebracht. De AWBZ is per 1 januari 2015 vervangen door de Wet langdurige zorg (hierna: de Wlz). De Wlz is nader uitgewerkt in het Besluit Langdurige Zorg (hierna: het Besluit). Noch de stichting zelf noch de locaties die De Biezenrijt c.s. vertegenwoordigen worden op de in de Wlz en het Besluit genoemde wijzen gefinancierd. De locaties die De Biezenrijt c.s. vertegenwoordigen kunnen dan ook niet worden beschouwd als instellingen in de zin van artikel 1 lid 1, aanhef en sub b onder 2°-a. van de Wmcz, aldus de stichting.

3.45.

Het hof oordeelt als volgt. Van belang is na te gaan wat de bedoeling van de wetgever is (geweest) met de Wmcz (oud), in het bijzonder ten aanzien van de vraag voor welke soort instellingen de Wmcz (oud en huidig) bedoeld is (geweest).

Uit de parlementaire geschiedenis van wetsvoorstel 23041, als uiteindelijk geresulteerd hebbende in de invoering van de Wmcz (oud), blijkt onder meer het volgende:

3.45.1. “

Wij stellen derhalve voor het wetsvoorstel te doen gelden voor alle collectief gefinancierde zorginstellingen. (vet, hof) Daarbij dient te worden bedacht dat de overheidsbemoeienis met betrekking tot de medezeggenschap in het onderhavige wetsvoorstel aanzienlijk minder ver gaat en dat het wetsvoorstel meer ruimte biedt voor zelfregulering door de betrokken instellingen dan het voorstel van Wet democratisch functioneren zorginstellingen, dat slechts een beperkte reikwijdte kende.”
(Kamerstukken II 1992/93, 23 041 MvT nr. 3 blz. 3)


Artikel 1

In onderdeel b van het eerste lid wordt gedefinieerd wat in dit wetsvoorstel onder «instelling» wordt verstaan. Deze definitie bepaalt de reikwijdte van het wetsvoorstel. Onder de wet vallen ingevolge dit onderdeel alleen instellingen die uit collectieve middelen (waaronder wordt verstaan: overheidssubsidie en bekostiging op grond van de sociale verzekeringswetgeving) worden bekostigd . (vet, hof) (…)
Verder zal de wet van toepassing zijn op onder meer de volgende op grond van de AWBZ of ZFW erkende instellingen: algemene, academische, categoriale en psychiatrische ziekenhuizen, instellingen op het terrein van de zwakzinnigenzorg, verpleeghuizen, gezinsvervangende tehuizen en dagverblijven voor gehandicapten, regionale instellingen voor beschermd wonen, blinden- en doven-instituten, regionale instellingen voor ambulante geestelijke gezondheidszorg, kruisinstellingen en revalidatiecentra. (vet, hof) Bij de tot stand te brengen Kwaliteitswet zorginstellingen zal worden voorzien in schrapping van de bepalingen van de AWBZ en ZFW met betrekking tot erkenning van instellingen. Daardoor zal er geen sprake meer zijn van erkende instellingen. Wanneer dit voornemen zijn beslag krijgt, zal de omschrijving van het begrip «instelling» uiteraard moeten worden gewijzigd, voor zover het betreft het eerste lid, onderdeel b, 2°. De wet zal eveneens gelden voor instellingen die met toepassing van de in onderdeel b, 3°, genoemde regels worden gefinancierd. (…)
Voorbeelden van de in onderdeel b, 3°, onder a, bedoelde instellingen die door de Ziekenfondsraad worden gefinancierd op grond van artikel 39, derde lid, onder h, van de Wet financiering volksverzekeringen, zijn de instellingen die werkzaam zijn op het terrein van de gezinsverzorging, de gezondheidscentra, de herstellingsoorden, de psychiatrische woonvoorzieningen, de instellingen voor klinisch-psychiatrische gezinsbehandeling, de sociaal-pedagogische diensten, kinder- gezinsvervangende tehuizen voor geestelijk of lichamelijk gehandicapten, de kort-verblijftehuizen”.
(Kamerstukken II 1992/93, 23 041, MvT nr. 3 blz. 22)


De in het eerste lid, onderdeel b, 3°, onder b, bedoelde instellingen zijn de door de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur gesubsidieerde landelijke instellingen voor maatschappelijke hulp en opvang, de algemene opvangcentra op levensbeschouwelijke grondslag, de blijf van-m'n-lijfhuizen, algemene opvangcentra en thuislozeninrichtingen, alsmede de door gemeenten gesubsidieerde instellingen voor kinderopvang, gecoördineerd ouderenwerk, woontussenvoorzieningen en instellingen voor algemeen maatschappelijk werk. In het tweede lid, ten slotte, wordt de mogelijkheid geopend, dat de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur de wet toepasselijk verklaart ten aanzien van zorginstellingen welke door deze minister, anders dan krachtens een wettelijke bekostigingsregeling (vet, hof) worden gefinancierd.”
(Kamerstukken II 1992/93, 23 041, MvT nr. 3 blz. 22 - 23)


“Onder verwijzing naar de discussienota van de Commissie Van der Burg uit 1975 (Publikatie Ministerie van CRM) kan ook thans nog als belangrijkste argument voor een wettelijke regeling van het democratisch functioneren van gesubsidieerde instellingen (vet, hof) worden aangevoerd dat de grond voor democratisering ligt in «het respect voor de menselijke waardigheid, in de gedachte dat mensen nimmer gereduceerd mogen worden tot objecten van zorg en leiding, doch dat zij een stem moeten hebben in de omstandigheden waaronder zij leven en werken (pag. 8)»”
(Kamerstukken II 1992/93, 23 041, MvA nr. 5 blz. 2.).


(…)

“In de tweede plaats is het naar onze mening ondenkbaar dat er sprake zou kunnen zijn van een doelmatige besteding van de voor zorgverlening beschikbaar gestelde collectieve middelen indien de zorgverlening niet of onvoldoende is afgestemd op de behoeften en wensen van de cliënten. Het versterken van de inspraak van de cliënten is dan ook een alleszins adequaat instrument om een doelmatige besteding van middelen te bewerkstelligen. Wij vermogen niet in te zien waarom het de wetgever niet vrij zou staan de doelmatige besteding van middelen mede met behulp van dit instrument te bevorderen. Voor de goede orde zij erop gewezen dat de samenhang tussen democratisch en het doelmatig functioneren destijds reeds in de naam van de Commissie van advies inzake het democratisch en doelmatig functioneren van instellingen tot uitdrukking werd gebracht”.
(Kamerstukken II 1993/94, 23 041, MvA nr. 5 blz. 3).

“Gezien de bijzondere verantwoordelijkheid van de overheid voor het functioneren van uit collectieve middelen gefinancierde zorginstellingen (vet, hof), is het bieden van een wettelijke basis voor cliënteninspraak ons inziens alleszins gerechtvaardigd”.
(Kamerstukken II 1993/94, 23 041, MvA nr. 5 blz. 4).

“Het wetsvoorstel legt collectief gefinancierde instellingen (vet, hof) de verplichting op een cliëntenraad in te stellen. Dat is de structuur die het wetsvoorstel verplicht stelt.”
(Kamerstukken II 1993/94, 23 041, MvA nr. 5 blz. 5).

“De woontussenvoorzieningen vallen sinds 1987 onder de reikwijdte van de Welzijnswet. Ook volgens de voorgenomen herziening van de Welzijnswet is dat het geval. De woontussenvoorzieningen vallen daarnaast ook onder de reikwijdte van onderhavig wetsvoorstel, evenals dat overigens het geval is met andere instellingen die onder de Welzijnswet vallen, zoals instellingen van kinderopvang en van maatschappelijke opvang. Het begrip «zorginstelling» heeft immers niet alleen betrekking op de gezondheidszorg, maar ook op de maatschappelijke zorg. Over de vraag of na afronding van genoemde woon-zorgdiscussie onderhavig wetsvoorstel van toepassing dient te blijven op met collectieve middelen gefinancierde (vet, hof) woontussenvoorzieningen, zal alsdan op inhoudelijke gronden moeten worden geoordeeld”.
(Kamerstukken II 1993/94, 23 041, MvA nr. 5 blz. 28).

“De leden van de GPV-fractie verbaasden zich over de redenering die ten grondslag ligt aan de beperking van de reikwijdte van het wetsvoorstel tot collectief gefinancierde instellingen (vet, hof)”.
(Kamerstukken II 1993/94, 23 041 Nota n.a.v. Eindverslag nr. 7 blz. 2)

Wat betreft de vraag van de leden van de CDA-fractie over de reikwijdte van het wetsvoorstel waar het gaat over de kinderopvang, merk ik op dat het wetsvoorstel betrekking heeft op zorgaanbieders op het terrein van de maatschappelijke zorg en gezondheidszorg voor zover deze uit collectieve middelen worden gefinancierd (vet, hof).
(Kamerstukken II 1993/94, 23 041, Nota n.a.v. Eindverslag nr. 7 blz. 3).

3.45.2.

Zie verder ook AG Strikwerda in zijn conclusie bij HR 6 april 2001 (ECLI:NL:PHR:2001:AB0903) met betrekking tot het doel van de wet:

“8. De WMCZ heeft tot doel een betere afstemming van de zorgverlening op de wensen en behoeften van cliënten in zorginstellingen. Medezeggenschap werd daartoe een belangrijk instrument geacht, omdat het hier voorzieningen betreft die in belangrijke mate bepalend zijn voor het welbevinden van degenen die erop zijn aangewezen (Kamerstukken II 1992/93, 23 041, nr. 3, blz. 2 en 8/9). Zie nader over het ontstaan en de inhoud van de WMCZ P.J.M. van Wersch, Stichting & Vereniging 1994, blz. 1 e.v.; A.H. Bakker, Het wetsvoorstel medezeggenschap cliënten zorginstellingen, in: Roscam Abbing-bundel, 1994, blz. 37 e.v.; J.E.M. Akveld en C.J. Loonstra, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, 1994, blz. 315 e.v.; J.E.M. Akveld, Regelgeving rond de 'onderneming' in de gezondheidszorg, rede, 1996, blz. 25 e.v.
9. Gekozen is voor een wet die de gehele gesubsidieerde zorgsector bestrijkt . (vet, hof) Omdat deze sector een grote diversiteit aan instellingen omvat, heeft de wetgever de inrichting van de medezeggenschapsstructuur overgelaten aan de zorginstellingen zelf, teneinde deze in staat te stellen een regeling tot stand te brengen die op de maat van de betrokken instelling gesneden is. Deze vrijheid vindt haar grenzen in de twee in art. 2 lid 3 WMCZ omschreven vereisten. De vormgeving van deze vereisten bij nadere regeling is opgedragen aan de zorgaanbieder, waarbij hem de nodige vrijheid van handelen is gegund. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt voorts dat de zorgaanbieder aan zijn wettelijke verplichtingen heeft voldaan wanneer hij een reglement tot stand heeft gebracht dat aan de bedoelde vereisten voldoet (Kamerstukken II 1993/94, 23 041, nr. 5, p. 8)”.

3.45.3.

De hiervoor opgenomen citaten brengen het hof tot het oordeel dat de bedoeling van de wetgever is geweest alle zorginstellingen – in de zin van instelling waar gezondheidszorg wordt geboden - die uit collectieve middelen werden of worden gefinancierd onder de Wmcz te laten vallen. Hierbij wordt opgemerkt dat het hof niet gebleken is dat bij invoering van de gewijzigde tekst per 1 januari 2015 – dan wel bij andere eerdere aanpassingen van de Wmcz – de wetgever andere c.q. afwijkende uitgangspunten voor ogen hebben gestaan dan die welke uit de hiervoor aangehaalde parlementaire geschiedenis naar voren komen. Anders dan door de stichting bepleit ziet het hof geen reden gegeven de uit de citaten blijkende doelstelling het aan de orde zijnde onderdeel van de sinds 1 januari 2015 geldende tekst van artikel 1 Wmcz “dat wordt gefinancierd door het Zorginstituut Nederland op grond van de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg” te beperken tot geoormerkte instellingen dan wel instellingen ten aanzien waarvan zeer specifieke financieringsstromen gelden in plaats van de zinsnede op te vatten als de eis dat sprake is van financiering in algemene zin, dus ook in de gevallen waarbij het Zorginstituut Nederland optreedt als uitvoerder respectievelijk beheerder. Dit laatste past bij de beoogde ruime toepassing van de Wmcz ten aanzien van uit collectieve middelen bekostigde zorginstellingen. Niet is dus vereist – anders dan de kantonrechter tot uitgangspunt heeft genomen – dat de betreffende eenheid (zie hierna) zelf als zodanig wordt gefinancierd, maar voldoende is financiering uit collectieve middelen van de door de eenheid verleende zorg.

3.45.4.

Het voorgaande betekent dat in beginsel gekeken moet worden of de locaties die de LCVR-en in deze zaak vertegenwoordigen overigens voldoen aan de andere eis van artikel 1 lid 1 onder b, te weten of sprake is van “elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin gezondheidszorg wordt verleend “.
Uit de door de stichting verstrekte informatie blijkt dat in de nieuwe organisatiestructuur aangaande de diverse locaties sprake zal zijn van zelfsturende teams, waarbij tevens coaches begeleiding geven. Het hof vermag niet in te zien waarom deze zelfsturende teams niet zouden kunnen worden aangemerkt als een in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband. Dat deze teams verder gezondheidszorg als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder b Wmcz verlenen aan de bewoners van de diverse locaties die onder de beide LCR-en vallen is tussen partijen in confesso.

3.45.5.

Het uitgangspunt van de stichting is dat ‘medezeggenschap zeggenschap volgt’, zodat een aanpassing van de wijze waarop leiding wordt gegeven binnen de stichting moet leiden tot verandering van de medezeggenschapsstructuur. Waar dit uitgangspunt is opgenomen in de Wmcz laat de stichting na te verduidelijken. Verder heeft de stichting aangevoerd dat de opvatting van de LCVR-en zou leiden tot een onwerkbare situatie, waarbij de stichting vooral aandacht heeft gevraagd voor het feit dat de organisatiestructuur van de stichting sinds 2014 niet meer rond locaties is opgebouwd.

3.45.6.

Het hof heeft ook op het punt van de relevantie van werkbaarheid van de medezeggenschap de parlementaire geschiedenis van de Wmcz (oud) geraadpleegd:

“Zoals hiervoor reeds werd opgemerkt, impliceert de verantwoordelijkheid van de overheid voor de onderhavige gemeenschapsvoorzieningen dat de overheid waarborgen treft voor de afstemming van de zorgverlening door die instellingen op de behoeften en wensen van hun cliënten. Dat impliceert geenszins dat van bovenaf een scala aan voorschriften aan de instellingen moet worden opgelegd. Volstaan is met enige minimumvoorschriften die de zorgaanbieders verplichten voor elke instelling een cliëntenraad met in de wet vastgelegde bevoegdheden in te stellen , (vet, hof) de cliëntenraad enige invloed op de samenstelling van het bestuur te geven en voorts bepaalde beleidsstukken openbaar te maken. Het wetsvoorstel bevat, buiten die welke de minister de bevoegdheid geeft de wet toepasselijk te verklaren op door hem, anders dan krachtens een wettelijke regeling, gefinancierde instellingen, geen delegatiebepalingen”.
(Kamerstukken II 1992/93, 23 041, MvT nr. 3 p. 10)

“De zorgaanbieder die een instelling in stand houdt, ware zorgvuldig te onderscheiden van de instelling. De instelling is het organisatorische geheel waarin de zorg wordt verleend, veelal vanuit een ruimtelijke voorziening (vgl. «onderneming» in het kader van de Wet op de ondernemingsraden) (vet, hof). De zorgaanbieder, de juridisch verantwoordelijke voor het reilen en zeilen van de instelling, is degene die aan de in het wetsvoorstel opgenomen verplichtingen moet voldoen”.
(Kamerstukken II 1992/93, 23 041, MvT nr. 3 p. 23)


(…)

“Artikel 2 legt de zorgaanbieder de verplichting op voor iedere door hem in stand gehouden instelling een cliëntenraad in het leven te roepen. De taak van de cliëntenraad behelst het binnen de doelstellingen van de instelling behartigen van de gemeenschappelijke belangen van de cliënten. Uiteraard is het mogelijk die raad met een andere benaming aan te duiden (vet, hof)”.
(Kamerstukken II 1992/93, 23 041, MvT nr. 3 p. 24)

(…)
“Een zorgaanbieder kan meer dan één instelling instandhouden. In dat geval dient voor iedere instelling een afzonderlijke cliëntenraad in het leven te worden geroepen. Er kan dus niet worden volstaan met één cliëntenraad voor alle onder een zorgaanbieder ressorterende tehuizen en inrichtingen. (vet, hof) Of naast het tot stand brengen van cliëntenraden voor de onderscheiden instellingen wordt overgegaan tot de instelling van een centrale cliëntenraad voor alle instellingen die onder dezelfde zorgaanbieder ressorteren, laten wij gaarne ter vrije beoordeling aan de zorgaanbieder en de betrokken cliëntenraden. Het wetsvoorstel staat hieraan niet in de weg. Wel zal uiteraard met de cliëntenraden overeenstemming moeten worden bereikt over de afbakening van de taken en de bevoegdheden van de centrale cliëntenraad en de afzonderlijke cliëntenraden (vet, hof)”.

(Kamerstukken II 1992/93, 23 041, MvT nr. 3 p. 25)

“Regelmatig komen fusies van instellingen voor, waarbij één van de oorspronkelijke lokaties voor voortzetting van de activiteiten wordt gekozen. In een dergelijk geval kunnen de cliënten van elke instelling die bij de fusie betrokken is , de voorkeur geven aan voortzetting van de activiteiten op de eigen lokatie . (vet, hof) Wanneer in een dergelijk geval slechts één cliëntenraad voor alle betrokken instellingen zou bestaan, zou deze niet in staat zijn alle belangen op adequate wijze te behartigen. Tevens biedt naar ons oordeel het oprichten van een cliëntenraad voor meerdere instellingen op het punt van de representativiteit van de cliëntenraden geen voordelen. Ook volgens deze suggestie zullen leden van cliëntenraden van instellingen met een snel wisselend cliëntenbestand vaak gerecruteerd dienen te worden buiten de directe cliëntenpopulatie. Wij hebben derhalve gemeend binnen het kader van het wetsvoorstel vast te moeten houden aan de eis dat elke zorginstelling verplicht is een cliëntenraad in te stellen. (vet, hof) Het wetsvoorstel bevat overigens geen bepaling die de instelling van een centrale cliëntenraad naast de afzonderlijke cliëntenraden per instelling verbiedt. Een dergelijke constructie is derhalve mogelijk, zij het dat de cliëntenraden op instellingsniveau met een verdeling van bevoegdheden zullen moeten instemmen, omdat de constructie veronderstelt dat bepaalde bevoegdheden van deze raden overgaan op de centrale cliëntenraad, dit in reactie op een vraag van de leden van de fractie van Groenlinks”.
(Kamerstukken II 1993/94, 23 041, MvA nr. 5 p. 9-10).

“Het wetsvoorstel verplicht de zorgaanbieder voor elke door hem in stand gehouden instelling een cliëntenraad in te stellen. Aan deze op het niveau van de instelling functionerende cliëntenraad kent het wetsvoorstel bepaalde bevoegdheden toe. Het wetsvoorstel laat de mogelijkheid onverlet ten behoeve van een aantal instellingen gezamenlijk een centrale cliëntenraad in het leven te roepen. Een dergelijke centrale cliëntenraad kan echter slechts dan over de in dit wetsvoorstel neergelegde bevoegdheden beschikken, indien de cliëntenraden van de afzonderlijke instellingen met deze overdracht van bevoegdheden instemmen. (vet, hof) De situatie kan zich voordoen, dat bij de cliënten van een instelling zo weinig belangstelling voor het uitoefenen van medezeggenschap bestaat, dat het onmogelijk blijkt tot benoeming van de leden van de cliëntenraad over te gaan. In dat geval functioneert de cliëntenraad niet en kan zij derhalve ook niet het besluit nemen haar bevoegdheden aan een centrale cliëntenraad over te dragen”.
(Kamerstukken II 1993/94, 23 041, Nota n.a.v. Eindverslag nr. 7 p. 4).

“Ik handhaaf het uitgangspunt, dat de participatie van cliënten in beginsel op het niveau van de instelling dient plaats te vinden. Met de instelling hebben de cliënten rechtstreeks en vaak intensief te maken. Het beleid van en de gang van zaken in die instelling is voor hen van groot belang en dit belang behoeft niet steeds overeen te stemmen met dat van de andere tot de rechtspersoon behorende instellingen . (vet, hof) Dit neemt niet weg, dat een zorgaanbieder die verschillende instellingen in stand houdt en ten aanzien van die instellingen op bepaalde terreinen een gelijkluidend beleid wenst te voeren, dit met de medewerking van de cliëntenraden kan bewerkstelligen. In de eerste plaats kan de zorgaanbieder zonder veel moeite een regelmatig overleg tussen de vertegenwoordigers van de verschillende cliëntenraden organiseren. Dit kan ertoe bijdragen, dat de cliëntenraden het gebruik van hun bevoegdheden op elkaar afstemmen. Indien de cliënten erbij gebaat zijn het beleid vast te stellen op een niveau dat de afzonderlijke instelling overstijgt, valt te verwachten, dat de cliëntenraden het belang hiervan inzien en er hun medewerking aan verlenen. In de tweede plaats kan de zorgaanbieder een centrale cliëntenraad instellen”.
(Kamerstukken II 1993/94, 23 041, Nota n.a.v. Eindverslag nr. 7 p. 5).

“De leden van de fractie van D66 wilden nadrukkelijk verklaren dat zij het eens zijn met de indieners, waar het gaat om het scheppen van een cliëntenraad per organisatorische eenheid, omdat het gaat over het functioneren van die eenheid (vet, hof)”.
(Kamerstukken II 1993/94, 23 041, Nota n.a.v. Eindverslag nr. 7 p. 6).

“De leden van de SGP-fractie achtten het denkbaar dat binnen een rechtspersoon een centrale cliëntenraad functioneert, terwijl er per afzonderlijke instelling een cliëntencommissie met een zeer beperkte omvang bestaat.
Het wetsvoorstel verzet zich niet tegen het door deze leden geschetste model. Aan de per instelling te vormen cliëntencommissies zullen dan wel de bevoegdheden moeten worden verleend, die het wetsvoorstel aan de cliëntenraad toekent . (vet, hof) De cliëntencommissie vervult in dat geval de rol van de wettelijk voorgeschreven cliëntenraad. Daarnaast kan een centrale cliëntenraad worden ingesteld. Zoals reeds eerder opgemerkt, beschikt deze niet over de bevoegdheden die ingevolge het wetsvoorstel aan de cliëntenraad toekomen, tenzij de cliëntenraden op instellingsniveau hebben ingestemd met een verdeling van bevoegdheden.”
(Kamerstukken II 1993/94, 23 041, Nota n.a.v. Eindverslag nr. 7 p. 7).

3.45.7.

Het hof is van oordeel dat in de kern de stichting met de gekozen nieuwe medezeggenschapsstructuur waarin slechts formele medezeggenschap op centraal niveau en clusterniveau en niet op het niveau van de zelfsturende teams is belegd, de bedoeling van de wetgever als kenbaar uit de parlementaire geschiedenis van de Wmcz (oud) miskent. In het bijzonder wijst het hof op het hierboven opgenomen citaat uit pagina 25 van de MvT (nr. 3), en op het hierboven opgenomen citaat uit pagina 5 van de Nota n.a.v. het Eindverslag (nr. 7).

Het hof herhaalt hier zijn opmerking onder 3.45.3, dat het hof niet gebleken is dat bij invoering van de gewijzigde tekst per 1 januari 2015 de wetgever andere c.q. afwijkende uitgangspunten voor ogen hebben gestaan dan die welke uit de hiervoor aangehaalde parlementaire geschiedenis naar voren komen. Het is overigens zonder meer toegestaan vanaf het niveau van “instelling”, zijnde in de nieuwe structuur het zelfsturende team, in samenspraak met de aldaar in te stellen cliëntenraden, respectievelijk cliëntenvertegenwoordigersraden, via delegatie ook daarboven raden in te stellen, bijvoorbeeld op clusterniveau en op centraal niveau. Aldus laat zich een structuur voorstellen die wel degelijk werkbaar zou (moeten) kunnen zijn. Maar de structuur moet dan wel van onderop worden georganiseerd, zoals uit de hierboven weergegeven citaten blijkt.
Dat de stichting ook hecht aan groepsoverleg op – klaarblijkelijk – informeel niveau laat de verplichting tot instelling van een cliëntenraad op het niveau van de zelfsturende teams onverlet. Overigens is de naam van het orgaan niet beslissend maar de bevoegdheden (zie de minister in Nota n.a.v. eindverslag nr. 7 p. 7). Door de stichting zelf is uitdrukkelijk aangegeven dat het groepsoverleg niet kan worden aangemerkt als een cliëntenraad als bedoeld in artikel 2 Wmcz.

3.45.8.

Anders dan door de stichting tijdens de mondelinge behandeling betoogd kan uit de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 januari 2015 niet worden afgeleid dat de minister anders denkt over de vraag op welk niveau medezeggenschap moet worden belegd. Ook de minister is blijkens het hierna op te nemen citaat uit deze brief immers van oordeel dat medezeggenschap op het niveau van de directe respectievelijk dagelijkse leefomgeving moet worden gezocht.

“(…) (p. 8) 3. Optimaliseren van checks and balances langs de weg van medezeggenschap

Een belangrijk aspect van goed bestuur is en blijft wat ons betreft de mate waarin de belangen van patiënten en cliënten worden meegewogen in de uiteindelijke besluiten die door bestuurders van zorginstellingen worden genomen. Wij zien in veel zorginstellingen goede voorbeelden van inspraak en medezeggenschap van patiënten en cliënten. Te veel zien we echter ook dat cliëntenraden te weinig en te laat worden betrokken bij besluiten die een grote impact kunnen hebben op hun welzijn en/of voldoende worden gefaciliteerd. Wij zijn dan ook van mening dat de regels ten aanzien van medezeggenschap verbeterd moeten worden, zodat deze aansluiten bij wat er op dit moment van medezeggenschap wordt verwacht . (vet, hof) Meer en meer wordt de patiënt / cliënt gezien als een gesprekspartner van de zorgverlener en dit mag ook doorklinken in de medezeggenschap. Naast klassieke cliëntenraden zijn er bijvoorbeeld ook patiëntadviesraden actief of in sommige gevallen familieraden. Met de aanpassingen van de huidige medezeggenschapsregels willen we maatwerk makkelijker mogelijk maken.

(….) Zoals wij ook hebben aangegeven in onze brief “Van systemen naar mensen” van februari 2013, zijn wij van plan om noodzakelijke verbeteringen door te voeren in de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (WMCZ). Ons uitgangspunt is
(p. 9) dat medezeggenschap zorgbreed beschikbaar is en blijft. Daarnaast vinden wij dat cliëntvertegenwoordigende organen moeten kunnen adviseren bij beslissingen die cliënten aangaan, bijvoorbeeld besluiten die betrekking hebben op de kwaliteit van de zorg, huisvesting of fusies. In de huidige WMCZ geldt voor een aantal onderwerpen die nauw raken aan de dagelijkse leefomgeving van cliënten een verzwaard adviesrecht. Vanuit het veld is aangegeven dat dit recht in de praktijk als te vrijblijvend wordt ervaren. De bestuurder heeft nog teveel ruimte om een advies van de cliëntenraad naast zich neer te leggen. Wij hechten eraan dat juist voor onderwerpen die raken aan de directe leefomgeving het advies van de cliënten serieus wordt genomen (vet, hof). Voor deze onderwerpen zijn wij van plan om een instemmingsrecht te introduceren. Het instemmingsrecht is geen vetorecht voor cliëntenraden. De bestuurder kan bij zwaarwegende argumenten nog altijd afwijken van het advies. Wel dwingt het de bestuurder om zijn bezwaren beter te motiveren dan nu het geval is. Deze werkwijze is vergelijkbaar met het instemmingsrecht voor ondernemingsraden. Daarnaast zijn we van plan om verbeteringen aan te brengen in de regels op het gebied van financiering van cliëntenraden. Het gaat dan onder meer om het gebruik van faciliteiten en (financiële) middelen voor reguliere werkzaamheden en scholingskosten.(….).

De in de brief Goed bestuur voorgestelde verruiming van het enquêterecht voor cliëntvertegenwoordigende organen, waarbij dit recht voortaan zal gelden voor alle zorgaanbieders ongeacht de rechtsvorm levert een bijdrage aan de strijd tegen wanbestuur. Op grond van dit recht kan een cliëntvertegenwoordigend orgaan een verzoek indienen bij de Ondernemingskamer tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken binnen de zorginstelling. Tijdens het AO integriteit en verwevenheid van 6 november 2014 heeft de SP fractie gevraagd om nadere informatie over een casus omtrent een afgewezen enquêteverzoek van een cliëntenraad rondom een voorgenomen fusie. Hierbij werd gevraagd naar de kosten van een dergelijk verzoek voor cliëntvertegenwoordigende organen en of wij die kosten kunnen vergoeden. De kosten van een enquêteverzoek kunnen omvangrijk zijn. In de regel worden deze gedragen door de zorgaanbieder . Een nadere toelichting hierop treft u aan in de bijlage medezeggenschap. In uitzonderingsgevallen kan de cliëntenraad worden geconfronteerd met de rekening. Wij vinden het belangrijk dat cliënten die goede argumenten hebben gebruik kunnen maken van dit recht, zonder na afloop met een hoge rekening te worden geconfronteerd. Daar staat tegenover dat wij willen voorkomen dat er lichtzinnig van dit recht gebruik gemaakt wordt. In de komende periode gaan we nader uitzoeken hoe we hier een goed evenwicht in kunnen bewaren. U wordt hierover geïnformeerd bij de voorstellen voor de herziening van de WMCZ.
(Brief minister van 22 januari 2015 aan de Tweede Kamer, kenmerk 678867-128073-MC)
3.45.9. Het voorgaande leidt ertoe dat grief 2 slaagt en de vordering van de Biezenrijt c.s. om de stichting te bevelen artikel 2 Wmcz na te leven en hen ook in de nieuwe medezeggenschapsstructuur te (blijven) erkennen als cliëntenvertegenwoordigersraad en hen alsnog en actief te betrekken bij de medezeggenschap binnen de stichting, althans - zo begrijpt het hof - voor zover de positie en de belangen van de respectieve locaties in het geding zijn, zal worden toegewezen.
Partijen zullen samen aan het voorgaande vervolgens een nadere invulling dienen te geven.

B. Moet de stichting de financiële informatie waar De Biezenrijt c.s. om verzocht hebben (bij brief van 13 april 2014) verstrekken?

3.46.

De Biezenrijt c.s. hebben zich bij schrijven van hun raadsman d.d. 13 april 2014 tot de toenmalige raadsman van de stichting gewend. Dit schrijven luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

Informatieverzoek

Mijn cliënten wensen meer zicht te hebben op de financiële situatie van Stichting [zorg] zorg als geheel en hun locaties als een onderdeel daarvan. (…)

Ik verzoek Stichting [zorg] zorg dus de volledige gedetailleerde begroting over 2014 ten aanzien van Stichting [zorg] zorg als geheel (…) aan mij toe te sturen. (…)

(…) Ook zouden cliënten graag een gedetailleerde begroting over 2014 ontvangen voor locatie De Biezenrijt, locatie De Werkschuur en logeerhuis Luna.

Daarnaast verzoek ik u de definitieve cijfers over 2013 van Stichting [zorg] zorg als geheel (dus niet de begroting), op dezelfde wijze uitgesplitst als de volledige gedetailleerde begroting (dus ook uitgesplitst voor de locaties De Biezenrijt, De Werkschuur en logeerhuis Luna), te verstrekken zodat deze vergeleken kunnen worden met de begroting voor 2014.

Ten slotte wensen cliënten graag een antwoord te krijgen op de volgende vragen: (…)”

3.47.

Bij schrijven d.d. 22 april 2014 heeft de waarnemer van de toenmalige raadsman van de stichting hierop, onder opgaaf van redenen, afwijzend gereageerd.

3.48.

De Biezenrijt c.s. verzoeken het hof om de stichting ex artikel 10, tweede lid Wmcz te bevelen artikel 5 Wmcz na te leven, en uit dien hoofde De Biezenrijt c.s. de in de brief van hun raadsman d.d. 13 april 2014 verzochte financiële informatie alsnog te verstrekken.

3.49.

Zonder een inhoudelijk oordeel over het informatieverzoek van De Biezenrijt c.s. en de afwijzende reactie daarop van de stichting te (willen) geven, heeft naar het oordeel van het hof het volgende te gelden.

3.50.

Het betreft hier een situatie als genoemd in artikel 5, eerste lid Wmcz. Ingevolge artikel 10, eerste lid Wmcz behoort het tot de exclusieve taak van de LCvV te bemiddelen en zo nodig een bindende uitspraak te doen op verzoek van de cliëntenraad, in geschillen met de zorgaanbieder over de uitvoering van artikel 5, eerste lid Wmcz.

3.51

Ten aanzien van de stelling van De Biezenrijt c.s. dat ook de (kanton)rechter bevoegd is om kennis te nemen van geschillen over de uitvoering van artikel 5, eerste lid Wmcz, waarbij De Biezenrijt c.s. verwijzen naar het bepaalde in artikel 10, tweede en derde lid Wmcz, geldt het volgende.

3.52.

De verwijzing in artikel 10, tweede lid Wmcz naar artikel 10, eerste lid Wmcz, strekt zich - anders dan De Biezenrijt c.s. betogen - niet uit tot de in artikel 10, eerste lid Wmcz genoemde wetsartikelen, waaronder artikel 5, eerste lid Wmcz, maar beperkt zich tot de situatie dat de zorgaanbieder ófwel verzuimt om een commissie van vertrouwenslieden in te stellen, ófwel een bindende uitspraak van een/de commissie van vertrouwenslieden niet naleeft
(Kamerstukken II 1992/93, 23041, MvT nr. 3, pp. 16-17).

3.53.

Onder de ‘handelingen’ tot het verrichten waarvan de kantonrechter de zorgaanbieder ingevolge artikel 10, derde lid Wmcz kan verplichten, dient (anders dan De Biezenrijt c.s. betogen) derhalve niet de informatieverstrekking van artikel 5, eerste lid Wmcz te worden begrepen.

3.54.

Artikel 10, derde lid Wmcz, gelezen in samenhang met de leden één en twee van genoemd artikel, leidt tot de conclusie, dat daar waar in artikel 10, derde lid Wmcz wordt gesproken over de beschikking van de kantonrechter, het gaat om een beschikking ex artikel 10, tweede lid Wmcz. Dit blijkt ook uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1992/93, 23041, nr. 3, p. 30). In artikel 10, tweede lid Wmcz is artikel 5, eerste lid Wmcz niet genoemd.

3.55.

Daarbij komt dat, ware dit anders, de door de wetgever in artikel 10, eerste en tweede lid Wmcz zorgvuldig vastgestelde bevoegdheidsverdeling tussen de kantonrechter en de LCvV, iedere betekenis zou verliezen.

3.56.

Dat De Biezenrijt c.s. de door hen gevraagde financiële informatie naar eigen zeggen nodig hebben voor hun taakvervulling, maakt het voorgaande niet anders, nu dit er niet aan in de weg staat dat de daarvoor exclusief aangewezen procedure bij de LCvV zal (en kan)worden gevolgd.

3.57.

Het hof is dan ook, evenals de kantonrechter en deels op dezelfde gronden als de kantonrechter, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat De Biezenrijt c.s. in hun verzoek onder B. niet-ontvankelijk zijn.

3.58.

Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek komt het hof dan ook niet toe.

Grief 4 faalt mitsdien.

C. Is de stichting gehouden de kosten van deze procedure voor haar rekening te nemen?

3.59.

De Biezenrijt c.s. hebben zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verzocht de stichting te bevelen om de declaraties van de raadsman van De Biezenrijt c.s. te voldoen.

3.60.

Het hof begrijpt dit verzoek van De Biezenrijt c.s. als het verzoek om aan de stichting een bevel te geven om artikel 2 lid 5 Wmcz na te leven. Dit temeer nu De Biezenrijt c.s. hun verzoek in het inleidende verzoekschrift in één adem noemen met hun verzoek om aan de stichting een bevel te geven om artikel 2 Wmcz na te leven.

3.61.

Artikel 2 lid 5 Wmcz bepaalt dat de kosten van het voeren van rechtsgedingen door de cliëntenraad ten laste van de zorgaanbieder komen.

Artikel 2 lid 5 Wmcz verbindt daaraan een tweetal voorwaarden:

I. het moet gaan om een rechtsgeding zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid Wmcz;

II. de zorgaanbieder moet van de te maken kosten vooraf in kennis zijn gesteld.

3.62.

Het hof zal mede aan de hand van deze voorwaarden ten aanzien van achtereenvolgens de kosten van De Biezenrijt c.s. voor het voeren van het rechtsgeding in eerste aanleg en de kosten van De Biezenrijt c.s. voor het voeren van het rechtsgeding in hoger beroep, bepalen of deze kosten voor vergoeding door de stichting in aanmerking komen.

De kosten van De Biezenrijt c.s. voor het voeren van het rechtsgeding in eerste aanleg

3.63.

Nu, zoals hiervoor is overwogen (zie in het bijzonder 3.22. en 3.57), De Biezenrijt c.s. in hun verzoek ex artikel 10, tweede lid juncto artikel 2 Wmcz in eerste aanleg door de kantonrechter niet-ontvankelijk hadden dienen te worden verklaard en De Biezenrijt c.s. in hun verzoek ex artikel 10, tweede lid juncto artikel 5 Wmcz in eerste aanleg door de kantonrechter terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard, is in eerste aanleg geen sprake (geweest) van een rechtsgeding als bedoeld in artikel 10, tweede lid Wmcz.

Hiermee is niet voldaan aan de voorwaarde als genoemd onder I.

3.64.

De kosten van De Biezenrijt c.s. voor het voeren van het rechtsgeding in eerste aanleg komen derhalve in beginsel niet voor vergoeding door de stichting in aanmerking.

3.65.

Door de stichting is op zich geen grief aangevoerd tegen het oordeel van de kantonrechter dat het verzoek om een bevel tot vergoeding van kosten te geven ontvankelijk is, nu de kantonrechter oordeelde - anders dan door de stichting in eerste aanleg bepleit - dat wel sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 2 Wmcz. De stichting heeft er enerzijds bewust vanaf gezien ter zake een grief te formuleren (verweerschrift in hoger beroep, onderdeel 2.19) maar anderzijds desgevraagd (op de mondelinge behandeling van 18 februari 2015) haar verweer niet opgegeven. Evenmin heeft de stichting een grief aangevoerd tegen de hoogte als zodanig van het door de kantonrechter toegekende bedrag ad € 17.500,--. De stichting acht dit bedrag op zich een alleszins redelijke vergoeding voor de opgevoerde werkzaamheden (verweerschrift in hoger beroep onderdeel 4.10, p. 25).
Nu de stichting wel incidenteel heeft geappelleerd tegen de toewijzing van enig bedrag aan De Biezenrijt c.s., en grief 2 in het principaal appel van De Biezenrijt c.s. is geslaagd, is het hof van oordeel dat de devolutieve werking van het appel toch met zich brengt dat thans eerst de toewijsbaarheid van het verzoek tot afgifte van een bevel tot vergoeding van kosten in eerste aanleg moet worden bezien, dit conform het door de stichting in eerste aanleg (onderdeel 6.1. van het verweerschrift in eerste aanleg) gevoerde verweer.

3.66.

Hetgeen hiervoor is overwogen in overwegingen 3.63. en 3.64 leidt ertoe dat het in eerste aanleg gevoerde verweer van de stichting slaagt, het vonnis van de kantonrechter ook op dit punt zal worden vernietigd en het verzoek van De Biezenrijt c.s ten aanzien van de kosten van de eerste aanleg alsnog zal worden afgewezen.

3.67.

Het hof komt hiermee niet (meer) toe aan een beoordeling van de grief van de stichting in incidenteel appel ter zake het oordeel van de kantonrechter over de redelijkheid van het feit als zodanig dat überhaupt kosten voor juridische bijstand in eerste aanleg zijn gemaakt (de eerste redelijkheidstoets).

De kosten van De Biezenrijt c.s. voor het voeren van het rechtsgeding in hoger beroep

3.68.

Nu, zoals hiervoor is overwogen, De Biezenrijt c.s. in hun verzoek ex artikel 10, tweede lid juncto artikel 2 Wmcz in hoger beroep (in de nieuwe situatie) kunnen worden ontvangen, is voldaan aan voorwaarde I. dat sprake moet zijn van een rechtsgeding als bedoeld in artikel 10, tweede lid Wmcz.

3.69.

Ook aan de voorwaarde als genoemd onder II dat de zorgaanbieder vooraf van de te maken kosten in kennis moet worden gesteld, is in dit geval voldaan:

i. op 27 februari 2014 heeft mr. De Mol de Raad van Bestuur van de stichting schriftelijk meegedeeld:

- dat De Biezenrijt c.s. hem om juridische bijstand hebben verzocht;

- dat de kosten die door mr. De Mol gemaakt zullen gaan worden bij de stichting in rekening zullen worden gebracht; en

- dat het uurtarief van mr. De Mol € 375,-- bedraagt (exclusief 6% kantoorkosten, BTW en eventuele verschotten);

ii. bij brief d.d. 21 maart 2014 zijn de kosten van het voeren van een juridische procedure door mr. De Mol voorlopig geschat op € 15.000,--;

iii. bij brief d.d. 2 april 2014 handhaaft mr. De Mol vooralsnog zijn voorlopige kosteninschatting uit zijn brief d.d. 21 maart 2014;

iv. op 30 april 2014 verstuurt mr. De Mol de eerste declaratie aan de stichting, met bijbehorende specificatie;

v. op 23 mei 2014 en op 6 juni 2014 volgen betalingsherinneringen;

vi. op 25 juni 2014 ontvangt de stichting een nieuwe declaratie met bijbehorende specificatie;

vii. een inschatting van de kosten van de hoger beroepsprocedure is op 6 augustus 2014 door mr. De Mol aan mr. Houwen gezonden.

3.70.

Ten aanzien van de redelijkheid van het feit als zodanig dat kosten voor juridische bijstand zijn gemaakt (de eerste redelijkheidstoets), overweegt het hof als volgt.

3.71.

De stelling van de stichting dat De Biezenrijt c.s. van begin af aan de confrontatie met de stichting zijn aangegaan en op een juridische procedure hebben aangestuurd, is door De Biezenrijt c.s. gemotiveerd weersproken.
Naar het oordeel van het hof laat de als productie 10 bij het inleidende verzoekschrift overgelegde correspondentie zien dat beide partijen vanaf den beginne principieel waren in hun respectieve benadering en dat van de zijde van de stichting aanvankelijk – naar thans moet worden vastgesteld – onnodig veel tijd is besteed aan het betwisten van de legitimiteit van de ondernomen stappen door De Biezenrijt c.s., hetgeen niet zal hebben bijdragen aan de mogelijkheid van nader overleg.

3.72.

Dat sprake zou zijn van misbruik van procesrecht aan de zijde van De Biezenrijt c.s. c.q. De Biezenrijt c.s. het hoger beroep primair zouden hebben ingesteld om alsnog een bevel tot integrale vergoeding van de declaraties van hun raadsman te verkrijgen, is voorts niet aannemelijk geworden.

3.73.

Duidelijk is naar het oordeel van het hof dat een strikt juridisch punt partijen verdeeld houdt: wat is een instelling in de zin van de Wmcz? En in het verlengde daarvan: Op welk niveau binnen de stichting moeten cliëntenraden worden ingesteld? Partijen hebben beide een andere visie daarover en houden daar beide aan vast. Het betreft voor beiden
een principiële kwestie, ter zake waarvan de wetgever uitdrukkelijk de mogelijkheid van een
procedure bij de rechter heeft opengesteld in artikel 10 lid 2 Wmcz. Het is dan aan de meest gerede partij, in dit geval De Biezenrijt c.s., om daarover een juridische procedure aanhangig te maken en deze zo nodig in hoger beroep te vervolgen.

3.74.

Gezien het belang en de aard van het onderwerp (het instellingsbegrip in de Wmcz en in het verlengde daarvan de vraag of op lokaal niveau een cliënten(vertegenwoordigers) raad moet worden ingesteld) waarover het oordeel van het hof is ingeroepen, is het hof van oordeel dat de gemaakte kosten van rechtsbijstand redelijkerwijze noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van De Biezenrijt c.s.

3.75.

Het enkele feit dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de procedure ex artikel 10 lid 2 Wmcz naar de inschatting van de minister verplichtingen zal betreffen die “zodanig concreet [zijn] dat nauwelijks verschil van mening zal kunnen bestaan of de zorgaanbieder deze heeft nageleefd”( Kamerstukken II 1992/93, 23041, MvT nr. 3, p. 16), rechtvaardigt naar het oordeel van het hof niet de conclusie dat een verzoek op grond van artikel 10 lid 2 Wmcz alléén dan kan worden ingediend – en de kosten daarvan dus alléén dan voor vergoeding door de zorgaanbieder in aanmerking kunnen komen – indien vrij evident is dat de zorgaanbieder in strijd met de op hem rustende verplichtingen op grond van (één van de in artikel 10 lid 2 Wmcz genoemde artikelen uit) de Wmcz heeft gehandeld, zoals de stichting betoogt. Hetgeen in het geciteerde – en door de stichting aangehaalde – deel van de Memorie van Toelichting wordt opgemerkt omtrent de aard van de verplichtingen waarvan de vermeende schending aan de kantonrechter ter beoordeling kan worden voorgelegd, heeft betrekking op de bevoegdheidsverdeling tussen de kantonrechter en de LCvV, vormt een toelichting op de gemaakte keuze voor deze verdeling en bevat tevens een vormvereiste met betrekking tot de vereiste sommatie van de zorgaanbieder vooraf, hetgeen ziet op de kwestie van de toewijsbaarheid van het verzoek.

3.76.

Het beroep als door de stichting gedaan op de brief van de minister van 22 januari 2015, in de zin dat de minister zou opmerken dat voorkomen moet worden dat cliëntenraden “‘lichtzinnig’ gebruik maken van de hun toekomende rechtsmiddelen en dat verder onderzoek naar een dergelijk gebruik geboden is om tot een evenwichtige regeling van de proceskosten te komen”, leidt niet tot een ander oordeel. Allereerst kan een door de stichting aldus naar voren gebracht enkel voornemen van de minister geen afbreuk doen aan de thans in de wet toegekende rechten aan De Biezenrijt c.s.. Voorts moet echter worden geconstateerd dat, zoals blijkt uit het in onderdeel 3.45.8. geciteerde deel (blz. 9) van de betreffende brief, de minister zich niet uitlaat zoals de stichting stelt. De opmerking van de minister ziet op een verruiming van het enquêterecht voor cliëntvertegenwoordigende organen. In dat verband merkt de minister op dat de kosten van een enquêteverzoek omvangrijk kunnen zijn, dat deze in de regel worden gedragen door de zorgaanbieder, dat zij het belangrijk vindt dat cliënten met goede argumenten gebruik moeten kunnen maken van dit recht zonder na afloop met een hoge rekening te worden geconfronteerd en dat daar tegenover staat dat zij wil voorkomen dat er lichtzinnig van dit recht gebruik wordt gemaakt. Het is evident dat de minister het daarbij heeft over het voorgenomen verruimde enquêterecht en niet over de thans reeds aan cliëntenraden toekomende mogelijkheden of rechtsmiddelen.
In ieder geval is het hof in het onderhavige geval (nog) niet gebleken van het lichtzinnig gemaakt zijn van kosten in hoger beroep.

3.77.

Evenmin vermag het hof in te zien dat in zijn algemeenheid als vereiste voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand zou hebben te gelden dat de rechtsbijstand “redelijkerwijs noodzakelijk [is] geweest om tot herstel van de medezeggenschapsverhoudingen te komen”, zoals de stichting onder verwijzing naar het arrest van de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam van 29 april 2010; ECLI:NL:GHAMS:2010: BM3172, JOR 2010/187 heeft betoogd. Het feit dat in laatstgenoemde zaak dit oordeel is geveld, mede gezien de in dat geval aan de orde zijnde Convenant centrale cliëntenraad, betekent niet dat dit als algemene eis geldt. Nu overigens is komen vast te staan dat de stichting artikel 2 Wmcz sinds 1 januari 2015 niet op juiste wijze uitvoert is in hoger beroep wel degelijk sprake van rechtsbijstand die redelijkerwijs noodzakelijk is geweest om tot herstel van medezeggenschapsverhoudingen te komen. Dit omdat onder ‘herstel’ in dit geval ook te begrijpen valt het alsnog in de nieuwe structuur bewerkstelligen van medezeggenschap op het door de wetgever gewenste niveau.

3.78.

De kosten van De Biezenrijt c.s. voor het voeren van het rechtsgeding in hoger beroep dienen dan ook in redelijkheid voor vergoeding door de stichting in aanmerking te komen, te meer nu in ieder geval het op artikel 2 Wmcz gebaseerde verzoek voor toewijzing in aanmerking komt.

3.79.

De vraag van De Biezenrijt c.s. of de stichting is gehouden de kosten van deze procedure voor haar rekening te nemen, dient daarmee in beginsel en in algemene zin bevestigend te worden beantwoord.

3.80.

Naast de redelijkheid van het feit als zodanig dat kosten voor juridische bijstand zijn gemaakt betwist de stichting ook de redelijkheid van de hoogte van de gemaakte kosten.

3.81.

Of de hoogte van de gemaakte kosten redelijk is (de tweede redelijkheidstoets) zal vervolgens in hetzij een aparte procedure tussen de raadsman van De Biezenrijt c.s. zelf en de stichting moeten worden vastgesteld, dan wel in deze procedure moeten worden vastgesteld.

3.82.1.

Grief 3 die is gericht tegen het door de kantonrechter matigen van de aan de raadsman van De Biezenrijt c.s. toekomende vergoeding tot € 17.500,--, faalt reeds omdat blijkens het voorgaande aan De Biezenrijt c.s. voor de procedure in eerste aanleg in het geheel geen vergoeding van kosten van rechtsbijstand toekomt. Voor zover in het kader van deze grief nog een beroep is gedaan op de regeling als opgenomen in artikelen 32-40 Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken, geldt dat – zoals tijdens de mondelinge behandeling al besproken en door de stichting in haar pleitnota (onderdeel 3.10) opgemerkt – deze wet per 1 januari 2015 is komen te vervallen.

3.82.2

Als overgangsrecht geldt blijkens Staatsblad 2014, 354 en 429 vanaf 1 januari 2015 de volgende regeling als opgenomen in artikel IV:

“De artikelen 29 tot en met 40 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken en artikel 38, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand, zoals deze luidden vóór de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op geschillen over het door de advocaat aan de cliënt berekende salaris, in gevallen waarin de rekening van de advocaat is begroot door de raad van toezicht vóór het tijdstip waarop deze wet in werking treedt.”

3.82.3.

Nu in de onderhavige zaak nog geen begroting door de raad van toezicht heeft plaatsgevonden is de WTBZ niet (langer) van toepassing. De civiele rechter (en daarmee ook het hof) is bevoegd over de omvang van de kosten een oordeel te geven.

3.82.4.

Het hof zal beide partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de vraag of zij in een aparte procedure (bijvoorbeeld op de voet van artikel 27 van de Verordening op de Advocatuur arbitrage) de kosten willen laten vaststellen dan wel in de onderhavige procedure een dergelijke vaststelling wensen. Indien partijen (of één van hen) het laatste wensen dan zal het hof alsnog nadere instructies geven ter zake de alsdan door ieder der partijen te verstrekken informatie en over te leggen stukken, waaronder in ieder geval de door de raadsman van De Biezenrijt c.s. aan de stichting toegestuurde declaraties.

3.82.5.

In afwachting van deze uitlatingen zal het hof iedere beslissing als bedoeld in artikel 2 lid 5 Wmcz aanhouden.

3.83.

De bijzondere aard van de procedure, in het bijzonder de regeling van artikel 2 lid 5 Wmcz, brengt met zich dat een proceskostenveroordeling noch in eerste aanleg noch in hoger beroep in de rede ligt.

Overigens zou indien een proceskostenveroordeling wel zou passen bij deze bijzondere procedure compensatie van kosten in de omstandigheden van het geval en de uiteindelijke uitkomst van het hoger beroep in principaal en incidenteel appel, waarbij ieder der partijen gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, in beide instanties in de rede liggen.

3.84.

Gegeven het bovenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep ter wille van de overzichtelijkheid geheel vernietigen, en opnieuw rechtdoende de stichting bevelen artikel 2 Wmcz na te leven zoals hierna op te nemen, De Biezenrijt c.s. (wederom) niet ontvankelijk verklaren in hun verzoek de stichting te bevelen artikel 5 Wmcz na te leven, het verzoek van De Biezenrijt c.s. de declaraties van de raadsman van De Biezenrijt c.s. ter zake de procedure in eerste aanleg te voldoen afwijzen, en voor het overige iedere beslissing aanhouden. Het hof zal tevens haar beslissing conform het verzoek van De Biezenrijt c.s. uitvoerbaar bij voorraad verklaren voor zover dit het af te geven bevel betreft.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

beveelt de stichting [zorg] Zorg artikel 2 Wmcz na te leven, en uit dien hoofde De Biezenrijt c.s. te erkennen in de nieuwe medezeggenschapsstructuur als cliëntenvertegenwoordigersraden en hen alsnog en actief te betrekken bij de medezeggenschap binnen de stichting;


verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verklaart De Biezenrijt c.s. niet-ontvankelijk in hun verzoek tot naleving van artikel 5 Wmcz;

wijst het verzoek van De Biezenrijt c.s. tot afgifte van een bevel om de declaraties van hun raadsman te voldoen voor zover betrekking hebbend op de procedure in eerste aanleg af;

stelt partijen in de gelegenheid om binnen veertien dagen na heden per brief als te richten aan het hof met afschrift aan de wederpartij zich ieder voor zich uit te laten als in onderdeel 3.82.4. bedoeld;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R.M de Moor, A.P. Zweers-van Vollenhoven en J.H.Th. Veldman en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2015.