Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1099

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-03-2015
Datum publicatie
30-03-2015
Zaaknummer
F 200.155.973_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:1809
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:3862
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindigende maatregel. Deskundigenonderzoek 810a Rv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 810a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2015/35.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 26 maart 2015

Zaaknummer : F 200.155.973/01

Zaaknummers 1e aanleg : C/03/190473 / FA RK 14-1110

C/03/190474 / FA RK 14-1111

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. K.E.J. Dohmen,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie Eindhoven,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt:

- de heer [de vader] (de vader van de hierna nader te noemen minderjarige [kind 2]);

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna te noemen: de stichting);

- de heer [de pleegouders] (hierna te noemen: de pleegmoeder respectievelijk de pleegvader, tezamen de pleegouders).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 11 juni 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 september 2014, heeft de moeder verzocht voormelde beschikkingen te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat zij belast blijft met het ouderlijk gezag over de hierna nader te noemen minderjarigen [kind 1] en [kind 2].

2.2.

Bij verweerschriften met producties, ingekomen ter griffie op 28 november 2014, heeft de stichting verzocht – naar het hof begrijpt – het hoger beroep van de moeder af te wijzen en voormelde beschikkingen te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 december 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Dohmen;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger raad];

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger stichting 1] (gezinsvoogd) en mevrouw [vertegenwoordiger stichting 2];

- de pleegmoeder.

2.3.1.

De heer [de vader] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van:

  • -

    de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 11 juni 2014;

  • -

    het ter zitting van het hof door de advocaat van de moeder overgelegde stuk, te weten een volledig exemplaar van het rapport van het psychologisch onderzoek door de psychologenpraktijk Swolgen d.d. 1 oktober 2012.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is geboren:

- [kind 1] (hierna: [kind 1]), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats].

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de heer [de vader] is geboren:

- [kind 2] (hierna te noemen: [kind 2]), op [geboortedatum] 2007, te [geboorteplaats].

3.2.

[kind 1] staat sinds 22 maart 2006 onder toezicht van de stichting. [kind 2] staat sinds 5 november 2007 onder toezicht van de stichting. De ondertoezichtstellingen zijn laatstelijk verlengd tot 22 maart 2015.

De kinderen zijn op grond van daartoe strekkende machtigingen sinds 5 november 2007 uit huis geplaatst. Zij verblijven sinds 19 november 2007 in het huidige, perspectief biedende pleeggezin.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikkingen heeft de rechtbank de moeder ontheven van het gezag over de kinderen.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in haar beroepschrift – zoals aangevuld ter zitting – het volgende aan.

De moeder heeft regelmatig een goed contact met de kinderen en de kinderen ontwikkelen zich goed. De moeder betwist dat zij ongeschikt of onmachtig is om de plicht tot verzorging en opvoeding van de kinderen te vervullen. De moeder ervaart veel steun van Proteion (die haar ondersteunt bij het aanbrengen van structuur in haar leven), haar partner [partner] en de Bijbelgemeenschap. Volgens de moeder verzet het belang van de kinderen zich tegen de ontheffing. [kind 1] heeft volgens de moeder de vurige wens om bij de moeder te wonen, waar een rechterlijk oordeel geen verandering in zal brengen. De stelling dat [kind 1] gedurende een heel weekend en tijdens de vakanties erin slaagt om sociaal wenselijk gedrag te vertonen, kan de moeder niet volgen. De veronderstelling dat, zodra de moeder wat meer eisen aan [kind 1] stelt, er zeker sprake zal zijn van opvoedproblemen, ontbeert iedere deskundige onderbouwing.

Het is volgens de moeder voorts onvoldoende gebleken dat de ingezette maatregelen thans niet meer voldoende zouden zijn om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen af te wenden. Het enkele feit dat er onvoldoende perspectief op terugplaatsing zou zijn, is volgens de moeder onvoldoende om een noodzaak tot ontheffing aan te nemen. De moeder werkt in meer dan voldoende mate mee aan de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Dat bij [kind 1] mogelijk verwarring is ontstaan over de vraag of zij ooit nog bij de moeder mag wonen, is geen rechtvaardiging voor een ontheffing. De kinderen werden volgens de moeder bewust niet inhoudelijk op de hoogte gesteld van de (strekking van) de eerdere beslissingen. De onduidelijkheid is juist in stand gebleven doordat het perspectief van de kinderen niet concreet werd onderzocht.

De moeder doet een beroep op het bepaalde in artikel 810a Rv en verzoekt een nader deskundigenonderzoek te gelasten. De moeder stelt dat het raadsrapport d.d. 17 april 2014 de beslissing tot ontheffing van de moeder in het geheel niet kan dragen. De moeder verwijst naar de vele tegenstellingen in het rapport en de verschillen van inzicht van de verschillende deskundigen. De rechtbank heeft in haar beschikking van 1 maart 2011 reeds uitdrukkelijk overwogen dat een onafhankelijk onderzoek diende plaats te vinden naar de mogelijkheden of onmogelijkheden van terugplaatsing van de kinderen bij de moeder. De moeder verwijst in dit kader naar de rapportage van het psychologisch onderzoek van psychologenpraktijk Swolgen d.d. 1 oktober 2012 waarin wordt geadviseerd het contact met de kinderen langzaam uit te breiden en daarna te evalueren wat de moeder verder nodig heeft aan hulp. Als die fasen goed waren doorlopen, hadden verdere contacten uitgebouwd kunnen worden.

Van het rapport van “Proteion” dat de stichting heeft ingebracht in de procedure ter zake de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, maar waarvan de meervoudige kamer in de ontheffingszaak eveneens kennis heeft genomen, heeft de moeder nimmer een exemplaar ontvangen.

De moeder stelt dat de stichting naar mogelijkheden heeft gezocht om [kind 2] bij de vader te plaatsen. Het door Rubicon geplande onderzoek naar een plaatsing in het netwerk van de moeder is echter nimmer uitgevoerd.

3.6.

De stichting voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – aan dat gedurende de uithuisplaatsing van [kind 1] van maart 2006 tot december 2006, in een intensief hulpverlenings- en begeleidingstraject is onderzocht of een thuisplaatsing haalbaar was. In november 2007 werden de kinderen met verwaarlozingsverschijnselen en kenmerken van parentificatie wederom uithuisgeplaatst. Om de kinderen duidelijkheid en stabiliteit te bieden, heeft de stichting ingezet op het meer zicht krijgen op de persoonlijkheid en de vaardigheden van de moeder. Geconcludeerd werd dat, ondanks de intensieve begeleiding, thuisplaatsing niet meer in het belang van de kinderen was.

Volgens “Proteion”, die al voor het ongeval van de moeder bij het gezin betrokken was, heeft de groei en de leerbaarheid van de moeder al twee jaar zijn top bereikt.

In een gesprek op 18 september 2014 hebben beide kinderen aangegeven dat zij in het pleeggezin willen blijven wonen. De veronderstelling van de stichting is dat met de uitleg van de voogdijmaatregel de kinderen meer rust en duidelijkheid hebben gekregen over hun toekomstperspectief.

De kinderen zijn veilig gehecht in het pleeggezin, met behoud van een positief moederbeeld, waardoor de kinderen zich maximaal hebben kunnen ontwikkelen. Ondanks de voogdijmaatregel, zal de moeder betrokken blijven op haar kinderen. De omgang tussen de moeder en de kinderen is in de afgelopen twee jaar uitgebreid en heeft het karakter gekregen van het onderhouden en versterken van de familiebanden.

Hoewel de kinderrechter in maart 2011 heeft bepaald dat een onafhankelijk onderzoek moest worden gedaan naar de mogelijkheden van een thuisplaatsing, had de stichting op basis van de toen aanwezige informatiebronnen, in combinatie met de kindfactoren (het onrustige gedrag van [kind 1] op dat moment), voldoende om aan te nemen dat een onderzoek naar een eventuele thuisplaatsing geen toegevoegde waarde had en te veel onrust en onduidelijkheid zou meebrengen voor de kinderen.

3.7.

De raad heeft ter zitting aangevoerd dat de moeder weliswaar zegt dat de situatie nooit goed is onderzocht, maar dat niet uit het oog mag worden verloren dat de kinderen al lang onder toezicht staan en uithuisgeplaatst zijn. De verschillende hulpverleners die al lang in het gezin komen, zeggen dat het maximaal haalbare in deze situatie is bereikt. De structuur in het gezin van de moeder moet van buitenaf worden aangereikt. De moeder slaagt er in matige tot redelijke mate in om voor zichzelf te zorgen. De raad denkt niet dat de moeder het aan zou kunnen als er nog meer van haar wordt gevraagd, waarbij de raad in acht neemt dat een van de kinderen kindeigen problematiek heeft. Het rapport van “Proteion” maakt ook melding van een mogelijke persoonlijkheidsstoornis bij de moeder. De raad ziet de meerwaarde niet van een nader onderzoek.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Het hof is van oordeel dat het verzoek van de moeder ex artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, toegewezen dient te worden.

Het hof acht een onderzoek door een onafhankelijke deskundige aangewezen en overweegt ter zake dat het verzoek van de moeder daartoe voldoende concreet is en mede tot de beslissing van het hof kan leiden. Voorts is het hof van oordeel dat het belang van de kinderen zich niet tegen een onderzoek verzet. Het hof overweegt in dit kader dat met name [kind 1] herhaaldelijk en uitdrukkelijk de wens heeft geuit om weer bij de moeder te gaan wonen. Het hof acht aannemelijk dat het nadere onderzoek, wat de uitkomst daarvan ook zal zijn, duidelijkheid kan verschaffen over de capaciteiten van de moeder en haar mogelijkheden en onmogelijkheden om de zorg voor de kinderen eventueel weer op zich te nemen.

3.8.2.

Het hof is voornemens het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (NIFP) opdracht te geven een deskundige voor te dragen.

Vervolgens heeft het hof het voornemen aan de deskundige onderzoeksvragen zoals hierna vermeld voor te leggen en hij/zij zal worden verzocht – mede door middel van een interactie-onderzoek – onderzoek te verrichten en hieromtrent het hof te rapporteren en te adviseren.

Hierbij merkt het hof op dat, hoewel alleen het verzoek tot ontheffing thans aan het hof voorligt, het hof in dit kader niet alleen de mogelijkheden en onmogelijkheden van de moeder in de huidige situatie, maar eveneens de mogelijkheden en onmogelijkheden van een eventuele thuisplaatsing van de kinderen wenst te laten onderzoeken, ten einde een verantwoorde beslissing te kunnen nemen.

3.8.3.

De onderzoeksvragen luiden (derhalve) als volgt:

  • -

    hoe kunnen de ontwikkeling en het huidige functioneren van de kinderen worden beschreven aan de hand van de volgende gebieden: cognitieve ontwikkeling, sociaal-emotionele ontwikkeling en gehechtheidsontwikkeling?

  • -

    indien er sprake is van een verstoorde ontwikkeling op één of meer ontwikkelingsgebieden, wat kan hiervan de oorzaak zijn en in hoeverre vragen de kinderen als gevolg daarvan meer dan gemiddelde pedagogische vaardigheden van hun opvoeders?

  • -

    wat zijn de pedagogische en affectieve mogelijkheden en beperkingen van de moeder tot de kinderen, met name wat betreft haar opvoedingsstijl, haar inzicht in eigen pedagogische en affectieve mogelijkheden en beperkingen en haar relatie tot en de interactie met de kinderen?

  • -

    zijn er indicaties voor nader persoonlijkheids- en/of psychiatrisch onderzoek van de moeder?

  • -

    zijn er indicaties voor specifieke hulpverlening voor de moeder en zo ja, in welke vorm en waar dient deze zich dan op te richten?

  • -

    wat zijn de (contra)indicaties voor een thuisplaatsing bij de moeder?

Indien een thuisplaatsing (op korte of lange termijn) wordt geadviseerd:

  • -

    hoe kan de thuisplaatsing vormgegeven worden, zodanig dat dit de ontwikkeling van de kinderen ten goede komt?

  • -

    is hierbij professionele begeleiding nodig en zo ja, aan welke begeleiding wordt gedacht?

  • -

    heeft de partner van de moeder invloed op de opvoedingssituatie bij de moeder? Zo ja, welke invloed?

Indien thuisplaatsing niet wordt geadviseerd:

  • -

    indien het hof op basis van de beantwoording van bovenstaande onderzoeksvragen tot het oordeel komt dat de moeder ongeschikt of onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van de kinderen te vervullen, welke gevolgen zou dit dan hebben voor (de ontwikkeling van) de kinderen?

  • -

    welke gevolgen zou een ontheffing van de moeder van het gezag over de kinderen, dan wel de afwijzing van het verzoek van de stichting tot ontheffing, hebben voor (de ontwikkeling van) de kinderen?

Algemeen:

- in hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren, die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar die wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van de kinderen en/of bij eventueel te nemen beslissingen?

3.8.4.

De deskundige dient haar/zijn werkzaamheden te verrichten conform de voor haar/hem geldende gedrags- en beroepsregels.

3.8.5.

De kosten van de deskundige zullen ten laste worden gebracht van het Rijk.

De deskundige dient zijn/haar werkzaamheden te begroten en uit te voeren conform:

  • -

    het Besluit van 1 september 1995, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 810a Rv;

  • -

    het Besluit van 26 oktober 2010, houdende vaststelling van de griffierechten en de bedragen, bedoeld in de artikelen 21, tweede lid, respectievelijk 26 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken, alsmede het tarief en de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 597 respectievelijk 838 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en tot intrekking van het Besluit tarieven in burgerlijke zaken (Besluit griffierechten burgerlijke zaken), en:

  • -

    het Besluit van 16 augustus 2003, houdende vaststelling van tarieven voor vergoedingen als bedoeld in de artikelen 3, 4, 6, 7, 17 en 18 van de Wet tarieven in strafzaken (Besluit tarieven in strafzaken 2003).

Deze besluiten komen er op neer dat conform het daartoe vastgestelde uurtarief en binnen een maximum aan vastgestelde uren dient te worden gewerkt.

3.8.6.

De moeder en de belanghebbenden hebben ter zitting van het hof reeds te kennen gegeven de benoeming van de deskundige en het formuleren van de onderzoeksvragen aan het hof te willen overlaten. Zij zullen derhalve niet meer in de gelegenheid worden gesteld zich daarover uit te laten.

3.8.7.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

verzoekt het NIFP zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 23 april 2015, een deskundige voor te dragen;

houdt iedere verdere beslissing aan tot pro forma 30 april 2014.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, M.C. Bijleveld-van der Slikke en M.L.F.J. Schyns en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2015.