Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1086

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-03-2015
Datum publicatie
27-03-2015
Zaaknummer
13-00800 en 13-00801
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:3860, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:286, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 13bis Wet LB 1964; artikel 8 EVRM

Gebruik van foto’s van KLPD-camera’s boven snelwegen voor controle privégebruik van zakelijke auto’s vormt geen ongeoorloofde inbreuk op het recht op privacy.

Belanghebbende stelt minder dan 500 kilometer privé te rijden met de auto van zijn werkgever. De inspecteur heeft de rittenadministratie gecontroleerd, mede aan de hand van foto’s van de camera’s van de KLPD boven de snelwegen en concludeert daaruit dat de rittenadministratie niet volledig is en dat belanghebbende niet heeft aangetoond dat hij minder dan 500 kilometer privé heeft gereden.

Het Hof is van oordeel dat door het gebruik door de Belastingdienst van deze foto’s in beginsel wel een inmenging van het privé leven plaatsvindt, maar dat hier sprake is van een geoorloofde inbreuk op het recht op privacy. Deze inbreuk is bij wet geregeld en is noodzakelijk in het belang van het economische welzijn van het land. Het Hof is voorts van oordeel dat het niet belasten van privégebruik van de auto wegens gering privégebruik een substantiële verlichting van de belastingdruk voor belanghebbende betekent. Controle daarop is gerechtvaardigd en gelet op het grote aantal gevallen past het om deze controle zo efficiënt mogelijk in te richten. Informatievergaring op basis van de ANPR-technologie is proportioneel bezien in het licht van het doel, te weten, de richtige belastingheffing. Andere wijzen van controle zouden evenzeer een forse inbreuk op de privacy inhouden en meer belastend zijn voor burgers. De verwerkte camera-gegevens worden aan de hand van een aantal fiscale controledoelen geselecteerd. De niet-relevante gegevens worden direct vernietigd. De bewaringstermijn van zeven jaar voor de wel relevante gegevens levert niet een strijdigheid met artikel 8 EVRM op.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 13bis
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/669
Module Privacy en persoonsgegevens 2016/1111
FutD 2015-0775 met annotatie van Fiscaal up to Date
JBP 2015/69
NTFR 2015/1217 met annotatie van mr. J.D. Schouten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 13/00800 en 13/00801

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats 1],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 29 mei 2013, in de beroepen met kenmerken AWB 12/6749 en AWB 12/6750, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Landelijk Coördinatiecentrum Auto te Doetinchem,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslagen alsmede de daarbij bij beschikking vastgestelde boetes en de beschikkingen heffingsrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Het geding betreft de aan belanghebbende over 2010 en 2011 opgelegde naheffingsaanslagen in de loonbelasting en premie volksverzekeringen en zorgverzekeringswet (hierna: LB) onder nummers [aanslagnummer 1] (hierna: de naheffingsaanslag 2010) respectievelijk [aanslagnummer 2] (hierna: de naheffingsaanslag 2011) ten bedrage van respectievelijk € 4.112 en € 4.088. Tegelijkertijd, in één geschrift verenigd met de naheffingsaanslagen is bij beschikking over elk jaar een verzuimboete opgelegd van € 4.112 respectievelijk € 2.779. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht van € 160 respectievelijk € 49. De naheffingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 42 in de zaak met kenmerk 12/6749. In de zaak met kenmerk 12/6750 heeft de Rechtbank geen griffierecht geheven. De Rechtbank heeft de beroepen in één uitspraak ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 118 in de zaak met kenmerk 13/00800. In de zaak met kenmerk 13/00801 heeft het Hof geen griffierecht geheven. De Inspecteur heeft voor beide hoger beroepen één verweerschrift met een bijlage ingediend. Gelijktijdig met het verweerschrift heeft de Inspecteur een gesloten envelop, met stukken voor de geheimhoudingskamer van het Hof, overgelegd. In de begeleidende brief heeft de Inspecteur zich, gelet op het belang van de privacy van de ondertekenaars van het desbetreffende convenant, onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), op het standpunt gesteld dat alleen het Hof van de ondertekende versie van bedoeld convenant kennis zal mogen nemen. Daarbij merkt de Inspecteur op dat het convenant in ongetekende vorm reeds in het bezit is van belanghebbende.

1.4.

Bij brief van het Hof van 3 december 2013 is een afschrift van het verweerschrift aan de (hierna te noemen) gemachtigde van belanghebbende gezonden, inclusief de onder 1.3 vermelde bijlage. Het Hof heeft partijen, eveneens bij brief van 3 december 2013, ervan op de hoogte gesteld dat het Hof het dossier in handen heeft gesteld van de geheimhoudingskamer om een beslissing te nemen op het door de Inspecteur gedane beroep op het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb.

1.5.

De vijfde enkelvoudige belastingkamer van het Hof, optredende als “geheimhoudingskamer”, heeft op 3 april 2014 uitspraak gedaan in de onder 1.4 bedoelde procedures en daarbij beslist dat de door de Inspecteur aangevoerde redenen geen gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb zijn en de Inspecteur verzocht om binnen de in de uitspraak beschreven termijn het desbetreffende convenant alsnog in ongeschoonde vorm over te leggen. Bij brief van 16 april 2014 heeft de Inspecteur gevolg gegeven aan de uitspraak van de geheimhoudingskamer en heeft hij het convenant alsnog in ongeschoonde vorm overgelegd. Vervolgens heeft de geheimhoudingskamer de zaken verwezen naar de Kamer die de hoofdzaken behandelt en de procesdossiers in handen gesteld van die Kamer.

1.6.

De (hierna te noemen) gemachtigde van belanghebbende heeft ter nadere onderbouwing van het hoger beroep bij brief van 10 april 2014 nog een nader stuk ingezonden, te weten een afschrift van het “Perscommuniqué nr. 54/14 van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 april 2014 inzake het daarin genoemde Arrest in de gevoegde zaken C-293/12 en C-594/12 Digital Rights Ireland en Seitlinger e.a”. Voorafgaande aan de zitting heeft bedoelde gemachtigde bij brief van 17 oktober 2014 aan het Hof bericht dat het standpunt van belanghebbende reeds uitvoerig is uiteengezet en onderbouwd, dat daarop door belanghebbende niets is aan te vullen en dat (namens) belanghebbende niemand ter zitting zal verschijnen. Bij brieven van 22 oktober 2014 respectievelijk 5 november 2014, telkens met bijlagen, heeft belanghebbende op grond van artikel 8:58 van de Awb vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken alsmede het hiervoor vermelde Perscommuniqué zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7.

De Inspecteur heeft voor de zitting een pleitnota (met een bijlage) toegezonden aan het Hof en door tussenkomst van de griffier aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van de Inspecteur wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 november 2014 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, de heer [A], werkzaam bij de Belastingdienst/Landelijk Coördinatiecentrum Auto te Doetinchem, de heer [B], procesdeskundige, werkzaam bij de Belastingdienst/Grote ondernemingen en de heer [E], werkzaam bij de Belastingdienst/Centrale Administratie, afdeling Inning en Verstrekking Gegevens.

De gemachtigde van belanghebbenden, de heer [F] te [plaats 2], heeft het Hof schriftelijk bericht dat er namens belanghebbende niemand ter zitting zal verschijnen.

1.9.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.10.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt.

2.1.

Belanghebbende is van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 in dienstbetrekking geweest bij [bedrijf] BV te [plaats 3] (hierna: de werkgever). Aan belanghebbende zijn door zijn werkgever in dat jaar de volgende auto’s ter beschikking gesteld: gedurende de periode 1 januari 2010 tot en met 21 augustus 2011 en van 26 augustus 2011 tot en met 31 december 2011 een Volvo V70 met het kenteken [kenteken 1] en gedurende de periode 22 augustus 2011 tot en met 25 augustus 2011 een Renault Mégane met kenteken [kenteken 2].

2.2.

Belanghebbende beschikte voor zowel 2010 als 2011 over een Verklaring geen privé-gebruik auto (hierna: de Verklaring).

2.3.

Belanghebbende heeft op verzoek van de Inspecteur rittenregistraties en aanvullende informatie overgelegd over de periodes 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 en 1 januari 2011 tot en met 6 september 2011.

2.4.

De Inspecteur heeft de rittenadministratie vergeleken met (foto)camerabeelden afkomstig van het Korps landelijke politiediensten (KLPD) met behulp van ANPR-technologie. De Inspecteur heeft aan de hand van de informatie van het KLPD geconstateerd dat de auto met kenteken [kenteken 1] in de onder 2.3 vermelde periode diverse malen is gesignaleerd op de A16 te hoogte van Hazeldonk op dagen waarop belanghebbende volgens zijn rittenadministratie elders of niet heeft gereden in deze auto.

2.5.

De Inspecteur heeft met dagtekening 22 juni 2012 aan belanghebbende de naheffingsaanslag 2010 opgelegd van € 4.112, exclusief heffingsrente ad € 160. Het belastingbedrag betreft de bijtelling van 25% gebaseerd op een jaarsalaris van € 146.459, een cataloguswaarde van de Volvo van € 41.121 en een eigen bijdrage van nihil. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag 2010 is een verzuimboete opgelegd van € 4.112.

2.6.

De Inspecteur heeft met dagtekening 22 juni 2012 aan belanghebbende de naheffingsaanslag 2011 opgelegd van € 4.088, exclusief heffingsrente ad € 49. Het belastingbedrag betreft de bijtelling van 25% gebaseerd op een jaarsalaris van € 125.250, een cataloguswaarde van de Volvo van € 41.121, een cataloguswaarde van de Renault van € 23.680 en een eigen bijdrage van nihil. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag 2011 is een verzuimboete opgelegd van € 2.779. De juistheid van deze naheffingsaanslag is niet meer in geschil.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft, naar het Hof uit de van partijen afkomstige stukken afleidt, in hoger beroep de volgende vragen:

I. heeft de Inspecteur de beslissing op bezwaar voldoende gemotiveerd?;

II. was de Inspecteur bevoegd de onderhavige naheffingsaanslagen op te leggen?;

III. heeft belanghebbende met de door hem overgelegde rittenadministratie overtuigend aangetoond dat minder dan 500 kilometer op kalenderjaarbasis met de auto privé is gereden?;

IV. heeft de Inspecteur door gebruik te maken van de (Automatic Number Plate Recognition) ANPR-gegevens, gehandeld in strijd met de Wet Bescherming Persoonsgegevens (hierna: Wbp), de richtlijnen van het College Bescherming Persoonsgegevens (hierna: het College), artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) dan wel met artikel 441B van het Wetboek van Strafrecht?;

V. zijn de verzuimboetes terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

De cijfermatige berekening van de naheffingsaanslag 2010 en de naheffingsaanslag 2011 is niet in geschil.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen hieraan van de zijde van de Inspecteur ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof hem verstaat, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar, van de naheffingsaanslag 2010 en de naheffingsaanslag 2011 en van de verzuimboetes. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

De uitspraak op bezwaar

4.1.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur op de bezwaarschriften niet dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft beslist. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de (in één geschrift vervatte) uitspraken op bezwaar voldoende gemotiveerd zijn. Het Hof onderschrijft dit oordeel van de Rechtbank. Het Hof voegt hieraan toe dat de uitspraak op bezwaar zes pagina’s omvat waarin de Inspecteur inhoudelijk ingaat op de grieven van belanghebbende. Het enkele feit dat de Inspecteur belanghebbende niet volgt in zijn grieven, betekent niet dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd.

Bevoegdheid

4.2.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur niet bevoegd was tot het opleggen van de naheffingsaanslag 2010 en de naheffingsaanslag 2011. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt.

4.3.

Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2013, nr. 12/02697, ECLI:NL:HR:BZ4198, BNB 2013/185, faalt deze klacht en zijn de naheffingsaanslagen opgelegd door een bevoegde Inspecteur.

Wettelijk kader

4.4.

Artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2010 en 2011) (hierna: Wet LB) bepaalt - voor zover hier van belang - het volgende:

“12. Indien de werknemer een verklaring van de inspecteur overlegt waarin is vastgelegd dat de werknemer aan de inspecteur heeft medegedeeld dat de hem ter beschikking gestelde auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt (verklaring geen privé-gebruik), laat de inhoudingsplichtige inhouding van belasting over het in het eerste lid bedoelde voordeel achterwege. (…).

13. De werknemer kan een verzoek om een verklaring geen privé-gebruik bij de inspecteur indienen. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

(...)

15. In geval van een verklaring geen privé-gebruik kan de inspecteur de werknemer op enig moment verzoeken te doen blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.

16. Indien de verklaring geen privé-gebruik wordt ingetrokken of indien de werknemer niet doet blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt, wordt de verschuldigde belasting, voorzover nodig in afwijking van artikel 20, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, nageheven van de werknemer. (…)”.


Beoordeling privégebruik

4.5

Het Hof sluit zich aan bij het oordeel van de Rechtbank voor het jaar 2010 dat belanghebbende niet het vereiste bewijs heeft geleverd dat hij in dit jaar niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden met de aan hem door de werkgever voor het verrichten van werkzaamheden ter beschikking gestelde personenauto heeft gereden. Belanghebbende heeft geen enkel feitelijk verweer gevoerd tegen de door Inspecteur geconstateerde rit die niet in de rittenadministratie bleek te zijn verantwoord, behoudens dat “er sprake kan zijn van een eenvoudige vergissing in de datum van de enige privé-rit”. Hij heeft geen toelichting gegeven op de mogelijke “vergissing”. Ook anderszins heeft belanghebbende geen bewijs bijgebracht die de stelling schraagt dat hij de ter beschikking gestelde auto’s voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden zou hebben gebruikt. Het Hof volgt derhalve het oordeel van de Rechtbank dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat hij in 2010 de maximale afstand van 500 kilometer voor privé-doeleinden niet heeft overschreden.

Schending privacy

4.6.

Met de stelling dat de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met de Wbp, de richtlijnen van het College, artikel 8 van het EVRM dan wel met artikel 441B van het Wetboek van Strafrecht heeft belanghebbende bedoeld te stellen dat de Inspecteur de hiervoor in 2.4 vermelde informatie op basis van de ANPR-technologie onrechtmatig heeft gebruikt als bewijs en dat dit derhalve buiten beschouwing dient worden gelaten. Het gebruik van de informatie op basis van de ANPR-technologie is volgens belanghebbende onvoldoende omgeven met waarborgen ter bescherming van de fundamentele rechten op eerbiediging van het privéleven en op bescherming van persoonsgegevens tegen ernstige inmengingen zijdens de overheid.

4.7.

Het Hof stelt vast dat het inherent is aan het door belanghebbende indienen van de verklaring geen privégebruik, zoals hiervoor omschreven in 4.4, dat de persoonlijke levenssfeer van belanghebbende wordt geraakt. Door het indienen van de verklaring dient belanghebbende immers een administratie bij te houden van de met de auto voor privédoeleinden verreden kilometers. De wetgever heeft dit vorm gegeven in de in het voormelde artikel 13bis, vijftiende lid, Wet LB, geformuleerde (zware) bewijslast. Desgevraagd door de Inspecteur dient belanghebbende te doen blijken dat hij met de auto minder dan 500 kilometer voor privédoeleinden heeft gereden. Elk tegenbewijs van de Inspecteur voor de door hem gestelde onjuistheid van de overgelegde administratie raakt per definitie de privésfeer van belanghebbende. Het Hof stelt vast dat belanghebbende zelf heeft gekozen voor de fiscale faciliteit door indiening van de verklaring geen privégebruik en daarmee controle over het privédomein toelaat. Hij had, zeker gelet op het nadien gereden aantal kilometers met de auto voor privédoeleinden, ook kunnen kiezen voor het niet aanvragen van de verklaring geen privégebruik. Dit alles laat onverlet dat het uitoefenen van controle in voormelde zin een inbreuk vormt op het recht van belanghebbende zich met de auto vrijelijk te bewegen waarheen hij wenst. Het vormt daarmee een inmenging van het openbaar gezag in privé leven van belanghebbende.

4.8.

Kort gezegd komt de werkwijze van de Belastingdienst in deze neer op het volgende. De Belastingdienst maakt medegebruik van ANPR-camera’s van de politie; deze staan opgesteld op een aantal doorgaande wegen. Naar de Inspecteur ter zitting mededeelde, werden de foto’s vanaf 2010 tot 1 september 2014, zonder enige bewerking door de politie, per week doorgezonden. Vanaf 1 september 2014 zijn de foto’s zonder enige tussenkomst van de politie “real-time” doorgezonden naar de Belastingdienst. Deze samenwerking met de politie is neergelegd in het tot de stukken behorende “CONVENANT BELASTINGDIENST-POLITIE INZAKE MEDEGEBRUIK VAN DE ANPR-CAMERA’S VAN DE POLITIE”. De Belastingdienst, aldus de Inspecteur, filtert de gegevens en vernietigt de “no-hits” direct. Van de ontvangen gegevens wordt ongeveer 60% vernietigd en 40% wordt gebruikt voor controle-doeleinden, zoals onder meer het bepalen of er terecht geen bijtelling met betrekking tot het privégebruik van de auto plaatsvindt. De voor controle-doeleinden geselecteerde gegevens worden door de Belastingdienst gedurende 7 jaren bewaard. Er is overleg met het College. De werkwijze van het verzamelen en gebruik van ANPR-informatie is in 2010 gemeld aan het College, conform de Beleidsregel CBP richtsnoeren ANPR van 14 juli 2009, aldus de Inspecteur. Het gebruik van de ANPR-gegevens is gebonden aan strikte regels en de gegevens zijn niet beschikbaar voor derden.

4.9.

Belanghebbende stelt dat het gebruik van de met ANPR-technologie verworven gegevens in strijd is met de Wbp, omdat het gebruik niet noodzakelijk zou zijn. Het Hof verstaat de stelling aldus dat het gebruik niet proportioneel is in relatie tot het doel (de controle van de rittenadministratie). Belanghebbende heeft zijn stelling niet gespecificeerd noch nader onderbouwd, behoudens verwijzing naar een kopie van een persbericht van EenVandaag van 28 oktober 2014. Het Hof wijst de grief af. In het kader van het voorliggende belastinggeschil is toetsing van de voormelde werkwijze van de Inspecteur aan de Wbp niet aan de orde nu dit de bevoegdheid van de belastingrechter te buiten gaat. Bij de behandeling hierna van de door belanghebbende gestelde schending van artikel 8 EVRM zal nader worden ingegaan op het proportionaliteitsvereiste.

4.10.

De Inspecteur heeft de gegevens op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) verkregen. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met genoemd artikel 55 van de AWR faalt de grief. Belanghebbende stelt in dit verband dat het moet gaan om de uitwisseling van bestaande gegevens. Naar het oordeel van het Hof betreffen het hier ook bestaande gegevens. Dat het in het onderhavige geval gaat om door ANPR-camera’s van de politie gegenereerde foto’s die worden doorgegeven, met ingang van 1 september 2014 “real-time”, maakt dit niet anders.

De bewaartermijn van 7 jaren van op grond van de AWR verkregen gegevens vloeit voort uit de wettelijke bevoegdheid een navorderingstermijn van 5 jaren te hanteren. Een algemene bewaartermijn voor de onderhavige gegevens van 7 jaren is niet in alle gevallen noodzakelijk, doch het staat vast dat deze is gebaseerd op een wettelijke grondslag, te weten het uitoefenen van bevoegdheden ten behoeve van heffing en inning van belastingen. Voor zover de bewaartermijn van 7 jaren al als (te) lang kan worden beschouwd, hetgeen belanghebbende stelt, en voor zover niet noodzakelijk voor het nagestreefde doel, doet dat naar ’s-Hofs oordeel aan de rechtmatigheid van het gebruik van de gegevens in de onderhavige situatie niet af. Het is aan de wetgever bepalingen in de AWR en de Wbp te synchroniseren. Het Hof merkt voorts op dat indien belanghebbende binnen het juridische kader van artikel 13bis van de Wet LB wordt geconfronteerd met niet adequate behandeling van de met ANPR-technologie verkregen gegevens, het leerstuk van het nieuwe feit ex artikel 16 van de AWR in voorkomend geval rechtsbescherming zal kunnen bieden. De Inspecteur is voorts op grond van artikel 67 van de AWR gehouden de gegevens verkregen met ANPR-technologie geheim te houden, dat wil zeggen deze gegevens niet verder te verspreiden dan noodzakelijk voor – kort gezegd – richtige belastingheffing en inning van rijksbelastingen en in- en uitvoerrechten. Met het in acht nemen van deze bewaartermijn en de waarborg van artikel 67 van de AWR heeft de Inspecteur jegens belanghebbende onrechtmatig noch in strijd met enig beginsel van goed bestuur gehandeld. Tot slot merkt het Hof op dat toetsing van het gebruik van met ANPR-technologie gegenereerde gegevens aan artikel 441B van het Wetboek van strafrecht niet toekomt aan de belastingrechter, maar in voorkomende geval is voorbehouden aan de strafrechter.

4.11.

Het Hof concludeert dat de Inspecteur voldoende wettelijke grondslag heeft de gegevens op basis van de ANPR-technologie te gebruiken voor controle van het privégebruik van de aan belanghebbende ter beschikking gestelde auto’s.

4.12.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met artikel 8 EVRM. Het Hof heeft reeds geconcludeerd dat het gebruik van gegevens op basis van ANPR-technologie in het onderhavige geval in beginsel een inbreuk vormt op de privacy van belanghebbende. Deze inbreuk ingevolge artikel 8 EVRM is gerechtvaardigd indien deze bij wet is voorzien en noodzakelijk is in het belang van – in dit verband – het economisch welzijn van het land. Gelet op het in 4.11 overwogene, stelt het Hof voorop dat een voldoende wettelijke grondslag aanwezig is voor gebruik van de met ANPR-technologie gegenereerde gegevens ter controle van het privégebruik van de aan belanghebbende ter beschikking gestelde auto’s.

4.13.

De in 4.4 weergegeven wettelijke bepalingen en de indiening van de verklaring van geen privégebruik betekenen een substantiële fiscale verlichting van de belastingdruk voor belanghebbende. Het past binnen een dergelijk systeem dat de Belastingdienst controle uitoefent op nakoming van de voorwaarden waar de faciliteit aan moet voldoen. Gelet op het grootschalige karakter van het verlenen van verklaringen van geen privégebruik, de beperkte mogelijkheden tot controle hiervan en het grote budgettaire belang dat hiermee voor de Staat is gemoeid, ligt het voor de hand om deze controle zo efficiënt mogelijk in te richten. Naar het oordeel van het Hof is de informatievergaring op basis van de ANPR-technologie proportioneel bezien in het licht van het doel, te weten, in het kader van richtige belastingheffing, onder meer het controleren van rittenadministraties. Het alternatief zou zijn dat de Belastingdienst investeert in andere dure technieken en mogelijk een groter beslag aan ambtenaren nodig heeft om andere controlemogelijkheden te exploreren. Het moge duidelijk zijn dat het toepassen van andere controletechnieken en inzet van menskracht evenzovele inbreuken op de privacy van belanghebbende zouden vormen en evenzeer belastend zouden zijn voor de burger. Belanghebbende heeft op geen enkele wijze aangegeven op welke wijze de voormelde controle goedkoper en minder belastend voor hem zou kunnen worden ingericht. Het Hof concludeert dat getoetst aan proportionaliteit noch aan subsidiariteit in relatie tot artikel 8 EVRM, het gebruik van de van de met ANPR-technologie verkregen gegevens in de onderhavige casus verbiedt.

4.14.

Belanghebbende heeft in verband met zijn beroep op schending van artikel 8 EVRM gewezen op het arrest van het HvJEU van 8 april 2014, C-293/12 en C-594/12, waarin de Richtlijn 2006/24EG van het Europees Parlement van 15 maart 2006 ongeldig is verklaard. Deze richtlijn betreft de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbare beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van richtlijn 2002/58/EG. Belanghebbende heeft slechts in zeer algemene termen verwezen naar het voormelde arrest. Het Hof merkt op dat het arrest beperkt is tot het bewaren van gegevens uit elektronische communicatiediensten, derhalve slechts een deelhandeling betreffend, namelijk het bewaren, en bovendien een ander soort gegevens betreft als die onderwerp zijn in het onderhavige geschil. Desalniettemin kunnen aanwijzingen van het HvJEU in het voormelde arrest hun werking hebben in de onderhavige casus.

4.15.

Allereerst merkt het Hof op dat de Belastingdienst de met ANPR-technologie gegenereerde gegevens, direct na binnenkomst, selecteert op basis van een aantal fiscale controledoelen; 60% wordt direct vernietigd en 40% wordt bewaard voor controle-doeleinden. Hiermee wordt voldaan aan het op basis van objectieve criteria selecteren van de informatie voor het doel waarvoor deze is bestemd, namelijk het controleren van onder meer het privégebruik van de zakelijk ter beschikking gestelde auto. In voornoemd arrest van het HvJEU worden met betrekking tot het bewaren van gegevens nadere voorwaarden gesteld. De gegevens worden in het onderhavige geval gedurende 7 jaren bewaard. Het Hof sluit niet uit dat de in punt 62 en 63 van het arrest gegeven overwegingen ten aanzien van deze bewaartermijn mogelijk kunnen leiden tot reactie van de wetgever indien een nieuwe richtlijn op dit punt wordt aangescherpt. Onder verwijzing naar hetgeen het Hof hiervoor heeft overwogen in 4.10 kan de lengte van de bewaartermijn van 7 jaren naar ’s-Hofs oordeel evenwel niet tot de conclusie leiden dat de Inspecteur met het bewaren van de met ANPR-technologie gegenereerde gegevens jegens belanghebbende handelt in strijd met artikel 8 EVRM.

De boete

4.16.

Aan belanghebbende is over het jaar 2010 en 2011 ingevolge artikel 67c, eerste lid, van de AWR, in samenhang met paragraaf 24, vijfde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten 1998 (hierna: BBBB) een verzuimboete opgelegd van 100% van de boetegrondslag (de nageheven LB). Ter zitting heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de boete telkens dient te worden gematigd tot 25%. De Inspecteur heeft zich met betrekking tot beide belastingtijdvakken op het standpunt gesteld dat belanghebbende grove schuld heeft aan het niet betalen van belasting over het privégebruik van de aan hem in dat tijdvak ter beschikking gestelde auto’s. In zijn arrest van 23 juni 1976, nr. 17 879, BNB 1976/199 heeft de Hoge Raad grove schuld omschreven als “een in laakbaarheid aan opzet grenzende omstandigheid”.

4.17.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met het overleggen van een onjuiste kilometeradministratie door ten minste 1 privérit in 2010 en ten minste 5 privéritten in 2011 niet in de administratie op te nemen, doelbewust de Inspecteur op het verkeerde been heeft willen zetten om belastingheffing te ontgaan. Hij heeft hiermee in zo grote mate onzorgvuldig gehandeld dat hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt en het aan zijn grove schuld is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven.

4.18.

Het Hof acht derhalve bewezen dat belanghebbende het beboete feit heeft begaan en dat hem dienaangaande grove schuld kan worden verweten. Belanghebbende stelt dat de boete over 2011 niet in volle omvang op zijn plaats is, omdat hij voornemens was in de aangifte inkomstenbelasting 2011 uit eigen beweging aan te geven dat hij de aan hem ter beschikking gestelde auto voor meer dan 500 km op jaarbasis voor privédoeleinden gebruikte in 2011. Het Hof verwerpt de grief en sluit aan bij overweging 2.9.4. van de uitspraak van de Rechtbank en maakt die tot de zijne. Het Hof voegt hier aan toe dat belanghebbende heeft nagelaten de verklaring geen privégebruik in te trekken en heeft gepersisteerd in het onjuist administreren van zijn privé verreden kilometers. Het Hof acht de verzuimboete over het jaar 2010 en 2011 passend en geboden.

Slotsom

4.19.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is voor wat betreft de boetes, ongegrond voor het overige en dat dient te worden beslist zoals hierna is vermeld.

Ten aanzien van het griffierecht

4.20.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 42 respectievelijk € 118, derhalve in totaal € 160, te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.21.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.22.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 244 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) (bezwaar), plus 1 (punt) x € 490 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) (Rechtbank) plus 1 (punt) x € 490 x 1 (factor gewicht van de zaak) (Hof) is € 1.468.

4.23.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

verklaart het hoger beroep gegrond, doch enkel wat betreft de boetebeschikkingen;

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de boetebeschikkingen gegrond;

verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

vernietigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikkingen;

vermindert de boete voor het jaar 2010 naar een bedrag van € 1.028 en voor het jaar 2011 naar een bedrag van (afgerond) € 694;

gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 160 vergoedt;

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het bezwaar en het geding voor de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.468.

Aldus gedaan op 27 maart 2015 door J.W.J. Huige, voorzitter, T.A. Gladpootjes en R.C.A.M. Philippart, leden, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is ondertekend door de griffier, alsmede door mr. T.A. Gladpootjes, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.