Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:983

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
HD 200.107.029-01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:5075
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het beding waarin de annuleringskosten zijn opgenomen wordt vermoed onredelijk te zijn in de zin van Richtlijn 93/13.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2014/85
NJF 2014/237
Prg. 2014/144

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.107.029/01

arrest van 8 april 2014

in de zaak van

1 [appellant 1.],

wonende te [woonplaats],

2. [appellante 2.],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. S. Bharatsingh te Hilversum,

tegen

Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. T.J.P. Jager te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 23 april 2012 en herstelexploot van 11 mei 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Venlo gewezen vonnis van 25 januari 2012 tussen appellanten - [appellanten c.s.] - als gedaagden en geïntimeerde - NN - als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 313532/CV EXPL 11-2525)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.1.

[appellanten c.s.] heeft geen grief gericht tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten. Deze feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof geeft de feiten, voor zover van belang, in het navolgende weer.

4.1.2.

NN heeft [appellanten c.s.], via de door hem ingeschakelde tussenpersoon [tussenpersoon] & Partners Financieel Advies B.V. (hierna: [tussenpersoon]), een offerte d.d. 2 juni 2010 met bijlagen doen toekomen. [appellant 1.] en [appellante 2.] hebben de offerte op 3 juni 2010 ondertekend. In de offerte is onder meer vermeld (productie 1 inleidende dagvaarding):

“Wij doen u hierbij een aanbieding voor een lening. (…)

Het leningsbedrag van deze Aflosvrije hypotheek is e 302.000,00. (…)

U verleent de financier het recht van 1e hypotheek op het woonhuis met garage [perceel] te [postcode] [plaats] LB.

In de Bijlage zijn de Voorbehouden en Voorwaarden vermeld waaraan moet worden voldaan voordat de financier tot geldverstrekking overgaat. Indien daaraan niet is voldaan, kan de verstrekking van de lening niet plaatsvinden.

(…)

Deze aanbieding geldt tot 16 juni 2010. Als u van deze aanbieding gebruik maakt, ontvangt de financier de voor akkoord getekende kopie terug voor die datum. De hypotheekakte moet uiterlijk 2 september 2010 getekend zijn.”

4.1.3.

In de bij de offerte horende Bijlage Specificatie leningdeel is onder meer vermeld:

“Indien na acceptatie van deze aanbieding geen hypotheekakte respectievelijk akte van geldlening is getekend, vóór de uiterste datum zoals vermeld in deze aanbieding, bent u annuleringskosten verschuldigd ter grootte van

1. van het leningbedrag, van de leningdelen met Basisvariant met de aanvullende voorwaarde ‘annuleringskosten en geen dalrente’. (…)

Voorbehouden

Graag ontvangt de financier de volgende (originele/ondertekende) stukken ter goedkeuring:

Van de heer [appellant 1.]:

(…)

- Aantonen eigen middelen a e.100.000,-”

4.1.4.

In de bij de offerte horende Bijlage Ondertekening is onder meer vermeld:

“Deze aanbieding is uitgebracht onder het voorbehoud dat alle door ons verkregen of te verkrijgen informatie inzake het onderpand en de aanvrager(s) tot ons genoegen is.”

4.1.5.

[tussenpersoon] heeft bij brief van 18 juni 2010 onder meer het volgende aan [appellanten c.s.] meegedeeld (productie 2 conclusie van antwoord):

“Tijdens ons laatste gesprek op 3 juni 2010 hebben we afgesproken dat u de nog ontbrekende gegevens, in verband met de wijziging van uw hypotheek, zult verzamelen en aan ons kantoor op stuurt. Omdat wij nog niets van u hebben ontvangen sturen wij u hierbij deze brief. Het gaat om de volgende stukken:

“(…)

- Kopie van de aan te tonen eigen middelen. De waarde van uw huidige beleggingsrekening bij ANT-Trust c.q. Florius bedraagt ongeveer € 50.000,-. In totaal moet er € 100.000,- vermogen worden aangetoond welke aangehouden moet zijn op een in Nederland gevestigde rekening. U dient een deel van uw vermogen uit Zwitserland over te laten schrijven naar uw rekening in Nederland en een kopie van deze bijschrijving te maken.

Nadat wij deze stukken hebben ontvangen, kunnen wij verder met de behandeling van uw dossier.”

4.1.6.

[appellanten c.s.] heeft geen hypotheekakte ondertekend en evenmin aangetoond over een bedrag van € 100.000,00 aan eigen middelen te beschikken. Tussen partijen is geen overeenkomst van geldlening tot stand gekomen.

4.1.7.

NN heeft bij brief van 24 juni 2010 onder meer het volgende aan [appellanten c.s.] meegedeeld:

“Wij hebben u op 2 juni 2010 een aanbieding gedaan voor een geldlening. U hebt de aanbieding geaccepteerd door deze voor akkoord te ondertekenen en aan ons retour te sturen. U bent met ons overeengekomen dat de akte uiterlijk op de in de aanbieding genoemde datum zou worden ondertekend.

U hebt aangegeven dat u de overeenkomst niet zult nakomen of de datum waarop de akte zou worden ondertekend is verstreken zonder dat ondertekening heeft plaats gehad. Zoals overeengekomen, bent u in verband hiermee annuleringskosten ad e 3.020,00 verschuldigd.”

4.2.1.

NN heeft in eerste aanleg, kort gezegd, hoofdelijke veroordeling van [appellanten c.s.] gevorderd tot betaling van een bedrag van € 3.601,92, te vermeerderen met rente over een bedrag van € 3.020,00 vanaf de dag der dagvaarding, zijnde 9 juni 2011, tot aan de dag der voldoening, met veroordeling van [appellanten c.s.] in de kosten van het geding. Zij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat [appellanten c.s.] niet hebben voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in de offerte, zodat zij de annuleringskosten van 1% van het leningbedrag aan NN zijn verschuldigd, zijnde een bedrag van € 3.020,00 (zie voor de annuleringsbepaling hiervoor onder 4.1.3).

4.2.2.

De kantonrechter heeft [appellanten c.s.] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 3.601,92 te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 3.020,00 vanaf 9 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast heeft de kantonrechter [appellanten c.s.] hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten.

4.3.

Alvorens in te gaan op de grieven overweegt het hof als volgt.

4.4.

In zijn arrest van 13 september 2013 (ECLI:NL:HR:2013:691) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de appelrechter op basis van het Unierecht gehouden is ambtshalve na te gaan of een beding uit het oogpunt van de in Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: Richtlijn 93/13) gegeven criteria oneerlijk is, zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt. Dit geldt ook indien ook indien hij daarbij buiten het door de grieven ontsloten gebied moet treden. Volgens het Nederlandse appelprocesrecht behoort de rechter immers recht van openbare orde in beginsel ook toe te passen buiten het door de grieven ontsloten gebied, met dien verstande dat hij de grenzen van de rechtsstrijd van partijen dient te respecteren.

4.5.

Richtlijn 93/13 is niet rechtstreeks van toepassing in de Nederlandse rechtsorde. Een richtlijnconforme uitleg brengt echter mee dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 6:233 BW gehouden is het hiervoor bedoelde onderzoek ambtshalve te verrichten ingeval Richtlijn 93/13 deze verplichting meebrengt. Volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU is de nationale rechter die heeft vastgesteld dat een beding in een overeenkomst tussen een professionele partij en een consument oneerlijk is, zonder meer verplicht dat beding voor de consument buiten toepassing te laten. Voor het Nederlandse recht betekent dit dat de rechter, indien hij vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13, gehouden is het beding te vernietigen. Dit lijdt uitzondering indien de consument zich verzet tegen het buiten toepassing laten (vernietigen) van het betreffende beding.

4.6.

Hoewel [appellanten c.s.] in de grieven niet heeft aangevoerd dat sprake is van een oneerlijk beding, is het hof van oordeel dat ambtshalve toetsing moet plaatsvinden in de hiervoor bedoelde zin. Hiermee wordt niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep getreden, aangezien [appellanten c.s.] in hoger beroep tegen de toewijzing van het op grond van de annuleringsregeling gevorderde bedrag is opgekomen.

4.7.

Het hof is voorshands van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een overeenkomst die valt onder de werking van de Richtlijn 93/13. Er is immers sprake van een overeenkomst tussen een professionele partij (NN) en een consument ([appellanten c.s.]). Daarnaast vermoedt het hof dat over het beding niet afzonderlijk is onderhandeld als bedoeld in artikel 3 lid 1 van Richtlijn 93/13 en dat het geen kernbeding is als bedoeld in artikel 4 lid 2 daarvan. Ook vermoedt het hof dat het beding oneerlijk is, aangezien de consument annuleringskosten is verschuldigd indien geen hypotheekakte dan wel akte van geldlening is getekend, om welke reden dan ook. Het beding is met andere woorden algemeen geformuleerd, zonder dat belang wordt gehecht aan de vraag om welke reden geen hypotheekakte of akte van geldlening is getekend en evenmin aan de ernst van de overtreding. Daarnaast is het mogelijk onredelijk vanwege de hoogte van de annuleringskosten in samenhang met het ontbreken van enige differentiatie in het te berekenen percentage. Het beding zou gelet hierop in strijd kunnen zijn met (bijvoorbeeld) artikel 6:237 sub i BW. Hetgeen NN heeft aangevoerd in randnummer 4 van de memorie van antwoord omtrent het doel van de annuleringsregeling acht het hof vooralsnog onvoldoende om tot een ander (voorlopig) oordeel te komen.

4.8.

Partijen dienen zich bij akte uit te laten over bovengenoemde vermoedens en in het bijzonder het door het hof uitgesproken vermoeden dat sprake is van een oneerlijk beding in de zin van Richtlijn 93/13, eerst NN en daarna [appellanten c.s.] De zaak wordt daartoe naar de rol verwezen.

4.9.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 6 mei 2014 voor akte uitlating aan de zijde van NN, waarna [appellanten c.s.] bij antwoordakte mag reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. T. Rothuizen-van Dijk, J.A.M. van Schaik-Veltman en P.M. Arnoldus-Smit en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 april 2014.