Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:982

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
HD 200.129.456-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervoer over de weg van een niet vastgezet aggregaat waardoor aggregaat van oplegger valt en beschadigd raakt. Onrechtmatig jegens de huurder van het aggregaat. Schade aan de zijde van huurder die door verhuurder aggregaat is aangesproken. Kostenveroordeling mede ten laste van procespartij die, naar achteraf blijkt, niet had behoeven te worden gedagvaard, maar wel mede door eigen toedoen is gedagvaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 3, p. 167
S&S 2014/125

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.129.456/01

arrest van 8 april 2014

in de zaak van

1 [Transport] Transport B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [appellant ],
wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. E.H.J. Plass,

tegen

[Exploitant], h.o.d.n. T&R Eventexclusive,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.P.H. Timmermans,

op het bij exploot van dagvaarding van 25 juni 2013 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen vonnis van
3 april 2013 tussen appellanten als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiser in conventie, verweerder in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 345528 \ CV EXPL 12-2156)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Roermond, locatie Venlo, van 19 december 2012.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep, met een productie;

- de memorie van grieven, met producties;

- de memorie van antwoord;

- het pleidooi, waarbij appellanten pleitnotities hebben overgelegd.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1.

Van het volgende kan worden uitgegaan:

  1. [geïntimeerde] exploiteert een evenementenbureau.

  2. Medio mei 2011 is [geïntimeerde] voor het vierde jaar op rij benaderd door studentenvereniging De Uni te [vestigingsplaats]. Onderdeel van hun mondelinge overeenkomst was dat [geïntimeerde] licht- en geluidsapparatuur en een “trussing”-stellage zou leveren, die zouden worden geplaatst op een vrachtwagen met oplegger voor de jaarlijkse Inkomparade.

  3. De Uni heeft van appellante sub 1 een vrachtwagen met oplegger en chauffeur gehuurd.

  4. [geïntimeerde] heeft van [Verhuur] Verhuur B.V. (hierna: [Verhuur]) een stroomaggregaat gehuurd.

  5. Het stroomaggregaat is door leden van De Uni samen met de chauffeur van appellante sub 1 bij [Verhuur] opgehaald en op de oplegger naar [vestigingsplaats] vervoerd.

  6. In [vestigingsplaats] is de licht- en geluidsapparatuur aangesloten op het aggregaat en samen met de stellage eveneens op de oplegger geplaatst. Het aggregaat stond nog steeds op die oplegger.

  7. Na afloop van de Inkomparade is de apparatuur weer losgekoppeld van het aggregaat en samen met de stellage van de oplegger gehaald. Het aggregaat bleef op de oplegger staan.

  8. De chauffeur van appellante sub 1 heeft het aggregaat op de oplegger teruggebracht naar [Verhuur].

  9. Tijdens de terugtocht is het aggregaat van de oplegger gevallen en beschadigd geraakt.

4.2.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd appellanten te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 13.079,60, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2012, althans van de dag van dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening, en verder appellanten te veroordelen in de kosten van de procedure, te voldoen binnen veertien dagen na de dagtekening van het vonnis en indien voldoening niet binnen die termijn plaatsheeft, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf veertien dagen na dagtekening van de uitspraak.

4.3.

[geïntimeerde] heeft aan zijn vordering kort gezegd ten grondslag gelegd dat appellanten onrechtmatig hebben gehandeld en aansprakelijk zijn voor de schade aan het stroomaggregaat.

4.4.

Appellanten hebben in eerste aanleg in reconventie gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.250,- ter zake inkomensderving en kosten van een adviseur.

4.5.

Appellanten hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat zij ten onrechte in rechte zijn betrokken en hierdoor kosten hebben moeten maken.

4.6.

De kantonrechter heeft – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – de vorderingen in conventie toegewezen en appellanten hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, veroordeeld om aan [geïntimeerde] binnen veertien dagen na het vonnis te voldoen een bedrag van € 13.079,60, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, en voorts om de kosten van de procedure in conventie te voldoen binnen veertien dagen na het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente indien voldoening niet binnen de termijn van veertien dagen plaatsheeft.

Verder heeft de kantonrechter de vordering in reconventie afgewezen en appellanten veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie.

4.7.

Appellanten zijn het met de uitspraak van de kantonrechter niet eens en zijn ervan in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep is beperkt tot de toewijzing van de vordering in conventie en ziet niet op de afwijzing van de vordering in reconventie.

4.8.

Appellanten hebben de volgende grieven geformuleerd:

I. Ten onrechte is appellant sub 2 veroordeeld;

II. Ten onrechte heeft de kantonrechter geoordeeld dat appellanten onrechtmatig jegens [geïntimeerde] hebben gehandeld en op grond daarvan aansprakelijk zijn voor de schade.

4.9.

Ad grief I: ten onrechte is appellant sub 2 veroordeeld

4.9.1.

Appellanten stellen dat de vrachtwagen met oplegger is gehuurd van appellante sub 1, dat appellant sub 2 op geen enkele wijze bij het tussen partijen gerezen geschil is betrokken en dat hij derhalve ter zake ook niet veroordeeld kan worden.

4.9.2.

[geïntimeerde] heeft bij pleidooi in hoger beroep verklaard dat er geen reden meer is appellant sub 2 in persoon te veroordelen.

4.9.3.

Grief I slaagt, maar leidt enkel tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover appellant sub 2 daarbij hoofdelijk is veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van de gevorderde hoofdsom en rente en heeft voorts geen invloed op de kostenveroordeling. Onbestreden is immers dat appellanten zelf aanvankelijk onduidelijkheid hebben laten bestaan omtrent de vraag welke partij het vervoer van het aggregaat had uitgevoerd, zodat aan [geïntimeerde] niet kan worden verweten dat hij in eerste aanleg ook appellant sub 2 heeft gedagvaard.

4.10.

In het navolgende zal appellante sub 1 [appellant ] worden genoemd.

4.11.

Ad grief II: ten onrechte heeft de kantonrechter geoordeeld dat appellanten onrechtmatig jegens [geïntimeerde] hebben gehandeld en op grond daarvan aansprakelijk zijn voor de schade

4.11.1.

[appellant ] betwist dat zij verantwoordelijk is voor de schade aan het aggregaat, dat zij onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld en dat [geïntimeerde] schade heeft geleden.

Deze stellingen heeft zij als volgt gemotiveerd.

Tijdens de parade heeft het aggregaat op de oplegger met spanbanden vastgestaan. Klaarblijkelijk zijn de spanbanden na afloop van de parade verwijderd zonder haar chauffeur daarvan in kennis te stellen. De chauffeur mocht erop vertrouwen dat de spanbanden er nog op zaten toen hij het aggregaat terugbracht, temeer daar het hebben van spanbanden op de heenweg een issue was, waarover De Uni met [geïntimeerde] heeft gebeld. [appellant ] heeft ter zake niet bewust een risico willen lopen. De chauffeur wist niet dat de spanbanden waren verwijderd en heeft daarom zijn rijstijl op de terugweg niet aangepast aan die omstandigheid.

Verder is niet [appellant ], maar De Uni aansprakelijk voor de schade aan het aggregaat. [appellant ] heeft het aggregaat immers in opdracht van De Uni vervoerd en het was met medeweten en instemming van De Uni dat het aggregaat zonder spanbanden werd vervoerd. Ook [geïntimeerde] heeft impliciet ingestemd met het vervoer zonder spanbanden, althans hij heeft het risico daarvan op de koop toegenomen. [geïntimeerde] heeft immers, wetende dat het aggregaat nog naar [Verhuur] moest worden teruggebracht en er geen spanbanden waren, behalve die van hemzelf, de spanbanden verwijderd, dan wel het aggregaat niet alsnog vastgezet, dan wel geen spanbanden voor de terugrit achtergelaten.

Ten slotte is de schade aan het aggregaat niet geleden door [geïntimeerde], maar door [Verhuur]. [geïntimeerde] heeft de bedragen die [appellant ] inmiddels naar aanleiding van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, betaald aan [Verhuur]. Er is geen sprake van door [geïntimeerde] geleden schade, aldus [appellant ].

4.11.2.

[geïntimeerde] heeft de stellingen van [appellant ] gemotiveerd betwist.

4.11.3.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Niet in geschil is dat de chauffeur van [appellant ] is gaan rijden met het aggregaat op de oplegger zonder na te gaan of het (met spanbanden) was vastgezet, dat het aggregaat tijdens de rit over de openbare weg van de oplegger afgevallen is en dat het daardoor beschadigd is geraakt.

De vraag ligt voor of deze gebeurtenissen aan te merken zijn als een onrechtmatige daad gepleegd door [appellant ] jegens [geïntimeerde]. Naar het oordeel van het hof moet deze vraag bevestigend worden beantwoord.

4.11.4.

[appellant ] is een professioneel vervoerder en dient op zorgvuldige wijze voor vervoer zorg te dragen. Het rijden over de openbare weg met het aggregaat los op de oplegger is niet zorgvuldig en vormt een risico voor de verkeersveiligheid. Indien [appellant ] niet heeft geweten dat op de terugweg het aggregaat niet met spanbanden was vastgezet, neemt dat de aan de zijde van [appellant ] vastgestelde onzorgvuldigheid niet weg. Een professioneel vervoerder dient immers hoe dan ook, vóórdat aan het verkeer wordt deelgenomen, te verifiëren of de lading op juiste wijze is vastgezet.

Door bij het vervoer van het door [geïntimeerde] gehuurde aggregaat niet de zorgvuldigheid in acht te nemen die van een professioneel vervoerder mag worden verwacht, heeft [appellant ] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] gehandeld.

4.11.5.

Verder kan naar het oordeel van het hof uit het verwijderen door [geïntimeerde] van zijn eigen spanbanden na afloop van de Inkomparade, het niet door hem vastzetten van het aggregaat en het niet achterlaten van spanbanden voor de terugrit, niet zonder meer worden afgeleid dat [geïntimeerde] ermee instemde of het risico op de koop toe nam dat het aggregaat zou worden teruggebracht naar [Verhuur] zonder op de oplegger te zijn vastgezet. Doch ook indien dit anders zou zijn, neemt dat de hiervoor in rechtsoverweging 4.11.4 besproken, door [appellant ] in acht te nemen, zorgvuldigheid niet weg. Hoogstens zou de handelwijze van [geïntimeerde] een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de schadevergoedingsplicht, maar daartoe heeft [appellant ] onvoldoende aangevoerd.

4.11.6.

Ten slotte is er naar het oordeel van het hof sprake van door [geïntimeerde] geleden schade. Het volgende staat vast. [geïntimeerde] heeft het aggregaat gehuurd van [Verhuur]. Door het handelen van [appellant ] is het aggregaat beschadigd. [Verhuur] lijdt daardoor schade en spreekt [geïntimeerde] als huurder van het aggregaat aan de schade te vergoeden. De schade die [Verhuur] lijdt is aldus de schade die [geïntimeerde] lijdt. [geïntimeerde] kan deze als eigen schade op [appellant ] verhalen.

4.11.7.

De slotsom is dat grief II faalt.

4.12.

Het slagen van grief I brengt met zich dat het bestreden vonnis wat betreft de veroordeling van appellant sub 2 tot betaling van de vordering van [geïntimeerde] niet in stand kan blijven. De mede ten laste van appellant sub 2 uitgesproken proceskostenveroordeling blijft echter in stand (r.o. 4.9.3).

4.13.

Het hof zal beide appellanten als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in hoger beroep veroordelen.

Voor zover het debat ging over de vraag of appellant sub 2 terecht door [geïntimeerde] in rechte was betrokken (grief 1) heeft het hof immers geoordeeld dat appellanten zelf onduidelijkheid hebben veroorzaakt waardoor [geïntimeerde] genoodzaakt was beiden te dagvaarden. Dat die onduidelijkheid er ten tijde van het pleidooi in hoger beroep niet meer was, maakt het vorenstaande niet anders. [geïntimeerde] is derhalve in deze kwestie niet als de in het ongelijk gestelde partij aan te merken.

Voor zover het debat ging over de vraag of [appellant ] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld (grief 2) is [appellant ] als de in het ongelijk gestelde partij aan te merken.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

griffierecht € 299,-

totaal verschotten € 299,-

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

3 punten x € 894,- € 2.682,-

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis doch uitsluitend voor zover appellant sub 2 daarbij is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 13.079,60 met rente;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 13.079,60 met rente jegens appellant sub 2 af;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

veroordeelt appellanten hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 299,- aan verschotten en op € 2.682,- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, M.A. Wabeke en M.J. Pesch en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 april 2014.