Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:966

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
HD 200.118.597-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zakelijke overeenkomst echtgenoot na de beëindiging van het huwelijk opgevolgd door nieuwe overeenkomst. Schuldvernieuwing aangenomen, waardoor voormalige echtgenote niet meer aan te spreken is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/271

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.118.597/01

arrest van 8 april 2014

in de zaak van

Lucrum Investerings- en Beleggingsmaatschappij B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. B.J. de Jong te Waalre,

tegen:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.G.J. Jacobs te Waalre,

op het bij exploot van dagvaarding van 11 oktober 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 11 juli 2012 tussen appellante - Lucrum - als eiseres en (onder meer) geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer: 240285/HA ZA 11-1713)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 14 maart 2012.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 11 oktober 2012;

- de memorie van grieven van Lucrum van 26 maart 2013;

- de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 4 juni 2013 met één productie.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grief van Lucrum verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

In eerste aanleg waren naast [geïntimeerde] als gedaagden in de procedure betrokken:

  1. [eiser], tevens eiser in (voorwaardelijke) reconventie,

  2. [Beheer] Beheer BV, tevens eiseres in (voorwaardelijke) reconventie, en

  3. [Bouw] Bouw BV, niet verschenen.

In dit hoger beroep zijn alleen Lucrum en [geïntimeerde] partij.

4.2

De vaststelling van de feiten in het eindvonnis van 11 juli 2012 onder 2. is niet bestreden zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Het gaat in deze zaak, voor zover in dit hoger beroep van belang, om het volgende.

  1. Lucrum ontwikkelt en realiseert de exploitatie en het beheer van bedrijfsverzamelgebouwen. De bouwkundige realisatie vond plaats in samenspraak met [eiser]. De afspraken werden vastgelegd in een zogenaamd mantelcontract. In dit mantelcontract trad Lucrum op als opdrachtgever; [eiser], [Bouw] BV en [Beheer] BV verbonden zich tot nakoming van het betreffende project.

  2. [eiser] is enig aandeelhouder en bestuurder van [Beheer] BV, die op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder is van [Bouw] BV.

  3. Op 21 april 2010 is tussen Lucrum enerzijds en [eiser], [Bouw] BV en [Beheer] BV anderzijds een mantelovereenkomst gesloten inzake een project in [projectplaats]. Laatstgenoemden zijn hun betalingsverplichtingen uit deze overeenkomst jegens Lucrum niet nagekomen.

  4. Op 13 september 2011 heeft overleg plaatsgevonden tussen Lucrum en [eiser]. Naar aanleiding van dit overleg is er op 6 oktober 2011 een nadere overeenkomst gesloten. De (resterende) financiële aanspraak voortvloeiende uit de mantelovereenkomst is toen omgezet in een overeenkomst van geldlening. In deze overeenkomst is onder meer bepaald:

“1. [eiser], [Beheer] B.V. en [Bouw] B.V. erkennen tezamen in ieder hoofdelijk per 30 september 2011 aan Lucrum verschuldigd te zijn een bedrag (inclusief omzetbelasting) groot € 294.339,67.(…)

2. De schuldverhouding als bedoeld in onderdeel 1 van deze notitie wordt omgezet in een geldlening. De geldlening bevat de gebruikelijk bij een dergelijke overeenkomst op te nemen afspraken.(…)”

[eiser] en [geïntimeerde] zijn op 19 september 1986 in gemeenschap van goederen gehuwd. In hun huwelijk is de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 12 juli 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.3

In deze procedure stelt Lucrum dat [eiser], [Bouw] BV en [Beheer] BV hun verplichtingen jegens Lucrum niet zijn nagekomen en dat zij het door hen als verschuldigd erkende bedrag van € 294.339,67 aan Lucrum dienen te betalen. Deze schuld is voor de ontbinding van het huwelijk tussen [eiser] en [geïntimeerde] ontstaan, zodat [geïntimeerde] volgens Lucrum voor de helft van de schuld aansprakelijk is en voor dat gedeelte hoofdelijk met [eiser] is verbonden. Op grond daarvan vorderde Lucrum in deze procedure in eerste aanleg, kort gezegd, hoofdelijk veroordeling van de vier gedaagden tot betaling van het bedrag van € 294.339,67, vermeerderd met de wettelijke handelsrente dan wel de contractuele rente, waarbij de vordering ten aanzien van [geïntimeerde] strekt tot betaling van de helft van dat bedrag, vermeerderd met genoemde rente. Daarnaast vorderde Lucrum hoofdelijke veroordeling van de vier gedaagden tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en beslagkosten.

4.4

In verband met het faillissement van [Bouw] BV is de zaak tegen deze vennootschap geschorst. [eiser] en [Beheer] BV hebben in (voorwaardelijke) reconventie tegenvorderingen ingesteld.

4.5

Bij tussenvonnis van 14 maart 2012 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft op 16 mei 2012 plaatsgevonden. Bij eindvonnis van 11 juli 2012 heeft de rechtbank de vorderingen tegen [eiser] en [Beheer] BV in grote lijnen toegewezen (met uitzondering van de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke incassokosten). De reconventionele vordering is geacht niet te zijn ingesteld. Ten aanzien van [geïntimeerde] zijn de vorderingen van Lucrum afgewezen.

4.6

Tegen de afwijzing van haar vorderingen tegen [geïntimeerde] komt Lucrum in dit hoger beroep op. De grief van Lucrum betreft de volgende rechtsoverwegingen uit het eindvonnis:

“4.2. De rechtbank begrijpt de stellingen van partijen aldus dat de vordering uit hoofde van de mantelovereenkomst is omgezet in een vordering uit hoofde van geldlening met zekerheidsstelling, zulks in verband met de liquiditeitspositie van de [Bouw] B.V. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de mantelovereenkomst en de overeenkomst van geldlening, hoewel materieelrechtelijk met elkaar verbonden, twee van elkaar te onderscheiden zelfstandige overeenkomsten. Immers de prestatie uit hoofde van de mantelovereenkomst is een wezenlijk andere prestatie dan die voortvloeit uit de overeenkomst van geldlening. Ook de rechtsgevolgen van beide verbintenissen zijn wezenlijk anders. (…)

4.3.

Verbintenissen gaan teniet door het uitvoeren daarvan, het nakomen ofwel de betaling in de meest ruime betekenis van het woord. Een verbintenis kan verder nog tenietgaan door schuldvernieuwing. In het onderhavige geval is de verbintenis uit de geldleenovereenkomst in de plaats gesteld van de oorspronkelijke verbintenis uit de mantelovereenkomst. Daarmee is de verbintenis uit hoofde van de mantelovereenkomst teniet gegaan. Immers, indien en voor zover Lucrum een (geld)vordering had op [eiser] c.s. uit hoofde van de mantelovereenkomst is deze vordering “ingelost” middels het aangaan van de geldleenovereenkomst.

4.20.

Voor wat betreft de terzake ingestelde vordering tegen [geïntimeerde] heeft te gelden dat de overeenkomst van geldlening is gesloten nadat de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Hieruit vloeit voort dat [geïntimeerde] niet meer door [eiser] jegens Lucrum kan worden gebonden. De vordering voor zover gericht tegen [geïntimeerde] wordt mitsdien afgewezen.”

Volgens Lucrum was de mantelovereenkomst reeds tijdens het huwelijk van [geïntimeerde] en [eiser] uitgewerkt in die zin dat de projecten waren gerealiseerd en alleen een betalingsverplichting van hem en de twee aan hem gelieerde vennootschappen aan Lucrum resteerde. De toen bestaande rechtsverhouding is door partijen in de overeenkomst van 6 oktober 2011 omschreven als een schuldverhouding. Deze is blijven bestaan, ook na de ontbinding van het huwelijk, en is niet door schuldvernieuwing teniet gegaan. Er zijn alleen aanvullende afspraken gemaakt over de betaling van rente en aflossing en over het stellen van zekerheden. Aan de voorwaarden voor schuldvernieuwing is niet voldaan, aldus Lucrum.

4.7

[geïntimeerde] heeft deze stellingen van Lucrum bestreden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat in de Parlementaire Geschiedenis bij artikel 6:160 BW is omschreven in welke gevallen geen sprake is van schuldwijziging maar van schuldvernieuwing. Dat is het geval (a) wanneer partijen dubbelzinnig uitspreken dat zij zich van de bestaande verbintenis losmaken en hun rechtsverhouding uitsluitend door de nieuwe overeenkomst bepaald willen zien of (b) wanneer de nieuwe overeenkomst aan de verbintenis een zo afwijkende inhoud of strekking geeft, dat deze naar verkeersopvattingen niet meer als “dezelfde” kan worden beschouwd.

[geïntimeerde] heeft verder gewezen op de stelling van Lucrum in haar dagvaarding in eerste aanleg (punt 3.9) waarin Lucrum het volgende te kennen geeft:

“Lucrum blijft zich coulant en constructief opstellen en heeft zich in het overleg bereid verklaard de resterende aanspraak - na verrekening met en met afdoening van- alle overige financiële verhoudingen in directe relatie tot Lucrum - te matigen tot € 294.339,67 en om te zetten in een geldlening onder de voorwaarde dat (a) steeds tijdig de overeengekomen rente wordt betaald en (b) ten behoeve van Lucrum zekerheden worden gevestigd in de vorm van hypotheekrechten.”

Dit betekent volgens [geïntimeerde] dat de partijen bij de overeenkomst bedoelden en mochten begrijpen dat de oude overeenkomst was vervangen door een nieuwe overeenkomst, zodat sprake is van schuldvernieuwing. Een geldleningovereenkomst wijkt immers inhoudelijk af van de betalingsverplichting uit de oorspronkelijke overeenkomst, aldus [geïntimeerde]. De consequentie hiervan is volgens [geïntimeerde] dat zij is bevrijd van haar verplichtingen uit de mantelovereenkomst. Subsidiair voert [geïntimeerde] aan dat aan die verplichtingen jegens haar en [eiser] de werking is ontnomen doordat zij de vernietiging van de mantelovereenkomst heeft ingeroepen op grond van artikel 1:88 BW en artikel 1:89 BW. Zij verwijst in dit verband naar het standpunt dat zij hierover in haar conclusie van antwoord in eerste aanleg heeft ingenomen.

4.8

Het hof overweegt hierover het volgende. Uit de tekst van de overeenkomst van 6 oktober 2011 (aangehaald in 4.2) en de omschrijving van de strekking ervan door Lucrum (aangehaald in 4.7) blijkt dat de partijen die waren betrokken bij de oorspronkelijke mantelovereenkomst daaraan niet langer rechten konden ontlenen. Partijen hebben hun verplichtingen uit die overeenkomst over en weer geheel afgewikkeld door het sluiten van een nieuwe overeenkomst, te weten de overeenkomst van geldlening. Die nieuwe overeenkomst vloeit weliswaar voort uit de oorspronkelijke overeenkomst, althans uit het niet of niet volledig nakomen van de verplichtingen uit die overeenkomst door de wederpartijen van Lucrum, maar daarmee is het niet dezelfde overeenkomst gebleven als de oorspronkelijke mantelovereenkomst. Die overeenkomst regelde de uitvoering van het project te [projectplaats] en bevatte met het oog daarop over en weer een groot aantal rechten en verplichtingen. De mantelovereenkomst is uitgewerkt in die zin dat er geen verbintenissen meer uit voortvloeien, en achterhaald in die zin dat partijen hun rechten en verplichtingen over en weer alleen kunnen ontlenen aan de overeenkomst van 6 oktober 2011. Lucrum heeft ook geen feiten of omstandigheden aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat partijen met de overeenkomst van 6 oktober 2011 iets anders hebben beoogd of mogen begrijpen dan dat de oorspronkelijke overeenkomst van de baan was en dat de rechtsverhouding tussen partijen verder uitsluitend werd bepaald door de inhoud van de nieuwe overeenkomst. De strekking hiervan is een geldlening, voorzien van bepalingen over rente en aflossing en met toevoeging van zekerheden voor de nakoming van deze nieuwe overeenkomst. Zowel naar inhoud als naar strekking is dit een andere overeenkomst dan de oorspronkelijke mantelovereenkomst.

4.9

Het vorenstaande brengt het hof tot dezelfde conclusie als de rechtbank, namelijk nu de overeenkomst van geldlening is gesloten na de ontbinding van het huwelijk van [eiser] en [geïntimeerde] , [geïntimeerde] niet door [eiser] aan de nieuwe overeenkomst gebonden kan worden, zodat de vordering van Lucrum jegens haar niet toewijsbaar is. Dit betekent dat de grief van Lucrum reeds op deze grond faalt, zodat het subsidiaire verweer van [geïntimeerde] geen bespreking behoeft.

4.10

Voor het overige zijn door Lucrum geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een andere uitkomst leiden zodat haar bewijsaanbod als niet relevant wordt gepasseerd.

4.11

Het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd met veroordeling van Lucrum als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Lucrum in de kosten van het geding, tot deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 4.000,= aan salaris gemachtigde in eerste aanleg en op € 1.513,= aan vast recht en op € 3.263,= aan salaris advocaat in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en H.A.W. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 april 2014.