Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:950

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
13-00034
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leges bouwvergunning voor verbouwing waarbij woning wordt gesplitst in twee woningen. In geval van realiseren extra woning worden op grond van de Verordening de reguliere bouwleges verhoogd met een extra legesbedrag per m2. Op grond van beleid van de gemeente worden de reguliere bouwleges echter niet verhoogd indien een gemeentelijk monumentaal pand wordt gesplitst voor het herstel en behoud van dat pand. Het pand van belanghebbende staat op de nominatie te worden aangewezen als gemeentelijk monumentaal pand, maar heeft die status nog niet ten tijde van de aanslag. De Heffingsambtenaar past het beleid bij opleggen aanslag desalniettemin bewust toch toe en brengt het extra legesbedrag per m2 niet in rekening. Als nadien definitief komt vast te staan dat het pand van belanghebbende niet zal worden aangewezen als gemeentelijk monumentaal pand, vordert de Heffingsambtenaar het extra legesbedrag per m2 alsnog na. Het Hof staat navordering niet toe, omdat een nieuw feit hiervoor ontbreekt. De nominatie tot aanwijzing als gemeentelijk monumentaal pand vormde, gelet op de tekst van de Verordening en het gehanteerde beleid, geen reden om het extra legesbedrag per m2 niet in rekening te brengen. Door dit toch te doen heeft de Heffingsambtenaar een ambtelijk verzuim begaan, dat navordering verhindert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0890
V-N Vandaag 2014/710
Belastingblad 2014/247
V-N 2014/30.18.3
mr. dr. G. Groenewegen annotatie in NTFR 2014/1608

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 13/00034

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch (thans de Rechtbank Oost-Brabant, hierna: de Rechtbank) van 28 november 2012, nummer AWB 11/2661, in het geding tussen

belanghebbende

en

de Heffingsambtenaar van de gemeente Gemert-Bakel,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende na te melden navorderingsaanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is in verband met het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een reguliere bouwvergunning voor het verbouwen van een langgevelboerderij (hierna: de onroerende zaak) tot twee woningen, kenmerk [nummer 1], een nota leges toegezonden (hierna: de aanslag). Met dagtekening 14 september 2010 is aan belanghebbende ter zake van deze aanvraag een navorderingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 27.605,52, welke navorderingsaanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Heffingsambtenaar is gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

Bij haar vorenvermelde uitspraak heeft de Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze laatste uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 115. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Heffingsambtenaar heeft vervolgens schriftelijk gedupliceerd.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 26 november 2013 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, mevrouw [A] en de heer [B].

1.6.

De Heffingsambtenaar heeft ter zitting een afschrift van een aanvraag bouwvergunning dd. 16 januari 2008 van belanghebbende, een afschrift van een aanvraag bouwvergunning dd. 26 juni 2008 van [C] en een afschrift van “Verslag individueel gesprek wethouder [D] (portefeuillehouder) dd. 1 maart 2013” overgelegd.

1.7.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

De Verordening op de heffing en de invordering van leges 2007 (hierna: de Verordening), vastgesteld door de raad van de gemeente Gemert-Bakel bij besluit van 20 december 2006, luidt voor zover van belang, als volgt:

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven ter zake van het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

(...)

Artikel 5 Tarieven

1 De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

(...)”

2.2.

De Tarieventabel, behorende bij de Verordening, luidt, voor zover van belang, als volgt:

5.2.

Bouwvergunningen

Het tarief bedraagt terzake van het in behandeling nemen van:

(…)

5.2.3.

een aanvraag tot het verkrijgen van een reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel p, van de Woningwet, bedraagt over de eerste € 500.000 aan bouwkosten 1,8% van de bouwkosten en voor het eventueel resterende deel boven de € 500.000 aan bouwkosten 1,55% van de bouwkosten. Het minimum legesbedrag bedraagt:

€ 100,00.

(…)

5.5.8.

Indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwplan voor het realiseren van een extra woning waarvoor een vergunning moet worden verleend, wordt het overeenkomstig 5.2.2, onderscheidenlijk 5.2.3, 5.2.4 of 5.2.5 berekende bedrag verhoogd met een bedrag van € 16,56 per m2 bouwperceel of een bedrag van € 4.000,00 per appartement.”

2.3.

Belanghebbende heeft op 14 juni 2007 een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een bouwvergunning voor het verbouwen van de onroerende zaak tot twee woningen. Deze bouwvergunning is op 22 januari 2008 onder nummer [nummer 1] verleend. Op laatstgenoemde datum stond de onroerende zaak op de nominatie om als gemeentelijk monument te worden aangemerkt.

2.4.

Op 26 juni 2008 heeft [C], de buurman van belanghebbende, een aanvraag ingediend tot het verkrijgen van een bouwvergunning voor het verbouwen van de onroerende zaak. Deze aanvraag betreft een verzoek tot wijziging van het op 22 januari 2008 aan belanghebbende vergunde bouwplan. De bouwvergunning is op 23 december 2008 onder nummer [nummer 2] aan [C] verleend. Daarbij is de vergunning die op 22 januari 2008 aan belanghebbende was verleend, ingetrokken.

2.5.

Op 27 mei 2010 heeft [C] een aanvraag ingediend tot het verkrijgen van een bouwvergunning voor het gedeeltelijk veranderen van de onroerende zaak. Op 19 augustus 2010 is deze bouwvergunning onder nummer [nummer 3] van rechtswege verleend.

2.6.

Op 28 mei 2010 heeft belanghebbende een aanvraag ingediend tot het verlenen van een bouwvergunning voor het doorvoeren van wijzigingen op een reeds verleende bouwvergunning voor het veranderen van een woonboerderij in twee woningen. Op 20 augustus 2010 is deze bouwvergunning onder nummer [nummer 4] van rechtswege verleend.

2.7.

Op 29 juli 2008 heeft een gesprek plaatsgevonden waarbij belanghebbende, de heer [C], de verantwoordelijke wethouder de heer [E] en twee medewerkers van de gemeente Gemert-Bakel (hierna: de gemeente) aanwezig waren. In het verslag van dit gesprek is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Het pand (Hof: de onroerende zaak) is een beeldbepalend pand en zou na de verbouwing een gemeentelijk monument worden. Doordat er teveel is gesloopt zal het pand niet de status van gemeentelijk monument krijgen maar zal het een beeldbepalend pand blijven. Dit heeft verschillende financiële gevolgen. De eigenaren zullen hierdoor geen recht hebben op het monumentenspaarfonds. Volgens de aanvrager is er nooit gesproken over eventuele subsidie mogelijkheden. Een ander gevolg is de betaling aan het fonds bovenwijks waar monumenten vrijstelling voor hebben. Hierover zal nog worden gesproken.”.

2.8.

In de Kadernota Grondbeleid van de gemeente, versie 6 september 2007, pagina 26-27, is voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“5.2. Redenen en voorwaarden voor exploitatie:

Voor het opstellen van een grondexploitatie gelden de volgende uitgangspunten:

(…)

 Via een vastgesteld bedrag per verkocht m2 bouwgrond of een vast bedrag per woning bij inbreidingslocaties, wordt de reserve bovenwijkse voorzieningen gevoegd (zie paragraaf 2.3.4).

 (…)

 Het beleid voor particuliere bouwgrondexploitatie is niet van toepassing voor degenen die een gemeentelijk monumentaal pand willen splitsen voor het herstel en behoud ervan.”

2.9.

In de begeleidende brief van 23 september 2010 bij de met dagtekening 14 september 2010 aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag vermeldt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente (hierna: het college van burgemeester en wethouders) onder meer het volgende:

“Op 14 juni 2007 heeft u een aanvraag ingediend voor het veranderen van een woonboerderij in twee woningen. Op 22 december 2008 (Hof : bedoeld zal zijn: 22 januari 2008) hebben wij u deze vergunning verleend. Om de bouwvergunning te kunnen verlenen was het noodzakelijk vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan omdat dit bestemmingsplan woningsplitsing niet mogelijk maakt. Onlangs is gebleken dat er ten onrechte geen leges in rekening zijn gebracht voor het realiseren van een extra woning. In deze brief gaan wij hier verder op in.

Overwegingen

Tijdens onze vergadering van 14 september 2010 hebben wij besloten de te weinig geheven leges na te vorderen op basis van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

De factuur is bij deze brief gevoegd. Op de factuur leest u hoe wij tot de hoogte van het bedrag zijn gekomen en de bezwaar- en beroepsmogelijkheden.”.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Beschikt de Heffingsambtenaar over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt?

2. Diende de navorderingsaanslag uiterlijk bij het op 20 augustus 2010 verlenen van de onder 2.6 bedoelde vergunning te worden opgelegd?

3. Is de navorderingsaanslag in strijd met het vertrouwensbeginsel opgelegd?

Belanghebbende is van mening dat vraag 1 ontkennend en de vragen 2 en 3 bevestigend moeten worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is met betrekking tot al deze vragen de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Partijen hebben hieraan ter zitting, zakelijk weergegeven, het volgende toegevoegd:

Belanghebbende:

De heer [E] heeft mij een toezegging gedaan, maar die wordt niet nageleefd. Met de heer [F] heb ik drie maal een gesprek gehad. Hij heeft kunnen realiseren dat het bedrag van de aanslag aanzienlijk verlaagd wordt. Voor mij is er maar één eerlijke uitspraak en dat is dat de aanslag wordt verminderd naar nihil.

U heeft van de Heffingsambtenaar een verslag van de gesprekken op 18 februari 2013 en 21 mei 2013 ontvangen, maar er heeft ook een gesprek plaatsgevonden op 1 maart 2013. Ik overleg u dat verslag. Tijdens de zitting bij de Rechtbank heb ik mijn stelling dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, ingetrokken, maar ik wil die stelling toch weer innemen.

De Heffingsambtenaar:

Ik heb niets aan de stukken toe te voegen. Desgevraagd deel ik u mede dat ik niet weet tot welk bedrag in totaal leges is geheven van belanghebbende en van zijn buurman. In de aanvraag van de bouwvergunning uit 2007, die ik u overleg, is vermeld dat geen sprake is van een monumentenvergunning.

De heer [E] heeft de gemeente telefonisch benaderd over de aanslag en heeft zich afgevraagd of navordering wel reëel was. Ik weet niet waarom hij zich dat heeft afgevraagd, ik kan niet voor de heer [E] spreken. Er is geen verslag van dat telefoongesprek, ik was zelf bij dat gesprek aanwezig. Ik heb er geen bezwaar tegen dat het antwoord op de vraag of het vertrouwensbeginsel is geschonden onderwerp vormt van het geschil.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar van de Heffingsambtenaar en vernietiging van de navorderingsaanslag. De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

De onderhavige navorderingsaanslag is opgelegd door het college van burgemeester en wethouders. De bevoegdheid tot het opleggen van navorderingsaanslagen is echter verleend aan de Heffingsambtenaar. Nu in het onderhavige geval de Heffingsambtenaar de navorderingsaanslag op de voet van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht aan een inhoudelijke beoordeling heeft onderworpen en uitspraak op het bezwaar heeft gedaan, is het Hof van oordeel dat daarmede het onderhavige bevoegdheidsgebrek is hersteld (HR 24 december 2010, nr. 10/00154, ECLI:NL:HR:2010:BO0396, BNB 2011/95).

4.2.

Op grond van artikel 231, lid 1, van de Gemeentewet juncto artikel 16, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) kan de heffingsambtenaar, voor zover hier van belang, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de heffingsambtenaar bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

4.3.

Op grond van artikel 2 van de Verordening worden onder de naam ‘leges’ rechten geheven ter zake van het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in de Verordening en de daarbij behorende tarieventabel (hierna ook wel: de Tarieventabel). Op grond van onderdeel 5.5.8 van de Tarieventabel wordt, indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwplan voor het realiseren van een extra woning waarvoor een vergunning moet worden verleend, het overeenkomstig 5.2.2, onderscheidenlijk 5.2.3, 5.2.4 of 5.2.5 berekende bedrag verhoogd met een bedrag van € 16,56 per m².

4.4.

De door belanghebbende op 14 juni 2007 ingediende aanvraag heeft betrekking op een bouwplan voor het realiseren van een extra woning waarvoor een vergunning moet worden verleend, zodat de op grond van onderdeel 5.2.3 van de Tarieventabel berekende leges ingevolge onderdeel 5.5.8 van die tabel bij het opleggen van de aanslag hadden moeten worden verhoogd met een bedrag van € 16,56 per m2. Dit geldt op grond van het door de gemeente gevoerde en in de Kadernota neergelegde beleid echter niet voor degenen die een gemeentelijk monumentaal pand willen splitsen voor het herstel en behoud ervan.

4.5.

Vaststaat dat de onroerende zaak ten tijde van het verlenen van de onderhavige bouwvergunning niet was aangewezen als gemeentelijk monument en dat de Heffingsambtenaar daarvan bij het opleggen van de aanslag op de hoogte was. De Heffingsambtenaar heeft toepassing van artikel 5.5.8 van de Tarieventabel desondanks achterwege gelaten, omdat de onroerende zaak op het moment van verlenen van de bouwvergunning was genomineerd om te worden aangewezen als gemeentelijk monument. De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de omstandigheid dat uiteindelijk geen aanwijzing tot gemeentelijk monument heeft plaatsgevonden, een nieuwe feit vormt op grond waarvan hij bevoegd is het op grond van artikel 5.5.8 van de Tarieventabel verschuldigde legesbedrag na te vorderen.

4.6.

Het Hof is van oordeel dat de Heffingsambtenaar ten tijde van het opleggen van de aanslag de feiten en omstandigheden kende dan wel redelijkerwijs kon kennen die benodigd waren om de op grond van de Verordening verschuldigde belasting, met inachtneming van het in de Kadernota neergelegde beleid, vast te kunnen stellen. De aanvraag had immers betrekking op een bouwplan voor het realiseren van een extra woning waarvoor een vergunning moest worden verleend, terwijl de onroerende zaak ten tijde van het verlenen van die vergunning niet was aangewezen als gemeentelijk monument als bedoeld in de Kadernota. De omstandigheid dat de onroerende zaak ten tijde van het opleggen van de aanslag op de nominatie stond om als gemeentelijk monument te worden aangewezen, vormde geen feit op grond waarvan toepassing van artikel 5.5.8 van de Tarieventabel achterwege kon blijven. De Heffingsambtenaar heeft echter het in de Kadernota neergelegde beleid in het onderhavige geval bewust op de onroerende zaak toegepast, zonder dat voldaan was aan de voorwaarden voor toepassing van dat beleid, en de op grond van artikel 5.5.8 van de Tarieventabel verschuldigde leges derhalve bewust niet in rekening gebracht. Als gevolg daarvan is te weinig belasting geheven als bedoeld in artikel 16 van de AWR.

4.7.

De Heffingsambtenaar heeft vervolgens de feiten en omstandigheden zoals die hem reeds bij de aanslagoplegging bekend waren, ten grondslag gelegd aan de navorderingsaanslag. De navorderingsaanslag heeft immers betrekking op de aanvraag ter zake van een bouwplan voor het realiseren van een extra woning waarvoor een vergunning moet worden verleend, terwijl de onroerende zaak ten tijde van het verlenen van de bouwvergunning niet was aangewezen als gemeentelijk monument. Het besluit van het college van burgemeester en wethouders om, vanwege de nagenoeg volledige sloop van de onroerende zaak, deze niet meer als gemeentelijk monument aan te wijzen, brengt geen verandering in de feiten die bekend waren ten tijde van het opleggen van de aanslag. Weliswaar is de aanslag tot een te laag bedrag vastgesteld, maar dat wordt niet veroorzaakt door een feit als bedoeld in artikel 16, lid 1, van de AWR, maar door de beslissing van de Heffingsambtenaar om ten tijde van het opleggen van de aanslag aan het in de Kadernota neergelegde beleid een ruimere toepassing te geven dan daarin is verwoord.

Gelet op het vorenstaande is het Hof van oordeel dat de Heffingsambtenaar bij het opleggen van de aanslag een ambtelijk verzuim heeft begaan dat navordering verhindert. Geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake van de onderhavige feiten en omstandigheden te kwader trouw is.

De navorderingsaanslag is derhalve ten onrechte opgelegd. De in de omschrijving van het geschil onder 2 en 3 vermelde vragen behoeven geen beantwoording.

Slotsom

4.8.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het hoger beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar van de Heffingsambtenaar en de navorderingsaanslag vernietigen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 respectievelijk € 115 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.11.

Het Hof stelt de tegemoetkoming voor de behandeling van het beroep bij de Rechtbank, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2,5 (punten) x € 487 (waarde per punt) x 1 (gewicht van de zaak) is € 1.217,50, vermeerderd met een bedrag aan reiskosten van belanghebbende zelf voor het bijwonen van de zitting, te berekenen op de kosten van het openbaar vervoer tweede klasse voor het traject [woonplaats]-’s-Hertogenbosch en vice versa ad (afgerond) € 21.

4.12.

Het Hof stelt de tegemoetkoming voor de behandeling van het hoger beroep, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op een bedrag aan reiskosten van belanghebbende zelf voor het bijwonen van de zitting, te berekenen op de kosten van het openbaar vervoer tweede klasse voor het traject [woonplaats]-’s-Hertogenbosch en vice versa ad (afgerond) € 21.

4.13.

De voor vergoeding in aanmerking komende kosten bedragen gelet op het voorgaande in totaal € 1.259,50.

5 Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- verklaart het tegen de uitspraak van de Heffingsambtenaar ingestelde beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Heffingsambtenaar,

- vernietigt de navorderingsaanslag,

- gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 156 vergoedt, en

- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de Rechtbank en bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 1.259,50.

Aldus gedaan op 3 april 2014 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.A. Meijer, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Deze uitspraak is ondertekend door T.A. Gladpootjes omdat de voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.