Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:943

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
02-04-2014
Zaaknummer
20-002530-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:BX0827, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1664, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte voor een in 2002 in Son gepleegde huurmoord tot 18 jaar gevangenisstraf. Voor het bewijs is gebruik gemaakt van een DNA-match op een aangetroffen sigarettenpeuk en de verklaring van een bedreigde getuige.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 226a, geldigheid: 2014-04-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002530-12

Uitspraak : 2 april 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 juli 2012 in de strafzaak met parketnummer 01-089029-04 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Noord Holland Noord,

Unit Zuyderbos te Heerhugowaard.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van moord veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien jaren met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van moord zal veroordelen tot een gevangenisstraf van achttien jaren met aftrek van voorarrest.

De verdachte en zijn raadslieden hebben vrijspraak bepleit. Voorts zijn verzoeken gedaan tot het horen van getuigen en het toevoegen van stukken aan het dossier.

Vonnis waarvan beroep

Het hof komt op onderdelen tot een andere bewijsvoering dan de rechtbank. Om redenen van efficiency zal het hof het vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 mei 2011 - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 oktober 2002 te Son, gemeente Son en Breugel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [A] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een of meer vuurwapen(s), meermalen, althans eenmaal, op, althans in de richting van, het hoofd en/of bovenlichaam, in elk geval het lichaam, van die [A] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [A] is overleden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 8 oktober 2002 te Son, gemeente Son en Breugel, opzettelijk en met voorbedachten rade [A] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen op het hoofd en bovenlichaam van die [A] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [A] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Het hof zal hierna opmerkingen maken over de gebezigde bewijsmiddelen met betrekking tot het daderschap van de verdachte (de verklaring van de NN-getuige, de verklaring van [B] en de bij de plaats delict aangetroffen sigarettenpeuk; nrs. 1 tot en met 11), over voorbedachte raad (nr. 12) en over door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve scenario’s (nr. 13).

De verklaringen van de NN-getuige

1.

Door een anonieme getuige (NN) zijn in de loop van het onderzoek naar de levensberoving van [A] twee verklaringen afgelegd; op 8 april 2005 en op 2 maart 2012. Zijn/haar tweede verklaring is afgelegd als bedreigde getuige in de zin van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De verdediging heeft verweer gevoerd tegen de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van NN voor het bewijs. Het hof kent de identiteit van deze getuige niet. Omwille van de leesbaarheid zal het hof hierna in de mannelijke vorm over de NN-getuige schrijven.

Uit het dossier blijkt de volgende procedurele gang van zaken.

  1. Op 8 april 2005 heeft de rechter-commissaris mr. I.M.E.A. van Eldonk in een onderzoek tegen een NN-verdachte onder ede de NN-getuige gehoord. Voorafgaand aan het daadwerkelijke verhoor had de getuige te kennen gegeven dat hij alleen een verklaring wilde afleggen indien hij dat anoniem kon doen en dat hij om dezelfde reden de verklaring niet wilde ondertekenen. De getuige verklaarde dat hij wist wie de moord op [A] had gepleegd en dat, als bekend wordt dat deze informatie door de getuige is gegeven, hij had te vrezen voor zijn leven. De rechter-commissaris heeft vervolgens op grond van artikel 190, tweede lid (oud; thans derde lid), Sv geoordeeld dat er gegrond vermoeden bestond dat de getuige in verband met het afleggen van een verklaring overlast zou ondervinden en heeft daarom bepaald dat het vragen naar persoonsgegevens, zoals bedoeld in artikel 190, eerste lid, Sv, achterwege zou worden gelaten.

  2. Op 23 februari 2010 is de verdachte in de onderhavige zaak aangehouden en in verzekering gesteld. Ter terechtzitting van 3 juni 2010 heeft de rechtbank het verzoek van de verdediging tot het horen van onder anderen de NN-getuige toegewezen en de zaak daarvoor naar de rechter-commissaris verwezen.

  3. Op 20 oktober 2010 heeft de officier van justitie een vordering ex artikel 226a Sv ingediend, ertoe strekkende dat de rechter-commissaris zal bevelen dat ter gelegenheid van het verhoor van de NN-getuige de identiteit van de getuige verborgen zal worden gehouden.

  4. Bij beschikking van 16 augustus 2011 heeft de rechter-commissaris mr. J.M.A. van Atteveld voornoemde vordering afgewezen. Tegen deze beschikking is hoger beroep ingesteld.

  5. Bij beschikking van 21 september 2011 heeft de raadkamer van de rechtbank het hoger beroep gegrond verklaard, de beschikking van de rechter-commissaris vernietigd en de rechter-commissaris verzocht een nieuwe beschikking te geven, met inachtneming van de overwegingen van de raadkamer.

  6. Bij “hernieuwde beschikking” van 11 oktober 2011 heeft de rechter-commissaris mr. J.M.A. van Atteveld de vordering van de officier van justitie van 20 oktober 2010 opnieuw afgewezen. Tegen deze beschikking is hoger beroep ingesteld.

  7. Bij beschikking van 9 november 2011 heeft de raadkamer van de rechtbank laatstgenoemd hoger beroep gegrond verklaard, de beschikking van de rechter-commissaris van 11 oktober 2011 vernietigd en aan de NN-getuige de status van bedreigde anonieme getuige toegekend overeenkomstig de vordering van de officier van justitie van 20 oktober 2010.

  8. Op 2 maart 2012 heeft de rechter-commissaris mr. A.G.A.M. van de Ven onder ede de NN-getuige gehoord op de voet van de artikelen 226c-226f Sv.

2.

Verzoek tot het horen van mr. Van Atteveld

De verdediging heeft bij pleidooi op de terechtzitting van 19 maart 2014 verzocht de rechter-commissaris mr. J.M.A. van Atteveld als getuige te horen, dan wel hem om een nadere schriftelijke motivering te verzoeken (zo begrijpt het hof:) waarom de getuige niet als een bedreigde getuige diende te worden gehoord, alvorens het hof een oordeel zal vormen over de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van NN. Daartoe is erop gewezen dat deze rechter-commissaris de vordering tot het horen van NN als bedreigde getuige heeft afgewezen en in een “overweging ten overvloede” in zijn afwijzende beschikking van 11 oktober 2011 heeft opgemerkt dat er inhoudelijke redenen zijn waarom NN niet als bedreigde getuige moet worden gehoord, nu dit mogelijk een schending van het beginsel van een fair trial in de strafzaak met zich kan brengen. De rechter-commissaris heeft verzocht bij een eventueel nieuw hoger beroep aanwezig te kunnen zijn bij de behandeling in raadkamer. De raadkamer is hieraan echter ongemotiveerd voorbij gegaan.

Op vragen van het hof hebben de raadslieden geantwoord dat de verdediging Van Atteveld als getuige wil horen

(a)om te beoordelen of de raadkamer van de rechtbank terecht aan NN de status van bedreigde getuige heeft toegekend en

(b) in verband met het oordeel omtrent de betrouwbaarheid van de verklaring van NN.

Het hof overweegt als volgt.

3.

Over 2(a)

Bij de beoordeling van het verzoek dient voorop te worden gesteld dat de wetgever de beantwoording van de vraag of een getuige terecht als een bedreigde getuige in de zin van artikel 226a Sv is aangemerkt, heeft willen onttrekken aan het oordeel van de zittingsrechter, tenzij aan de wijze van totstandkoming of aan de inhoud van een door de rechter ingevolge de artikelen 226a en/of 226b Sv ten aanzien van een getuige gegeven bevel dat ter gelegenheid van het verhoor van die getuige diens identiteit verborgen wordt gehouden, zodanige fundamentele gebreken kleven dat gebruikmaking door de zittingsrechter van de resultaten van het nadien op de voet van artikel 226d Sv afgenomen verhoor van deze getuige, zou indruisen tegen het recht van de verdachte op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM (vgl. HR 30 juni 1998, NJ 1999, 88, rov. 6.3.4 en 6.3.5).

De verdediging heeft eerder, namelijk ter terechtzitting in hoger beroep van 14 november 2012, om dezelfde reden verzocht de rechter-commissaris mr. Van Atteveld als getuige te horen. Het hof heeft dit verzoek toen afgewezen en daartoe, onder vaststelling van de gevolgde procedure bij de totstandkoming van de verklaring, geoordeeld:

“Het verzoek van de verdediging om getuige Van Atteveld te horen, komt feitelijk neer op het openbreken van de procedure tot het al dan niet toekennen van de status van bedreigde getuige aan een getuige. Dit is in strijd met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.

De verdediging heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die erop duiden dat in de procedure tot het toekennen van de status van bedreigde getuige aan de NN-getuige, sprake is geweest van schending van fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde op grond waarvan de procedure nietig zou moeten worden verklaard. Dat de raadkamer ervan heeft afgezien de rechter-commissaris te horen levert in elk geval niet een dergelijke schending op. Het staat ter discretie van de raadkamer om de rechter-commissaris al dan niet te horen over diens zienswijze omtrent de vraag of de status van bedreigde getuige al dan niet moet worden verleend.” (p. 8-9 van het proces-verbaal van de onderbroken terechtzitting van het hof van 14 en 28 november 2012)

In aanvulling daarop overweegt het hof ten aanzien van de totstandkoming van de beslissing van de raadkamer van de rechtbank van 9 november 2011 (als bedoeld onder 1.vii) nog het volgende.

De beslissing van de raadkamer is mede gegrond op de omstandigheden dat er sprake is van een verdenking van moord, dat uit het strafdossier blijkt dat de verdachte reeds vele malen eerder voor strafbare feiten is veroordeeld tot onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen en dat uit de inhoud van de verklaring van NN volgt dat de getuige blijkbaar bekend is met deze feiten en omstandigheden.

Het hof overweegt dat de door de raadkamer in aanmerking genomen veroordelingen blijken uit een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 januari 2014 dat onder meer de volgende gevangenisstraffen vermeldt:

  • -

    zes maanden ter zake van onder meer bedreiging met zware mishandeling en diefstallen met geweld (1996, p. 3-4);

  • -

    drie jaren ter zake van onder meer diefstallen met geweld (1997, p. 10);

  • -

    vier maanden ter zake van onder meer poging tot diefstal met geweldsbedreiging (1997, p. 11-12);

  • -

    zesendertig maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, ter zake van afpersing (2001, p. 9);

  • -

    vijf maanden ter zake van onder meer bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en mishandeling (2003, p. 7-8);

  • -

    negen jaren ter zake van “Schwere räuberische Erpressung in vier Fällen” (2006,
    p. 19, veroordeling in Duitsland die blijkens de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep betrekking had op gewapende overvallen).

Alvorens aan NN de status van bedreigde getuige toe te kennen, heeft de raadkamer het openbaar ministerie en de advocaat van NN gehoord, zodat de raadkamer haar beslissing mede heeft kunnen gronden op hetgeen van de zijde van het openbaar ministerie en van NN over de vrees/bedreiging is aangevoerd.

Vervolgens is door de rechter-commissaris mr. Van de Ven aan de afdeling getuigenbescherming een veiligheidsanalyse gevraagd. Mede gelet op deze analyse heeft de rechter-commissaris mr. Van de Ven geoordeeld dat de belangen van de veiligheid en afscherming van de bedreigde getuige dienen te prevaleren boven de belangen van de verdediging bij het direct kunnen ondervragen van de getuige. Deze veiligheidsanalyse vormt aldus - zij het achteraf - een nadere onderbouwing van de beslissing van de raadkamer van de rechtbank om aan NN de status van bedreigde getuige toe te kennen.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat aan de wijze van totstandkoming of aan de inhoud van de beslissing van de raadkamer tot toekenning van de status van bedreigde getuige aan NN, fundamentele gebreken kleven als hiervoor bedoeld.

Onderdeel 2(a) van het verzoek om rechter-commissaris mr. Van Atteveld als getuige te horen, noopt dus niet tot het horen als getuige.

4.

Over 2(b)

Op grond van artikel 226e Sv onderzoekt de rechter-commissaris tijdens het verhoor de betrouwbaarheid van de bedreigde getuige en legt hij daaromtrent in het proces-verbaal rekenschap af. In de onderhavige zaak is dat onderzoek en de verantwoording daarvan - overeenkomstig de wettelijke regeling - opgedragen aan de rechter-commissaris mr. Van de Ven. Het in artikel 226e Sv voorgeschreven betrouwbaarheidsoordeel komt derhalve niet toe aan mr. Van Atteveld.

Daarnaast dient het hof - bij zijn oordeel of de verklaring(en) van NN tot bewijs kunnen worden gebezigd - zich als zittingsrechter zelfstandig een oordeel te vormen over de betrouwbaarheid van die verklaring(en). Het hof acht het niet noodzakelijk mr. Van Atteveld in dat verband te horen of van hem een nadere schriftelijke motivering te vernemen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat, zoals hierna zal worden overwogen, het dossier voldoende informatie bevat waaraan het hof de verklaringen van NN op betrouwbaarheid kan toetsen.

Ook onderdeel 2(b) van het verzoek noopt niet tot het horen van mr. Van Atteveld.

Het herhaalde verzoek om mr. Van Atteveld te horen als getuige wordt daarom afgewezen.

5.

Bruikbaarheid van de NN-verklaringen in het licht van artikel 6 EVRM

De verdediging heeft betoogd dat het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van NN in strijd is met het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Daartoe is aangevoerd dat de bewezenverklaring in beslissende mate zou zijn gegrond op de verklaring van NN, althans dat bij een bewezenverklaring aanzienlijk gewicht zou worden toegekend aan die verklaring, dat de verdediging niet op adequate wijze in de gelegenheid is geweest NN te horen, nu zij niet bij het verhoor van NN aanwezig mocht zijn en van een groot aantal van de door de verdediging schriftelijk opgegeven vragen het antwoord niet is opgenomen in het proces-verbaal van verhoor, alsmede dat er onvoldoende compenserende maatregelen zijn getroffen.

Het hof stelt het volgende voorop.

Artikel 226d Sv biedt de rechter-commissaris de mogelijkheid om, indien het belang van het verborgen houden van de identiteit van de bedreigde getuige zulks vordert, te bepalen dat de verdachte of diens raadsman dan wel beiden het verhoor van de bedreigde getuige niet mogen bijwonen. In een zodanig geval is ook de officier van justitie niet bevoegd bij het verhoor aanwezig te zijn. Voor de beantwoording van de vraag of in een concreet geval toepassing van deze mogelijkheid inbreuk maakt op het aan de verdachte toekomende recht op een eerlijk proces is in de eerste plaats van belang de wijze waarop het verhoor heeft plaatsgevonden en de maatregelen die daarbij zijn getroffen om de aldus voor de verdediging ontstane belemmering in de uitoefening van het ondervragingsrecht zoveel mogelijk te beperken. Daarnaast is echter ook van belang of de resultaten van het verhoor in overwegende mate bewijs opleveren voor de directe betrokkenheid van de verdachte bij het hem ten laste gelegde feit (vgl. HR 30 juni 1998, NJ 1999, 88, rov. 6.4.2).

Het hof is van oordeel dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM, niet is geschonden door de wijze waarop het verhoor heeft plaatsgevonden.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat:

  • -

    ook de officier van justitie het verhoor niet heeft mogen bijwonen en enkel schriftelijke vragen heeft mogen opgeven, zodat is voldaan aan het beginsel van equality of arms;

  • -

    de rechter-commissaris het verhoor mede heeft afgenomen aan de hand van een tevoren door de verdediging toegezonden vragenlijst;

  • -

    de rechter-commissaris het proces-verbaal van verhoor van de getuige heeft toegezonden aan de verdediging en haar in de gelegenheid heeft gesteld nadere vragen aan de getuige op te geven, van welke gelegenheid zij geen gebruik heeft gemaakt (aldus mr. Ausma, raadsman van de verdachte, p. 2 van het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 en 28 november 2012);

  • -

    alle opgegeven vragen door de rechter-commissaris zijn gesteld en door de getuige zijn beantwoord;

  • -

    van het merendeel van de door de verdediging opgegeven vragen (18 van de 25) het antwoord van de getuige in het proces-verbaal van verhoor is opgenomen en dat alleen in het belang van het verborgen blijven van de identiteit van de getuige het antwoord op de overige vragen (deels) niet is opgenomen;

  • -

    de rechter-commissaris tijdens het verhoor de betrouwbaarheid van de bedreigde getuige heeft onderzocht en daaromtrent in het proces-verbaal rekenschap heeft afgelegd en tevens heeft onderzocht en vastgelegd dat zich op het moment van horen (2 maart 2012) geen verklaring op naam van de NN-getuige in het dossier bevond (zoals hierna onder 8 nog wordt toegelicht);

  • -

    het dossier informatie bevat, zowel afkomstig van een andere getuige ([B], derhalve niet zijnde een anonymus) als uit forensisch-technisch onderzoek, waaraan de betrouwbaarheid van de verklaringen van NN kan worden getoetst;

  • -

    de resultaten van het verhoor van NN, gelet op de verklaringen van [B] en de bevindingen van het forensisch-technisch onderzoek, niet in beslissende of overwegende mate bewijs opleveren voor de directe betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde.

De verklaringen van NN kunnen derhalve op zichzelf voor het bewijs worden gebezigd.

6.

Betrouwbaarheid van de NN-verklaringen

De verklaring die NN op 8 april 2005 heeft afgelegd, luidt als volgt:

“De dader van de liquidatie van [A] heeft mij zelf verteld dat hij [A], in opdracht van een ander, met een vuurwapen om het leven heeft gebracht. De dader is [verdachte], hij is 41 à 42 jaar oud en hij woont in de [A-straat] in [woonplaats]. Hij woont daar samen met [B]. [B] was gevangenisbewaarster, maar zij is ontslagen nadat bekend werd dat zij een verhouding had met een gedetineerde. [verdachte] is na ontslag uit zijn detentie bij [B] ingetrokken.

[verdachte] heeft mij het volgende verteld:

In de vroege ochtend op een dag in oktober 2002 - het was nog donker - is hij naar een parkeerplaats langs een snelweg in de buurt van Eindhoven gegaan om de liquidatie uit te voeren. [verdachte] heeft toen 4 à 5 keer op die [A] geschoten met een vuurwapen. [verdachte] heeft mij niet verteld wat voor een wapen hij daarvoor heeft gebruikt. [verdachte] kennende, zal het wel een (semi-)automatisch vuurwapen zijn geweest. Een pistool, 9 mm, of zo. In ieder geval geen revolver, aangezien gebruik van een revolver kruitsporen achterlaat. [verdachte] heeft mij verteld dat het slachtoffer achter het stuur van een bestelbus zat en dat hij naar het bestuurdersportier is toegelopen. Toen het portier geopend was, stelde [A] zichzelf voor en heeft [verdachte] nog gezegd: “Ja, hallo, ik ben [verdachte]” en is vervolgens meteen gaan schieten. [A] heeft zich nog met zijn handen afgeweerd en is daarbij vermoedelijk door zijn hand geschoten. [verdachte] heeft mij niet verteld op welk deel van het lichaam van [A] hij gericht heeft. Nadat [verdachte] zich ervan vergewist had dat [A] dood was, is [verdachte] vertrokken. Hij liet [A] achter gelegen vóór of op de bijrijdersstoel van de bestelbus. [A] zat in ieder geval niet meer op de chauffeursstoel. [verdachte] heeft het portier van de bestelbus dichtgegooid.

De opdrachtgever van [verdachte] was volgens [verdachte] een man genaamd [voornaam] uit Eindhoven. [voornaam] is een blanke man van omstreeks 45 jaar en heeft zwart krullend haar, dat hij half lang draagt. [voornaam] is dik. [verdachte] heeft tegen mij gezegd dat hij 50.000 euro voor die liquidatie heeft gekregen. Hij is daarvan o.a. samen met [B] op vakantie naar Tenerife gegaan en verder zal hij er de bankrekeningen wel mee hebben aangevuld.

Tijdens zijn detentie had [verdachte] al met [voornaam] afgesproken dat hij iemand voor hem zou ‘opknappen’. Tijdens detentie kreeg [verdachte] al gelden op zijn rekening gestort door/namens die [voornaam]. Dat ‘opknappen’ zou in België moeten gebeuren en het betrof een Nederlander die vlak over de grens in België woont. Deze persoon was de organisatie van [voornaam] uit Eindhoven geld schuldig of handel en met handel bedoel ik: harddrugs. [A] is geliquideerd, maar [A] was dus eigenlijk niet de persoon die gedood moest worden. Dat begreep ik tenminste van [verdachte]. Toch heeft [verdachte] er wel geld voor gekregen, maar hoe dat dan precies zit, weet ik ook niet. Ik weet alleen van [verdachte] dat [A] niet het doelwit was.

[verdachte] heeft mij verteld dat die [voornaam] hem twee keer in detentie in Lelystad heeft bezocht, dat was omstreeks de zomer van 2002.

[verdachte] heeft mij niet verteld hoe hij op de plaats delict is gekomen. Ik neem aan met een auto maar daar hebben we het niet over gehad.

[verdachte] heeft tegen mij gezegd dat hij de liquidatie in zijn eentje heeft uitgevoerd, in opdracht van die [voornaam]. Ik denk dat [verdachte] mij het vorenstaande heeft verteld om stoer te doen. [verdachte] heeft mij verteld dat achterin de bestelbus van [A] lege vaten stonden. [verdachte] vertelde dat hij de indruk had dat [A] dacht dat die vaten gevuld moesten of zouden gaan worden.

[verdachte] heeft mij niet verteld hoe er contact is gelegd en hoe hij wist dat hij toen naar die parkeerplaats moest om de klus te klaren.

Ik heb nog wel ergens het/de telefoonnummer(s) liggen waarvan [verdachte] destijds gebruik maakte. Ik zal deze informatie aan u doen toekomen.

U vraagt mij waarom ik dit verhaal bij u anoniem wilde vertellen. Dat is omdat een onschuldige jongen is vermoord en dat zit mij niet lekker.”

De rechter-commissaris heeft in het proces-verbaal van verhoor van 8 april 2005 vastgelegd dat NN als getuige een betrouwbare indruk heeft gemaakt, omdat hij eenduidig, spontaan en zonder aarzeling heeft verklaard.

In zijn verhoor op 2 maart 2012 heeft NN verklaard dat hij op 8 april 2005 bij de rechter-commissaris de waarheid heeft gesproken. Nadat vervolgens die verklaring uit 2005 integraal aan de getuige is voorgelezen, verklaarde hij:

“Ik heb goed geluisterd en ik blijf geheel bij de inhoud van die verklaring. Er staat geen woord teveel en geen woord te weinig in: zo is het gegaan.”

De rechter-commissaris heeft in het proces-verbaal van verhoor van 2 maart 2012 vastgelegd dat hij in verband met het toetsen van de betrouwbaarheid van de bedreigde getuige, zoals bedoeld in artikel 226e Sv, een aantal vragen heeft gesteld met betrekking tot de levensloop en de persoonlijke omstandigheden van de getuige. De antwoorden op die vragen zijn niet in het proces-verbaal opgenomen in verband met de afscherming van de getuige. De rechter-commissaris heeft voorts gerelateerd dat hij de indruk heeft gekregen dat hier sprake is van een betrouwbare getuige, gelet op de wijze waarop de getuige steeds spontaan antwoord heeft gegeven op de gestelde vragen en de consistentie van die antwoorden, ook gelet op de eerdere verklaring van de getuige uit 2005.

Het hof stelt vast dat NN in zijn verklaring uit 2012 is gebleven bij zijn verklaring uit 2005 en dat hij bij beide verhoren, afgenomen door twee verschillende rechters-commissarissen, als getuige een betrouwbare indruk heeft gemaakt op de verhorende rechter-commissaris.

De verdediging heeft aangevoerd dat uit de tweede verklaring van NN blijkt dat hij in zijn eerste verklaring zelf dingen heeft verzonnen, bijgevoegd of veranderd (pleitnota mr. Ausma, punten 49-50). Het hof volgt de verdediging hierin niet. NN heeft immers meermalen verklaard dat hij bepaalde zaken, kennelijk door de rechter-commissaris daarnaar gevraagd, niet weet. Zo heeft NN in zijn verklaring van 2005 uitdrukkelijk verklaard dat de verdachte hem niet heeft verteld wat voor een wapen hij heeft gebruikt, op welk deel van het lichaam van [A] hij heeft gericht, hoe hij op de plaats delict is gekomen, hoe er contact is gelegd en hoe hij wist dat hij toen naar die parkeerplaats moest om de klus te klaren. Het hof heeft dan ook geen aanwijzingen dat NN zelf dingen heeft verzonnen, bijgevoegd of veranderd.

In het verhoor van 2012 is NN bovendien gevraagd naar zijn redenen van wetenschap. Hij verklaarde (op vraag 13 van de verdediging):

“Voordat [verdachte] mij over de moord vertelde, had ik op geen enkele wijze over die moord gehoord. Nadat [verdachte] mij alles verteld had, heb ik ook geen kennis via een of ander medi[um] omtrent deze zaak gekregen. Ik heb ook niet na het verhaal van [verdachte] op internet of zo gezocht. Wat ik tegenover de rechter-commissaris verklaard heb, wist ik dus enkel van [verdachte].”

Het hof stelt vast dat de verklaring van NN uit 2005 op meerdere onderdelen steun vindt in de bevindingen van het opsporingsonderzoek.

Daarbij stelt het hof in de eerste plaats vast dat buiten twijfel is dat NN, wanneer hij spreekt over [verdachte], de verdachte bedoelt. De politie heeft in het landelijke herkenningssysteem HKS op naam gezocht. Hieruit kwam een [verdachte] naar voren, geboren op [geboortedatum] 1961, die heeft gewoond op het door NN genoemde adres [A-straat] (57) te [woonplaats]. Op dat adres heeft in het verleden een [B] gewoond (proces-verbaal, p. 764). Met “[B]” heeft NN kennelijk [B] bedoeld. Door NN werden bovendien na het verhoor bij de rechter-commissaris in 2005 twee mobiele telefoonnummers doorgegeven die ten tijde van de moord op [A] in gebruik zouden zijn geweest bij de verdachte. Eén van die nummers kwam voor in het politiesysteem van de politie in de regio Flevoland en bleek op 7 oktober 2003 in gebruik te zijn geweest bij de verdachte, die toen betrokken zou zijn geweest bij een bedreiging/schietincident in [woonplaats] (proces-verbaal, p. 768).

NN heeft verklaard dat [verdachte] in de vroege ochtend op een dag in oktober 2002, toen het nog donker was, naar een parkeerplaats langs een snelweg in de buurt van Eindhoven is gegaan om de liquidatie uit te voeren. Deze verklaring vindt steun in het gegeven dat [A] op 8 oktober 2002 omstreeks 07:15 uur van het leven is beroofd op een parkeerplaats vlakbij de snelweg A50 in de gemeente Son nabij Eindhoven. Het hof leidt dit tijdstip af uit de tot bewijs gebezigde verklaringen van getuigen die omstreeks dat tijdstip schoten hebben gehoord en uit de op het slachtoffer verrichte temperatuurmeting.

Op 8 oktober 2002 vond de meteorologische zonsopgang om 07:52 uur plaats, voorafgegaan door 33 minuten schemer (relaasproces-verbaal Brasem 3, p. 13). Nu de schoten zijn gelost juist vóór of op het moment dat de schemering intrad (07:19 uur), moet de schutter in het donker naar de betreffende parkeerplaats zijn vertrokken.

De verklaring van NN dat de verdachte vier à vijf keer op [A] heeft geschoten, stemt overeen met het aantreffen van vijf hulzen op de plaats delict. Het hof acht dit een belangrijk gegeven, aangezien NN het aantal schoten niet uit de pers kan hebben vernomen. Omtrent het aantal keren dat is geschoten, heeft namelijk in de pers gestaan dat “het slachtoffer met twee kogels was doodgeschoten, waarvan één in het hoofd.” Het precieze aantal schoten is nooit vrijgegeven (proces-verbaal, p. 765, alsmede p. 248-249).

NN heeft verklaard dat, toen de verdachte schoot, het slachtoffer zich nog met zijn handen heeft afgeweerd en daarbij vermoedelijk door zijn hand is geschoten. Uit het sectieverslag van dr. R. Visser is gebleken dat het slachtoffer weliswaar niet door zijn hand is geschoten, maar wel dat er sprake was van een “inschot juist onder de linkeroksel” (p. 221). Het hof acht dit passend bij een situatie waarin het slachtoffer zich heeft willen afweren en daarbij zijn linkerarm in een afweerbeweging omhoog heeft gebracht met zijn handpalm richting de bij het bestuurdersportier staande aanvaller ter hoogte van zijn hoofd.

De verklaring van NN dat de verdachte van de voor de liquidatie ontvangen 50.000 euro samen met [B] op vakantie naar Tenerife is gegaan, vindt steun in het feit dat uit opgevraagde bankgegevens van [B] is gebleken dat in de periode van 28 oktober 2002 tot 13 november 2002 meerdere pintransacties hebben plaatsgevonden op Gran Canaria (proces-verbaal van bevindingen, p. 805). De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 25 juni 2012 bevestigd dat hij samen met [B] naar Gran Canaria op vakantie is gegaan. De toenmalige vriend van de dochter van [B], [F], woonde in oktober 2002 bij [B] en de verdachte in [woonplaats]. [F] heeft verklaard dat [B] en de verdachte in die periode op vakantie zijn geweest op Gran Canaria (p. 1625-1628). Het hof acht het feit dat NN heeft verklaard over Tenerife, terwijl het in werkelijkheid om Gran Canaria ging, van ondergeschikt belang, nu het in beide gevallen gaat om een Canarisch eiland.

Het hof heeft onder ogen gezien dat de verklaring van NN op enkele onderdelen niet overeenstemt met de bevindingen van het onderzoek.

Zo heeft NN verklaard dat de verdachte het slachtoffer heeft achtergelaten vóór of op de bijrijdersstoel. Uit het onderzoek is gebleken dat het slachtoffer zittend op de bestuurdersstoel werd aangetroffen. Het hof overweegt dat NN zich op dit punt kan hebben vergist in zijn weergave van hetgeen de verdachte hem heeft verteld, dan wel dat de verdachte op dit punt aan NN niet volledig heeft verklaard. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het slachtoffer na zijn dood kennelijk nog is verplaatst, aangezien hij door het hoofd is geschoten, welk schot blijkens het forensisch onderzoek niet kan zijn gelost in de positie waarin het slachtoffer werd aangetroffen (p. 1787-1788).

NN heeft verder verklaard dat de verdachte na de moord het portier van de bestelbus heeft dichtgegooid. Dit onderdeel van de verklaring behoeft niet strijdig te zijn met de omstandigheid dat het bestuurdersportier was afgesloten toen de politie de bestelbus aantrof. Het is immers voorstelbaar dat het portier op slot is gegaan of gedaan (dit laatste door het open raam) nadat het portier geopend is geweest en door de verdachte is dichtgegooid. Het hof overweegt in dit verband dat blijkens het forensisch onderzoek het heupgedeelte van de autogordel is losgemaakt nadat het slachtoffer in de hartstreek was geschoten (p. 1787-1788) en dat het slachtoffer na zijn dood kennelijk nog is verplaatst, hetgeen eenvoudiger zal zijn geweest wanneer het portier geopend was.

Voorts heeft NN verklaard dat de verdachte hem heeft verteld dat achterin de bestelbus lege vaten stonden. In de laadruimte van de bestelbus werden echter geen vaten aangetroffen. Het hof acht onvoldoende gegevens aanwezig om de (on)juistheid te toetsen van hetgeen NN heeft verklaard over hetgeen de verdachte hem op dit punt heeft verteld. Het hof overweegt in dit kader dat het bijvoorbeeld mogelijk is dat de verdachte tegen NN heeft verteld dat achterin de bestelbus vaten stonden, terwijl de verdachte zich hierin heeft vergist. Van buiten de bestelbus is namelijk niet zichtbaar wat zich al dan niet in de laadruimte bevindt, zo blijkt uit de foto’s op dossierpagina 162, en de verdachte kan op basis van een mededeling van een ander verondersteld hebben dat achter in de bus van [A] vaten stonden.

Dat uit opgevraagde en ontvangen rekeninggegevens niet is gebleken dat er grote geldbedragen werden bijgeschreven op rekeningen van de verdachte en/of [B] (pleitnota mr. Ausma punt 50), bevreemdt het hof ten slotte niet, nu het een algemene ervaringsregel is dat een beloning betaald voor het uitvoeren van een huurmoord niet op een eenvoudig traceerbare rekening wordt gestort.

Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van NN acht het hof tevens van belang of en in hoeverre deze verklaring overeenkomt met de verklaringen van de getuige [B].

De verklaringen van [B]

7.

[B] is op 5 november 2009 voor het eerst over de onderhavige zaak door de politie verhoord. Het van dat verhoor opgemaakte proces-verbaal houdt onder meer het volgende in (p. 438-441):

“Op 5 november 2009 hoorden wij, verbalisanten, in haar woning als getuige een vrouw die opgaf te zijn genaamd: [B]. Nadat wij, verbalisanten, getuige [B] hadden medegedeeld dat wij van de politie Eindhoven waren en verzochten haar te spreken, verklaarde zij: “Dan gaat het over [verdachte]”. Wij, verbalisanten, hebben dit bevestigd en vroegen haar te verklaren wat zij over [verdachte] kon verklaren. Hierop verklaarde [B] het navolgende:

Ik heb altijd geweten dat de politie ooit een keer bij mij zou komen. Ik ben zelf uit angst nooit naar de politie gegaan, maar ik wist dat dit er ooit van moest komen. Ik zal daarom ook vertellen wat ik weet. Ik hoop dat dit kan bijdragen aan het afronden van mijn verleden met [verdachte].

Ik weet van twee moorden die [verdachte] gepleegd zou hebben. Althans: dat heeft hij mij verteld. Ik ben daar niet zelf bij geweest. Het gaat dan om een moord op een Marokkaanse jongen in een busje en een moord ergens bij een restaurant in een bosrijke omgeving waarbij een scooter is gebruikt en gevonden. Die van die Marokkaanse jongen was in de buurt van Eindhoven, dus daar zal u wel voor komen. U zegt mij dat dit inderdaad het geval is en vraagt mij wat ik kan verklaren.

Ik heb van 2002 tot 2006 een relatie gehad met [verdachte]. Ik heb [verdachte] leren kennen in de P.I. in Lelystad in 2002. [verdachte] zat daar toen gedetineerd en ik werkte daar. Nadat [verdachte] was vrij gekomen, is hij bij mij in huis komen wonen. Dat was in de [A-straat] 57 in [woonplaats]. We hebben toen ook een relatie gekregen. Dat was dus in 2002. Toen u zei dat u uit Eindhoven kwam, wist ik meteen dat het om [verdachte] moet gaan dat u hier bent. Dat weet ik, omdat in Eindhoven of daar in de buurt ‘[bijnaam]’ woont. Ik ken hem goed, maar ik kom gewoon echt even niet op zijn naam. [bijnaam] regelt alles daar in de buurt van Eindhoven. [verdachte] was een loopjongen voor [bijnaam]. [bijnaam] is ongeveer 47-48 jaar. Hij had een villa net over de grens in België.

De opdracht om die Marokkaanse jongen te vermoorden had [verdachte] van [bijnaam] gekregen. Die Marokkaan was eigenlijk niet degene die ze moesten omleggen, maar degene die eigenlijk dood moest, kregen ze niet te pakken. Daarom moest die Marokkaan maar dood: als waarschuwing voor degene die eigenlijk dood moest. De Marokkaan was weer een loopjongen voor degene die eigenlijk dood moest. De reden dat die jongen vermoord moest worden, had te maken met XTC en dat ze belazerd waren.

Ik hoorde pas later van die moord van [verdachte]. Op een gegeven moment wilde [verdachte] 's avonds per se Opsporing Verzocht zien. Hij vertelde dat daar iets op kwam dat hij mij wilde laten zien. Toen werd die moord op die Marokkaanse jongen behandeld in het programma en vertelde [verdachte] dat hij dat had gedaan en vertelde er toen over. Dat was het eerste moment dat ik van de hele moord hoorde. Wat ik concreet weet van die moord, weet ik van [verdachte]. Hij heeft mij hierover zelf verteld. Wat ik weet is:

- Dat het om een Marokkaanse jongen ging die ergens begin 20 jaar oud was.

- Die jongen zat in een bestelbus.

- [verdachte] is die dag dat de moord gepleegd zou zijn op een motor weggegaan. Het was koud en ver weg en ik begreep niet waarom hij dan op de motor ging. Als hij naar Eindhoven ging, ging hij vaak met de trein.

- De moord moet zijn gepleegd op een soort van homo-ontmoetingsplaats net buiten Eindhoven.

- De jongen is neergeschoten door [verdachte]. Die jongen zat te wachten in de bestelbus. Er was een soort van wachtwoord of codezin afgesproken. (...) [verdachte] klopte op het raam en het wachtwoord of de codezin werd gezegd. Toen dat gezegd was, heeft [verdachte] die jongen neergeschoten.

- [verdachte] heeft de moord, alleen, zonder anderen, gepleegd.

- [verdachte] heeft van [bijnaam] honderdduizend euro betaald gekregen voor het plegen van die moord. [verdachte] rookte altijd filtersigaretten.

[verdachte] was helemaal paranoïde en meende dat echt overal politie zat: zelfs in de bomen. [verdachte] vertelde mij dat ik zo snel mogelijk een vakantie moest boeken ergens in een land waar we heel snel heen konden. Ook moesten we contant kunnen betalen. Ik heb toen een appartement in Gran Canaria geboekt. Ik moest ook met spoed een paspoort voor [verdachte] en mij aanvragen. Het moest allemaal binnen een week geregeld worden. [verdachte] was paranoïde en móest weg. [verdachte] heeft die vakantie betaald. Ik heb nu ook mijn paspoort erbij genomen. Daarop staat dat het is afgegeven op 10 oktober 2002. Aan de hand van die datum kan ik zeggen dat we dan naar mijn idee omstreeks 15 of 20 oktober 2002 naar Gran Canaria moeten zijn gegaan.”

Het hof constateert dat [B] spontaan - nog voordat de politie haar naar de levensberoving van [A] vroeg - is gaan verklaren toen zij vernam dat de politie uit Eindhoven haar wilde spreken.

Haar verklaring is bovendien zeer gedetailleerd en vindt steun in de verklaring van [D] d.d. 14 november 2009 (p. 1587):

“Ik ben de partner van [B]. (…) Eind vorig jaar had ik een klusje in Eindhoven en toen is [B] meegereden naar Eindhoven. Onderweg naar Eindhoven begon [B] spontaan te vertellen dat haar ex [verdachte] iemand omgelegd had. [B] vertelde dat [verdachte] dit in opdracht had gedaan van iemand genaamd [bijnaam]. Dit kwam allemaal naar boven omdat wij naar Eindhoven reden en [B] daar vaker was geweest samen met [verdachte]. Op het moment dat zij dat vertelde, zag ik de angst in haar gezicht.”

Deze verklaring van [D] houdt in dat [B] reeds eind 2008 tijdens een rit naar Eindhoven spontaan heeft verteld dat de verdachte iemand in opdracht van [bijnaam] had “omgelegd”.

De verklaring van [B] over hetgeen de verdachte heeft gezegd tijdens de uitzending van Opsporing Verzocht vindt voorts steun in de verklaring van de verdachte bij de politie d.d. 20 mei 2010 (p. 596):

“Op een gegeven moment zitten wij naast elkaar Opsporing Verzocht te kijken, komt die moordzaak. (…) Kijkt ze me aan (…), zegt ze: oh, nou weet ik wat jij daar doet. Heb ik zoiets gezegd, weet ik niet meer precies van, als je dat maar weet, dan weet je ook dat je nooit vervelend moet zijn tegen me, want anders kom jij ook aan de beurt. En je moet er niet over praten, want dan... weet je, zoiets in ieder geval.”

[B] heeft verklaard dat de moord moet zijn gepleegd op een soort homo-ontmoetingsplaats net buiten Eindhoven. De politie heeft gerelateerd dat de plaats delict inderdaad een zogenaamde homo-ontmoetingsplaats is (proces-verbaal van relaas, p. 112). Dit gegeven is niet genoemd in de uitzending van Opsporing Verzocht (proces-verbaal van bevindingen, p. 248-249).

Op 8 november 2009 heeft [B] bij de politie verklaard (p. 447):

“Over wat ik weet over de moord is dat er waarschijnlijk in ieder geval drie keer geschoten is. [verdachte] zei altijd dat je minimaal drie keer moest schieten: voor de zekerheid. Dat iemand zeker dood was. Het was twee keer bij het hart en één keer in het hoofd, of net andersom (…). “Zekerheid voor alles,” zei [verdachte] altijd. Ik weet dus niet of dat specifiek bij die Marokkaan (…) ook zo is gegaan, maar dat van die drie keer schieten was wat [verdachte] altijd zei. Het is zijn lijfspreuk.”

Deze verklaring - die niet kan zijn ingegeven door berichten in de pers, aangezien daarin is gemeld dat het slachtoffer met twee kogels is doodgeschoten, waarvan één in het hoofd - past naar het oordeel van het hof bij de sectiebevindingen dat het slachtoffer tweemaal in zijn bovenlichaam is geschoten, waarvan eenmaal in de hartstreek, en eenmaal in het hoofd.

Een ander opvallend gegeven dat de betrouwbaarheid van de verklaring van [B] ondersteunt, is dat zowel zij als haar huisgenoot in die tijd, haar toenmalige schoonzoon [F], beiden verklaren dat verdachte in de periode kort na 8 oktober 2002 paranoïde werd en meende dat er echt overal politie zat, zelfs in de bomen ([F], p. 1625-1628).

Tot slot overweegt het hof dat [B] op 14 september 2010 als getuige is gehoord door de rechter-commissaris, waarbij de verdediging - de verdachte heeft het verhoor via een videoverbinding gevolgd en heeft nog tijdens het verhoor overleg gehad met zijn raadsman - in de gelegenheid is geweest deze getuige direct te ondervragen en haar betrouwbaarheid op de proef te stellen.

Geen dubbeltelling

8.

NN heeft in zijn verhoor van 2 maart 2012 verklaard dat hij in de onderhavige zaak nooit een verklaring op naam heeft afgelegd en voorts dat hij nooit met [B] over deze zaak heeft gesproken. De rechter-commissaris heeft in het proces-verbaal van dat verhoor opgemerkt dat hij heeft geconstateerd dat er zich in het dossier geen verklaring op naam van NN bevindt.

Het hof constateert aldus dat er ten aanzien van de verklaring van NN geen sprake is van een zogenaamde dubbeltelling. Voorts staat vast dat, nu NN en [B] niet dezelfde persoon zijn, sprake is van twee afzonderlijke getuigen die ieder voor zich hebben verklaard dat de verdachte tegen hem/haar heeft bekend [A] van het leven te hebben beroofd.

Overeenkomsten tussen de verklaringen van de getuigen NN en [B]

9.

Tussen de verklaringen van de NN-getuige en [B] bestaan vele overeenkomsten op essentiële punten, te weten:

  • -

    de verdachte handelde in opdracht van een ander tegen geldelijke betaling;

  • -

    de verdachte handelde alleen;

  • -

    het slachtoffer zat te wachten in een bestelbus ergens net buiten Eindhoven;

  • -

    nadat de verdachte zich jegens het slachtoffer kenbaar had gemaakt, heeft de verdachte het slachtoffer doodgeschoten;

  • -

    het slachtoffer was niet degene die eigenlijk gedood moest worden;

  • -

    na de moord is de verdachte op vakantie gegaan.

Deze overeenkomsten zijn een belangrijke aanwijzing voor de betrouwbaarheid van deze beide verklaringen, temeer nu een aantal van deze overeenkomsten de NN-getuige en [B] niet bekend konden zijn uit de media.

Zowel NN als [B] heeft verklaard dat [A] niet het eigenlijke doelwit was; het was oorspronkelijk de bedoeling iemand anders te doden. Deze moord gold als waarschuwing voor die andere persoon. Voor de NN-getuige was het feit dat een onschuldige jongen was vermoord de reden om een getuigenis af te willen leggen.

Zowel NN als [B] heeft verklaard dat de verdachte [A] heeft gedood in opdracht van een ander en tegen een geldelijke beloning.

NN heeft een bedrag van 50.000 euro genoemd; [B] een bedrag van 100.000 euro. Dit is op zichzelf een in het oog springend verschil. Het hof stelt echter vast dat [B] in een later verhoor heeft verklaard dat de verdachte een beloning van “100.000 gulden of euro” heeft ontvangen (bij de rechter-commissaris op 14 september 2010). Het hof ziet hierin, mede in aanmerking genomen dat in 2002 de overgang van de gulden naar de euro plaatsvond, een mogelijke verklaring voor het verschil tussen het door NN genoemde bedrag en het aanvankelijk (in 2009) door [B] genoemde bedrag.

Zowel NN als [B] heeft over een vakantie gesproken van de verdachte en [B] naar een Canarisch Eiland vlak na de moord op [A]. Dat ze daarbij niet over hetzelfde eiland spreken, doet naar het oordeel van het hof, zoals hiervoor reeds overwogen, geen afbreuk aan die overeenkomst.

Conclusie ten aanzien van betrouwbaarheid van NN en [B]

10.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen onder 6 tot en met 9 is het hof van oordeel dat de tot bewijs gebezigde verklaringen van NN en [B] betrouwbaar zijn. Bij dit oordeel betrekt het hof ook hetgeen hierna wordt overwogen onder 11. Daaruit blijkt dat hun verklaringen steun vinden in objectief bewijsmateriaal (de aangetroffen sigarettenpeuk) voor de aanwezigheid van de verdachte in de nabijheid van de plaats delict omstreeks het tijdstip van de moord.

De aangetroffen sigarettenpeuk

11.

Zoals hiervoor overwogen, werd het slachtoffer op 8 oktober 2002 omstreeks 07.15 uur doodgeschoten, trad de schemering die dag in om 07.19 uur en kwam de zon op om 07.52 uur. Diezelfde dag omstreeks 08.40 uur werd het lichaam van het slachtoffer in de bestelbus aangetroffen door een politiesurveillance. Bij een aansluitend verricht onderzoek op en rondom de plaats delict werd een sigarettenpeuk aangetroffen. De sigaret was tot het filter opgebrand waarbij de askegel nog aan het filter zat. De peuk is aangetroffen in het gras direct naast een pad (p. 14 van het proces-verbaal van forensisch-technisch onderzoek d.d. 20 oktober 2002, doorlopende bladzijdenummering p. 179). In tegenstelling tot op de parkeerplaats aanwezige sigarettenpeuken, was deze peuk op het moment van aantreffen kennelijk nog droog (p. 1799-1800). De afstand tussen de peuk en de bestelbus is door de politie volgens twee routes gemeten. Afhankelijk van de gevolgde route, bedroeg de afstand tussen de peuk en het linker voorportier van de bestelbus waarin het slachtoffer zat, ongeveer 44 meter (gerekend langs de kortste lijn van vindplaats naar bus), dan wel ongeveer 57 meter (gerekend langs de haakse bocht van de vindplaats langs een bosschage naar de bus).

Op de peuk werd een DNA-spoor aangetroffen waarvan het profiel overeenkomt met dat van de verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon overeenkomt met het DNA-profiel van het spoor op de peuk is kleiner dan één op één miljard.

Uit gegevens van het KNMI blijkt dat er in de periode van 7 oktober 2002 om 08.45 uur tot 8 oktober 2002 om 08.45 uur meerdere buien zijn gevallen. De laatste bui viel op 7 oktober 2002 van circa 19.40-20.20 uur.

Uit het voorgaande concludeert het hof dat de verdachte een sigaret heeft gerookt en deze heeft weggegooid op de plaats waar die werd aangetroffen. Gelet op de aanwezige askegel en laatste neerslag moet de peuk tussen 7 oktober 2002 omstreeks 20.20 uur (laatste bui) en 8 oktober 2002 omstreeks 08.40 uur (arriveren van de politie) door de verdachte zijn weggegooid.

De verdachte heeft echter aangevoerd dat er geen verband bestaat tussen de ten laste gelegde levensberoving van [A] en het aantreffen van de peuk. Hij heeft gesteld dat de peuk ter plaatse terecht moet zijn gekomen, doordat hij die heeft weggegooid nadat hij daar in de vroege ochtend van 8 oktober 2002 samen met [C] heeft gejogd.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft in zijn eerste verhoor bij de politie op 23 februari 2010 verklaard nooit ter plaatse te zijn geweest (p. 491). Pas tijdens zijn vijfde politieverhoor op 20 mei 2010, de dag nadat [C] bij hem in detentie op bezoek was geweest, heeft hij voor het eerst verklaard dat hij daar heeft gejogd (p. 590 en 594).

[C] heeft in zijn politieverhoor van 20 mei 2010, op een moment waarop voor hem nog niet duidelijk was wat de relevantie was van het tijdstip waarop hij met de verdachte ter plekke zou hebben gejogd, als volgt verklaard (p. 738-739):

“Als wij gingen lopen dan was dat ’s middags, omdat [verdachte] niet zo’n vroege vogel was. (…) U vraagt mij nu of ik mij kan herinneren dat ik daar, al dan niet samen met [verdachte], bij die vijver heb gelopen terwijl daar veel politie aanwezig was, zoals u zei in verband met die moord. Nee, ik heb daar nooit rondgelopen terwijl daar een hoop politie was.”

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat [C] en hij daar ooit ’s avonds gelopen hebben en dat hij ’s avonds niet in staat was te lopen (p. 594), dat hij zich niet kan herinneren dat hij heeft gezien dat het parkeerterrein door de politie was afgezet (p. 597), dat als [C] en hij gingen joggen, dit ’s morgens was (p. 589) en dat zij minimaal een uur onderweg waren (p. 626).

Aangezien de parkeerplaats vanaf 08.40 uur was afgezet door de politie, moeten [C] en de verdachte uiterlijk omstreeks 07.40 uur zijn begonnen met joggen.

In aanmerking genomen dat [C] heeft verklaard dat het lopen altijd ’s middags plaatsvond en voorts dat de verdachte is begonnen met te verklaren dat hij nooit op de plaats delict was geweest, dat hij op 20 mei 2010 heeft verklaard dat zij afspraken om te joggen tussen 8 en 9 uur ’s morgens (p. 594), dat hij op 21 mei 2010 spreekt van 9 uur, half 10 (p. 627), en dat hij ter terechtzitting in hoger beroep van 19 maart 2014 heeft verklaard dat zij nooit in het donker gingen joggen, acht het hof niet aannemelijk geworden dat de verdachte in de vroege ochtend van 8 oktober 2002 daar aanwezig is geweest om te joggen.

De verdachte heeft daarom naar het oordeel van het hof geen geloofwaardige ontlastende verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid zeer dicht bij de plaats delict in de vroege ochtend van 8 oktober 2002.

Voorbedachte raad

12.

Uit de verklaringen van NN en [B] blijkt dat er sprake is geweest van een zogenaamde liquidatie. Inherent aan een dergelijke levensberoving is het planmatige karakter ervan.

De verdachte is in opdracht van een ander en tegen betaling van een geldbedrag, voorzien van een vuurwapen, naar de plaats delict gereden, waar kennelijk een vooraf gearrangeerde ontmoeting tussen de verdachte en [A] heeft plaatsgevonden. De verdachte heeft het slachtoffer vervolgens benaderd en aangesproken en hem ter uitvoering van zijn voorgenomen plan doodgeschoten.

Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Alternatief scenario en verzoeken van de verdediging

13.

De verdediging heeft - op gronden als verwoord in de pleitnota van mr. De Rooij - betoogd dat er een alternatief scenario bestaat, kort gezegd inhoudende dat niet de verdachte maar [E] het slachtoffer [A] van het leven heeft beroofd. De verdediging heeft in dit verband bij pleidooi verzocht het dossier “Noordzee”, betreffende het onderzoek naar de moord op [E], aan de processtukken van de onderhavige zaak te doen toevoegen. Daartoe is aangevoerd dat kennisneming van het dossier “Noordzee” zou kunnen leiden tot het formuleren van nadere onderzoekswensen en tot het afwaarderen van de verdenking die tegen de verdachte bestaat. Voorts is bij pleidooi verzocht de politieambtenaren [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen te horen.

Het hof overweegt als volgt.

De verdediging heeft reeds eerder tijdens de behandeling van deze zaak in hoger beroep verzocht om toevoeging van het dossier “Noordzee” aan de processtukken van de onderhavige zaak en om het horen van de twee genoemde politieambtenaren. Het hof herhaalt hier allereerst hetgeen het ter terechtzitting van 14 oktober 2013 naar aanleiding van deze verzoeken heeft overwogen (p. 7 van het proces-verbaal van de onderbroken terechtzitting van 2 en 14 oktober 2013):

“Het verzoek om het onderzoeksmateriaal (inclusief de onderzoeksjournaals van de politie) betreffende de moord op [E] (onderzoek “Noordzee”) toe te voegen aan de processtukken wordt door het hof afgewezen, aangezien het hof hiertoe geen noodzaak ziet. Immers er zijn geen concrete feiten of omstandigheden gesteld of gebleken dat in het dossier (inclusief het onderzoeksjournaal) van het onderzoek naar de moord op [E] aanknopingspunten zijn te vinden die van belang zijn voor het onderhavige onderzoek naar de gewelddadige dood van [A].

(…)

Het verzoek om als getuigen te horen de CIE-runners van [E], te weten de politieambtenaren [getuige 1] en [getuige 2], wordt door het hof afgewezen, aangezien het hof hiertoe geen noodzaak ziet. Immers er zijn geen concrete feiten of omstandigheden gesteld of gebleken – ook niet in de verklaring van getuige [getuige 3] bij de raadsheer-commissaris op 26 augustus 2013 – dat de runners van [E], indien al sprake is van zulke runners, beschikken over relevante informatie omtrent de gewelddadige dood van [A].”

In aanvulling daarop overweegt het hof dat in het pleidooi van de verdediging ter terechtzitting van 19 maart 2014 naar het oordeel van het hof geen concrete feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht die aanleiding geven thans anders te oordelen.

Voorts neemt het hof in aanmerking dat in de loop van het politieonderzoek naar de levensberoving van [A] meerdere alternatieve scenario’s door de politie zijn onderzocht, hetgeen niet heeft geleid tot concrete en betrouwbare bewijzen tegen een of meer andere daders dan de verdachte. Ten aanzien van het verzoek tot het horen van [getuige 1] en [getuige 2] neemt het hof tevens in aanmerking zij reeds door de politie zijn gehoord (zie p. 1709, 1726, 1729 en 1732).

Ten slotte overweegt het hof dat het door de verdediging gepresenteerde alternatieve scenario zijn weerlegging vindt in de door het hof betrouwbaar geachte inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. In dit verband is van belang dat de verdachte de enige persoon is die door forensisch-technisch bewijs in verband kan worden gebracht met plaats en tijdstip van de moord op [A].

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht en wordt gekwalificeerd als:

Moord.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord. Dit behoort tot de ernstigste delicten die het Wetboek van Strafrecht kent. Het opzettelijk en met voorbedachten rade benemen van iemands leven is immers de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed. Het strafmaximum van moord bedroeg ten tijde van het ten laste gelegde een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf voor de duur van ten hoogste twintig jaren.

Uit de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, volgt reeds dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van zeer aanzienlijke duur met zich brengt.

Bij de bepaling van de duur van de op te leggen straf heeft het hof ten nadele van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat het bewezen verklaarde feit het karakter van een koelbloedige liquidatie draagt: er is sprake van een zogenaamde huurmoord. De verdachte treft het ernstige verwijt dat hij het leven van een ander welbewust heeft opgeofferd uit zelfverrijking.

Door de brute en brutale wijze waarop het slachtoffer van het leven is beroofd, heeft de verdachte de rechtsorde ernstig geschokt en de nabestaanden groot en onherstelbaar leed toegebracht. Dit laatste blijkt op indringende wijze uit het ook in hoger beroep uitgeoefende spreekrecht door een zus van het slachtoffer.

Het hof houdt voorts rekening met de omstandigheid dat uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 januari 2014 blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk tot langdurige gevangenisstraffen werd veroordeeld ter zake van vermogensdelicten waarbij geweld is gebruikt.

Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel, oordeelt het hof dat het bewezen verklaarde de verdachte volledig kan worden toegerekend. Ook overigens is het hof bij het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken van strafverlagende omstandigheden.

Op grond van het voorgaande acht het hof de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden. Oplegging van die straf is aangewezen, zowel uit oogpunt van vergelding als uit oogpunt van beveiliging van de maatschappij.

Het hof zal de verdachte daarom veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. N.J.M. Ruyters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 2 april 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Hilverda is buiten staat dit arrest te ondertekenen.