Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:942

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
HD 200.133.657-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding.

Samenwerkingsovereenkomst in het speciaal onderwijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.133.657/01

arrest van 1 april 2014

in de zaak van

Stichting Mutsaersstichting,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. R.A.F. Willems te 's-Hertogenbosch,

tegen

Stichting Speciaal Onderwijs Noord- en Midden-Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. S.J.T. ten Have te [vestigingsplaats],

op het bij exploot van dagvaarding van 4 september 2013 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen vonnis van 7 augustus 2013 tussen principaal appellante – Mutsaersstichting – als één van de gedaagden en principaal geïntimeerde – SSO – als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/04/124201/KG ZA 13-150)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

- de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel met producties;

- de memorie van antwoord in incidenteel appel met producties;

- het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;

- de bij H12-formulier van 20 januari 2014 door de Mutsaersstichting toegezonden producties, die zij bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de appeldagvaarding en de memorie van grieven in incidenteel appel.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

a. a) SSO is een stichting gericht op speciaal onderwijs. Een van de scholen van SSO is VSO De Velddijk, waarin op een van de Mutsaersstichting gehuurd terrein aan de [perceel] te [vestigingsplaats] onderwijs en begeleiding wordt gegeven aan jongeren van 12 tot en met 20 jaar met een (ernstige) gedragsstoornis en/of psychische problematiek. Deze school biedt ruimte aan 40 tot 45 leerlingen. Het betreft veelal residentiële jeugdigen van de Mutsaersstichting.

De Mutsaersstichting is een stichting gericht op o.a. geestelijke gezondheidszorg.

De Wijnberg is een stichting gericht op speciaal onderwijs, en geeft onderwijs aan kinderen in de leeftijd van 4 tot 13 jaar met voornamelijk ernstige gedrags- en psychische problematiek.

Ook de Mutsaersstichting en de Wijnberg zijn gevestigd aan de [perceel] te [vestigingsplaats].

b) De Mutsaersstichting, SSO en de Wijnberg hebben op 15 augustus 1996 een overeenkomst gesloten genaamd: ‘Samenwerkingsovereenkomst “Dislokatie De Velddijk” (prod. 2 inl. dgv; hierna aangeduid met: de 1996-overeenkomst).

De tekst van deze overeenkomst luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

Besluiten:
3.1 een dislokatie van De Velddijk te realiseren en in stand te houden op het terrein van de Mutsaersstichting in de aldaar gevestigde Wijnbergschool;
3.2 in de aldaar gevestigde dislokatie het onderwijs aan jeugdigen ouder dan 12 jaar, mits zij toe zijn aan VSO-onderwijs gelet op de ontwikkelingsleeftijd, die zijn aangewezen op behandeling door de Mutsaersstichting te laten verzorgen door groeps-/vakleerkrachten van De Velddijk.
Ervan uitgaande:
(…)
4.2 dat de dislokatie De Velddijk in principe een toelatingsverplichting heeft voor jeugdigen die de Mutsaersstichting aanmeldt. De toelating vindt plaats in onderlinge samenspraak.
(…)
En komen overeen:
Naam:
5.1 met ingang van heden een samenwerkingsverband te vormen voor het waarborgen van het onderwijs aan jeugdigen ouder dan 12 jaar, mits zij toe zijn aan VSO-onderwijs gelet op de ontwikkelingsleeftijd, die in behandeling zijn bij de Mutsaersstichting;
5.2 het samenwerkingsverband heet: “Dislokatie De Velddijk”.
(…)
Duur:
7.1 de overeenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd;
7.2 opzegging van de overeenkomst kan geschieden door elk van de participanten met inachtneming van een opzegtermijn van dertien maanden voor aanvang van een nieuw schooljaar;
7.3 de opzegging dient schriftelijk met opgaaf van redenen te gebeuren door middel van aangetekend schrijven aan de andere participant’.

c) Op 19 mei 2003 hebben Stichting Zorgcircuits/Mutsaersstichting en SSO een overeenkomst gesloten, eveneens genaamd ‘Samenwerkingsovereenkomst “Dislokatie De Velddijk” (prod. 3 inl. dgv; hierna aangeduid met: de 2003-overeenkomst).

De tekst van deze overeenkomst luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

Komen overeen:

dat deze overeenkomst heet “Samenwerkingsovereenkomst”

dat hiermee de Samenwerkingsovereenkomst van 15 augustus 1996 komt te vervallen

dat onderwijs gegeven wordt op het terrein van de Mutsaersstichting

dat iedere patiënt/cliënt die in de Mutsaersstichting wordt geplaatst en op wie qua leeftijd de leerplichtwet van toepassing is, gedurende de periode van behandeling ook ingeschreven wordt als leerling van De Velddijk. De gevolgen van schommelingen van het aantal leerlingen binnen een schooljaar worden besproken in het overleg met de directeur van de school en de betreffende manager en worden zo mogelijk oplossingen gerealiseerd.

dat de Mutsaersstichting en De Velddijk voorzien in een gezamenlijke en geïntegreerde handelingsplanning (vanuit zowel de behandel- als de onderwijsverantwoordelijkheid) en zorgen voor samenwerking en afstemming bij de realisatie ervan.
(…)

LOOPTIJD, EVALUATIE WIJZIGING, EN OPZEGGING:
De overeenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd (…)

De samenwerkingsovereenkomst eindigt:
* met goedvinden van alle participanten;
* in geval een uitspraak, van een aangestelde derde persoon inz. een geschil, leidt tot een fundamentele wijziging van de overeenkomst;
* door de ontbinding van een participant;
* door gewijzigde wetgeving, waardoor het bestaansrecht van een van de participanten of onderdelen daarvan zou verdwijnen:

Partijen treffen voorafgaand in overleg voorzieningen om de gevolgen van de opzegging van de overeenkomst zo goed mogelijk op te kunnen vangen. In onderling overleg zal bijgedragen worden in eventuele kosten die voortvloeien uit de opzegging’.

d) Op 24 mei 2007 hebben de Mutsaersstichting, SSO en de Wijnberg een intentieverklaring gesloten, genaamd: “Intentieverklaring Alliantie onderwijs en zorg “Op weg naar integratie van dienstverlening” (prod. 4 inl. dgv; hierna aangeduid met: de Intentieverklaring 2007).

De tekst van deze verklaring luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

dat zij een alliantie gaan vormen die leidt tot een aanbod voor kinderen en jongeren met psychiatrische en gedragsproblemen én hun opvoeders.
Het integrale aanbod richt zich op het realiseren van een full service concept.
In de alliantie krijgen de cliënten specialistische diensten aangeboden.
Deze worden niet alleen in samenhang aangeboden maar zijn ook afgestemd op de diverse levensterreinen van de cliënten.
(…)
Dit alles overwegende besluiten de partijen dat:
- er geen nieuwe samenwerkingsrelaties aangegaan worden dan eerst nadat die in de alliantie zijn besproken; (…)’.

Onderdeel van de Alliantie was het in nieuwbouw vestigen van een Kennis- en Expertisecentrum (KEC) aan de [perceel] te [vestigingsplaats].

e) Op 12 september 2012 is een (nadere) Intentieovereenkomst gesloten (prod. 5 pleitnota de Mutsaersstichting in eerste aanleg), waarin partijen onder de daarin overeengekomen voorwaarden afspreken de mogelijkheden te onderzoeken om te komen tot een overeenkomst op het gebied van de totstandbrenging van een fysieke regionale multifunctionele voorziening op de [perceel] te [vestigingsplaats] en op het gebied van de daaruit voortvloeiende samenwerking.

f) Omstreeks de tweede helft van 2012 is wrijving ontstaan tussen de Mutsaersstichting, SSO en de Wijnberg. Een verzoek van partijen van 12 september 2012 aan B&W van Venlo om in het kader van de alliantie en de beoogde nieuwbouw van De Wijnberg en De Velddijk op de [perceel] te [vestigingsplaats] een bouwvoorbereidingskrediet beschikbaar te stellen voor het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek is daarom door B&W aangehouden (brief gemeente van 30 november 2012; prod. 8 pleitnota de Mutsaersstichting in eerste aanleg).

Op 18 maart 2013 heeft een bespreking plaatsgevonden. Het verslag daarvan (prod. 13 SSO) luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

Bespreking voorzitters RvT en CvB Mutsaersstichting – Stichting Speciaal Onderwijs NML
(…)
2 Herijken Alliantie
Voorstel 1
Ambities terugbrengen naar praktisch samenwerken op medewerkersniveau, in openheid en met respect voor elkaars kwaliteiten, zorgvuldig en gericht op de beste resultaten voor het kind, waar nodig gefaciliteerd door leidinggevenden.
Akkoord.
Voorstel 2
Praktische samenwerking nader beschrijven en naar elkaar vastleggen.
Akkoord; beide CvB zullen dit uitwerken.

Samenwerking Wijnberg-Velddijk-Mutsaersstichting

Voorstel 1
Beëindiging gezamenlijke nieuwbouwplannen Velddijk/Wijnberg/Mutsaersstichting
Akkoord
Voorstel 2
Continueren huidige samenwerking en dependance VSO Velddijk op terrein Mutsaersstichting.
Akkoord
(…)’.

g) Na de bespreking van 18 maart 2013 heeft de Mutsaersstichting nog 19 leerlingen naar De Velddijk doorgestuurd. Vanaf de aanvang van schooljaar 2013/2014 bezochten (nagenoeg) geen cliënten van de Mutsaersstichting als leerling de school De Velddijk van SSO.

h) SSO heeft in eerste aanleg zowel de Mutsaersstichting als de Wijnberg in kort geding gedagvaard. In hoger beroep is alleen het geschil tussen de Mutsaersstichting en SSO aan het hof ter beoordeling voorgelegd.

SSO vordert in het geschil met de Mutsaersstichting als volgt:

I. de Mutsaersstichting te veroordelen om de samenwerkingsovereenkomst d.d. 19 mei 2003 en de intentieverklaring d.d. 24 mei 2007 en daarmee verband houdende c.q. daaruit volgende overeenkomsten na te komen, meer specifiek dat zij haar cliënten vanaf de leeftijd van 13 jaar weer bij de Velddijk-school aanmeldt, een en ander totdat in een bindend advies procedure of in een bodemprocedure anders wordt beslist;

II. de Mutsaersstichting te verbieden om, direct of indirect, mededelingen aan derden

te doen met de strekking dat:

a) de Velddijk-school gaat sluiten;

b) er sprake is van een gebrek aan onderwijskwaliteit bij SSO/De Velddijk-school;

c) er sprake is van onvoldoende opnamecapaciteit en wachtlijsten bij de Velddijk-school;

d) de samenwerking tussen partijen zou zijn geëindigd;

dan wel mededelingen te doen die op andere wijze onrechtmatig zijn jegens SSO, diens directie en diens organisatie en alle daarbij betrokkenen;

III. de Mutsaersstichting te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan alle ouders/verzorgers van de (oud)leerlingen van de Velddijk-school een brief te sturen alsmede melding te maken op de websites van gedaagden -en daarvan een uitdraai/afschrift te doen toekomen aan de advocaten van SSO- met de in het petitum van de dagvaarding opgenomen tekst, dan wel een tekst die de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht.

IV. de Mutsaersstichting te veroordelen om het onder I tot en met III vermelde na te komen op straffe van verbeurte van een dwangsom ad € 15.000,-- voor iedere overtreding en voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de Mutsaersstichting in strijd handelt met het onder I tot en met III. vermelde, een en ander totdat in een bindend advies procedure of in een bodemprocedure anders wordt beslist,

V. de Mutsaersstichting te veroordelen tot betaling van een voorschot op de vergoeding van de door SSO geleden en nog te lijden schade ten bedrage van € 50.000,00;

VI. de Mutsaersstichting te veroordelen tot een of meer voorlopige voorzieningen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren op straffe van verbeurte van een dwangsom;

VII. de Mutsaersstichting te veroordelen in de kosten van deze procedure.

i. i) In zijn thans bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad, de Mutsaersstichting veroordeeld om de wijze van aanmelding van cliënten door de Mutsaersstichting bij De Velddijk te laten blijven geschieden op de wijze zoals vervat in de samenwerkingsovereenkomst van 19 mei 2003, met dien verstande dat het moet gaan om personen vanaf 13 jaar oud en op de wijze zoals dat in de praktijk in de laatste jaren is geschied, op straffe van een dwangsom van € 5.000,= voor iedere overtreding hiervan, met een maximum van € 100.000,=.

De Mutsaersstichting is daarbij veroordeeld in de proceskosten van SSO.

Het meer of anders gevorderde heeft de voorzieningenrechter afgewezen.

in principaal en incidenteel appel

4.2.1

Met haar eerste drie grieven in principaal appel komt de Mutsaersstichting, naar de kern genomen, op tegen haar veroordeling door de voorzieningenrechter tot nakoming van de samenwerkingsovereenkomst op straffe van een dwangsom.

SSO komt in incidenteel appel met haar grieven A, B en C op tegen enkele overwegingen, die de voorzieningenrechter aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd.

Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

Inhoud verbintenis de Mutsaersstichting

4.2.2

Naar aanleiding van deze grieven in het principaal en incidenteel appel stelt het hof het volgende voorop.

Partijen werken sinds 1996 met elkaar samen, aanvankelijk onder de 1996-overeenkomst en later onder de 2003-overeenkomst. Daarnaast hebben partijen in de Intentieverklaring 2007 en de Intentieovereenkomst 2012 nadere doelen gesteld. Een belangrijk aspect van de samenwerking sinds 1996 was dat de Mutsaersstichting bij haar onder behandeling zijnde jongeren doorgeleidde naar SSO voor het volgen van speciaal onderwijs. SSO omschrijft dit als volgt (zie onder meer mva in principaal appel, blz. 26 no. 83): “Indien het wenselijk [was] dat een patiënt/cliënt die in de Mutsaersstichting werd geplaatst ook gebruik maakte van de module onderwijs, dan werd dit geboden door de Velddijkschool (voor kinderen vanaf 13 jaar)”. De Mutsaersstichting bestrijdt dit op zich niet, maar voert in hoger beroep aan dat zij niet kon bepalen dat de leerling bij De Velddijk werd ingeschreven omdat dat de bevoegdheid van de ouders was. Dat neemt naar het oordeel van het hof niet weg dat er ingevolge de tussen partijen geldende overeenkomst via de Mutsaersstichting op de Dislokatie De Velddijk jarenlang een gestage stroom van leerlingen werd ingeschreven. De wijze waarop partijen over en weer jegens elkaar handelden werd ingevuld door de 1996-overeenkomst en de 2003-overeenkomst en nadere uitdrukkelijke of stilzwijgende afspraken onder meer in de Intentieverklaringen. Aan deze gestage stroom van leerlingen heeft de Mutsaersstichting in juni/juli 2013 eenzijdig en zonder overleg een einde gemaakt zonder dat de 2003-overeenkomst, of het daarop betrekking hebbende onderdeel van de overeenkomst, was beëindigd.

4.2.3

Ter rechtvaardiging van deze handelwijze voert de Mutsaersstichting in grief 1 primair aan dat zij, kort gezegd, ouders niet kan verplichten hun kind in te schrijven op de Dislokatie De Velddijk.

Het hof is van oordeel dat dit niet eraan in de weg staat dat partijen de facto jarenlang hebben samengewerkt met als resultaat de gestage stroom aan op de Velddijk ingeschreven leerlingen. Naar het voorlopig oordeel van het hof brachten de – uit voormelde schriftelijke afspraken en nadere uitdrukkelijke of stilzwijgende afspraken voortvloeiende – verplichtingen van de Mutsaersstichting niet met zich dat zij ervoor moest instaan dat individuele leerlingen ook daadwerkelijk op de Dislokatie De Velddijk werden ingeschreven, maar de verbintenis van de Mutsaersstichting bestond wel onder meer daarin dat zij zich diende in te spannen om die inschrijving bij de Dislokatie De Velddijk te bevorderen. Op die wijze hebben partijen jarenlang samengewerkt totdat de Mutsaersstichting in juni/juli 2013 stopte met de uitvoering van deze verbintenis. Daarmee komt de Mutsaersstichting haar verplichtingen jegens SSO ten onrechte niet meer na.

Beëindiging samenwerking KEC

4.2.4

De Mutsaersstichting heeft zich er voorts op beroepen dat SSO de samenwerking ten behoeve van de totstandbrenging van het KEC had beëindigd. Naar het voorlopig oordeel van het hof rechtvaardigt deze enkele omstandigheid niet dat de Mutsaersstichting stopte met het uitvoering geven aan haar overige verplichtingen uit de samenwerking tussen partijen, in het bijzonder haar verbintenis zoals hiervoor in r.o. 4.2.2/4.2.3 is omschreven.

Een duidelijke contra-indicatie voor dit standpunt van de Mutsaersstichting is de bespreking van 18 maart 2013 tussen de voorzitters RvT en CvB Mutsaersstichting – Stichting Speciaal Onderwijs NML. Tijdens die bespreking is het voorstel 2 akkoord bevonden, dat luidde:

“Continueren huidige samenwerking en dependance VSO Velddijk op terrein Mutsaersstichting’.

Aanvankelijk is de Mutsaersstichting ook na deze bespreking haar in r.o. 4.2.2/4.2.3 omschreven verplichting ten opzichte van SSO nagekomen om daar vervolgens na enkele maanden mee te stoppen. Uit genoemd voorstel 2 en de overige tijdens de bespreking akkoord bevonden voorstellen blijkt geenszins dat partijen het voornemen hadden hun verdere samenwerking te beëindigen. In ieder geval is die samenwerking toen niet in onderling overleg beëindigd.

Schuldeisersverzuim

4.2.5

Evenmin komt de Mutsaersstichting een opschortingsrecht toe in verband met het door haar in grief 1 meest subsidiair gestelde schuldeisersverzuim van SSO. De daaraan door de Mutsaersstichting ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden zijn door SSO betwist. Daar komt bij dat niet of onvoldoende is gebleken dat de thans door de Mutsaersstichting geuite klachten eerder aan een verantwoorde samenwerking tussen partijen in de weg stonden. En overigens leent de behandeling van de procedure in kort geding zich niet voor een uitgebreid onderzoek naar de feiten.

Voor zover de Mutsaersstichting op de aan het gestelde opschortingsrecht ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden haar beroep op ontbinding baseert, faalt het nu niet althans onvoldoende is gebleken dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming van SSO (die ontbinding rechtvaardigt).

De gestelde feiten en omstandigheden leveren evenmin voor de Mutsaersstichting een rechtvaardiging op om haar verplichtingen jegens SSO niet na te komen. Verder is voorshands niet gebleken dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de Mutsaersstichting haar in r.o. 4.2.2/4.2.3 omschreven verplichting moet nakomen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat, zoals hiervoor is overwogen, niet of onvoldoende gebleken is dat de thans geuite klachten eerder aan een verantwoorde samenwerking in de weg stonden. Het hof verwerpt hetgeen de Mutsaersstichting in grief 1 meer subsidiair heeft aangevoerd.

Opzegging bij pleidooi in eerste aanleg

4.2.6

In eerste aanleg heeft de Mutsaersstichting bij pleitnota de overeenkomst met SSO opgezegd. De voorzieningenrechter heeft onder verwijzing naar het in de 2003-overeenkomst voorgeschreven overleg (zie hiervoor r.o. 4.1 c) overwogen dat aan de voorwaarde tot het voeren van overleg tussen partijen nog niet voldaan was zodat de Mutsaersstichting nog niet bevoegd was op te zeggen. De Mutsaersstichting komt hiertegen in grief 1 subsidiair op.

Naar het voorlopig oordeel van het hof is in de 2003-overeenkomst het voorgeschreven overleg over de gevolgen van de opzegging inderdaad niet bedoeld als een voorwaarde voor een rechtsgeldige opzegging van de overeenkomst. Dat neemt echter niet weg dat de voorzieningenrechter, in het kader van het geven van een voorlopig oordeel over de gevraagde voorlopige voorzieningen, terecht aan de opzegging bij pleitnota voorbij is gegaan nu die opzegging niet voldeed aan een van de overige opzeggingsbepalingen uit de overeenkomst, terwijl evenmin een opzeggingstermijn in acht is genomen. Onder die omstandigheden was de voorzieningenrechter niet gehouden om in het kader van het kort geding nader onderzoek te doen naar de stelling van de Mutsaersstichting.

Latere opzegging

4.2.7

Inmiddels heeft de Mutsaersstichting ook op 8 augustus 2013 en 21 augustus 2013 de samenwerkingsovereenkomst met SSO opgezegd (grief 1 (meer) subsidiair). SSO betwist dat deze opzeggingen rechtsgeldig zijn.

Het hof overweegt dat in de 2003-overeenkomst beperkte opzeggingsgronden staan opgenomen. De Mutsaersstichting beroept zich op geen van die gronden. Dat betekent op zich nog niet dat de overeenkomst, die voor onbepaalde tijd is aangegaan, buiten de geregelde opzeggingsgronden onopzegbaar zou zijn. Daar komt bij dat de Mutsaersstichting er bezwaar tegen maakt dat de voorzieningenrechter heeft teruggegrepen naar de 2003-overeenkomst, terwijl SSO in haar grief A omschrijft dat de onderlinge samenwerking ruimer is dan alleen het KEC. Het hof heeft bij de bepaling van de inhoud van de verbintenis van de Mutsaersstichting (r.o. 4.2.2/4.2.3) bij de stellingen van beide partijen aangesloten en een ruimere grondslag in acht genomen dan alleen de 2003-overeenkomst.

Dit brengt met zich dat de mogelijkheid tot opzegging van de samenwerking niet uitsluitend beheerst wordt door de beperkte opzeggingsgronden van de 2003-overeenkomst.

4.2.8

De tussen partijen gesloten overeenkomst dient aangemerkt te worden als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. De Hoge Raad heeft over de opzegging van duurovereenkomsten, die voor onbepaalde tijd zijn aangegaan, overwogen als volgt (HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4163, Auping/Beverslaap):

3.6 Het hof heeft tot uitgangspunt van de beoordeling genomen dat de door Auping opgezegde distributieovereenkomst een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd was (rov. 11). Of, en zo ja onder welke voorwaarden, een dergelijke overeenkomst opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud daarvan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. Indien, zoals hier, wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat. Uit diezelfde eisen kan, eveneens in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding (vgl. HR 28 oktober 2011, LJN BQ9854 LJN BQ9854, NJ 2012/685)’.

4.2.9

Het hof overweegt dat de tussen partijen bestaande duurovereenkomst, waaruit de in het geding zijnde verbintenis van de Mutsaersstichting voortvloeit, in beginsel opzegbaar is. Daarbij is van belang dat het partijen in beginsel moet vrijstaan op enig moment hun samenwerking te beëindigen. In de 2003-overeenkomst hebben partijen dat ook onderkend door op bepekte wijze de opzegging te regelen. Zoals overwogen is de contractuele verhouding tussen partijen ruimer dan de 2003-overeenkomst bepaald. Dat brengt met zich dat de beperkte opzeggingsgronden niet zonder meer de mogelijkheid tot opzegging bepalen. Voor de uitvoering van de overeenkomst, het op het terrein van de Mutsaersstichting verzorgen van onderwijs aan veelal residentiële cliënten van de Mutsaersstichting, is het van belang dat partijen minimaal op hoofdlijnen met elkaars aanpak en handelwijze kunnen instemmen. Indien er op enig moment niet langer gesproken kan worden van een wederzijdse verstandhouding die hieraan voldoet, moet aan die samenwerking in beginsel door opzegging een einde kunnen komen.

De bijzonderheden van de duurovereenkomst tussen partijen zijn niet van dien aard dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat.

opzegtermijn

4.2.10

Het stond de Mutsaersstichting evenwel niet vrij om zonder opzegtermijn de samenwerking te beëindigen. Het hof neemt hierbij in aanmerking a) de lange duur dat partijen reeds samenwerkten, b) de investeringen in personeel en lesmateriaal dat SSO zich moet getroosten, c) de opzegging aan het begin van het schooljaar, terwijl planning van de bekostiging steeds voor minimaal één schooljaar vooruit geschiedt en d) de omstandigheid dat onder meer de Mutsaersstichting vijf maanden voor de opzegging, toen de beëindiging van de samenwerking rond de KEC reeds bekend was, zich nog akkoord heeft verklaard met het continueren van de bestaande samenwerking en dependance VSO Velddijk op het terrein van de Mutsaersstichting. Gelet op deze omstandigheden diende de Mutsaersstichting bij haar opzegging rekening te houden met een opzegtermijn teneinde SSO in de gelegenheid te stellen zich op het einde van de samenwerking voor te bereiden (afbouwen personeelsbestand, afbouwen financiële verplichtingen etc).

4.2.11

Naar het voorlopig oordeel van het hof dient de door de Mutsaersstichting in acht te nemen opzegtermijn minimaal één schooljaar te bedragen, dus tot 1 augustus 2014.

Voor de bepaling van een langere opzegtermijn beschikt het hof thans over te weinig informatie. In het bijzonder is onvoldoende gesteld over onder meer het bestaan van één- of meerjarige subsidies of financieringen, de vraag of personeel moet afvloeien en welke periode daarmee is gemoeid en/of gevolgen van wettelijke- of uitvoeringsregelingen. Tot 1 augustus 2014 dient de Mutsaersstichting in ieder geval haar verbintenis na te komen.

Dictum en dwangsom

4.2.12

De Mutsaersstichting voert aan dat het dictum van het thans bestreden kort gedingvonnis te vaag en onbepaald is en dat zij daarom niet aan de veroordeling kan voldoen. SSO heeft kort na het wijzen van het vonnis de voorzieningenrechter gevraagd met behulp van art. 31 of 32 Rv het dictum te verduidelijken. De voorzieningenrechter heeft die verzoeken afgewezen.

Het hof is van oordeel dat er geen twijfel over kan bestaan hoe de door de voorzieningenrechter geformuleerde veroordeling moet worden uitgelegd. Het is duidelijk dat de voorzieningenrechter heeft bedoeld dat de tussen partijen bestaande praktijk (zie r.o. 4.2.2/4.2.3 van dit arrest) gecontinueerd diende te worden. Hierin kan voor partijen geen onduidelijkheid schuilen. Weliswaar heeft de voorzieningenrechter niet expliciet in het dictum opgenomen de handelwijze ten gevolge van de in en na 2003 gemaakte afspraken (zoals onderdelen van de Intentieverklaring 2007), maar in de wel in het dictum voorkomende woorden: ‘zoals dat in de praktijk in de laatste jaren is geschied’ ligt naar het oordeel van het hof voor alle betrokkenen voldoende duidelijk besloten dat men op de gebruikelijke voet moest doorgaan. Het hof sluit zich bij het door de voorzieningenrechter geformuleerde dictum aan.

Het hof is verder van oordeel dat de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsom passend is voor deze zaak.

Het hof zal de door de voorzieningenrechter gelaste voorlopige voorziening bekrachtigen.

4.2.13

Tijdens de procedure in hoger beroep heeft SSO de Dislokatie De Velddijk op het terrein van de Mutsaersstichting aan de [perceel] te [vestigingsplaats] gesloten. SSO heeft tijdens het pleidooi aangevoerd dat zij hiertoe genoodzaakt werd omdat de Mutsaersstichting geen nieuwe leerlingen meer aanmeldde en leerlingen niet meer adviseerde om zich in te schrijven bij De Velddijk. Hierdoor loopt SSO inkomsten mis. Zij stelt dat zij in verband met haar schadebeperkingsverplichting gehouden was de Dislokatie te sluiten. De Mutsaersstichting heeft aangevoerd dat door de sluiting van De Velddijk het voor SSO blijvend onmogelijk is geworden om haar verplichtingen uit de overeenkomst tot verzorging van onderwijs op het terrein van de Mutsaersstichting na te komen.

Het hof overweegt dat ter zitting voldoende aannemelijk is geworden dat SSO, zodra er weer voldoende leerlingen worden aangemeld, met medewerking van de Mutsaersstichting en de gemeente het onderwijs op de Dislokatie kan hervatten. Indien dit desondanks niet mogelijk zou blijken, kan SSO, zoals zij tijdens het pleidooi onweersproken heeft aangevoerd, op een locatie binnen een kilometer afstand van de gesloten Dislokatie onderwijs verzorgen.

Het hof ziet in de door de Mutsaersstichting aangevoerde argumenten dan ook geen reden de veroordeling van de Mutsaersstichting tot nakoming van haar verplichtingen op te schorten of te beëindigen.

Beperking geldingsduur voorlopige voorziening

4.2.14

Het hof overweegt dat SSO nog steeds een spoedeisend belang heeft bij de gelaste voorlopige voorziening nu er sprake is van een doorlopende wanprestatie van de Mutsaersstichting waardoor SSO mogelijk doorlopend schade ondervindt.

Gelet evenwel op het voorlopig oordeel van het hof dat de Mutsaersstichting minimaal een opzegtermijn tot 1 augustus 2014 in acht had moeten nemen en tot die tijd haar verbintenis moet nakomen (r.o. 4.2.10/4.2.11) zal het hof vooralsnog de geldingsduur van de voorlopige voorziening beperken tot 1 augustus 2014. Partijen kunnen deze termijn mede gebruiken om met elkaar afspraken te maken over de toekomstige samenwerking en ook over de afwikkeling van de gevolgen van het niet-nakomen van haar verbintenis door de Mutsaersstichting gedurende het thans lopende schooljaar.

SSO heeft in hoger beroep niet om verhoging van de dwangsom gevraagd. In ieder geval is het hof van oordeel dat het thans niet opportuun is de dwangsom te verhogen.

4.2.15

Het hof overweegt dat de eerste drie grieven in principaal appel alle afstuiten op de voorgaande overwegingen, met uitzondering van de beperkingsduur van de voorlopige voorziening in verband met de opzegging van de overeenkomst.

In het incidenteel appel hebben de grieven A en B geleid tot een verbetering van de motivering van de beslissing. Grief C slaagt voor zo ver daarin werd opgekomen tegen ontbinding van de overeenkomst en faalt voor zover daarmee werd aangevoerd dat de overeenkomst in dit geval onopzegbaar was.

in principaal appel (grief 4, 5 en de proceskosten in hoger beroep)

4.3.1

In haar vijfde grief klaagt de Mutsaersstichting erover dat de voorzieningenrechter ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 256 Rv omdat voor een beoordeling van de zaak een diepgaand onderzoek naar de feiten nodig is.

4.3.2

Het hof overweegt dat uit de behandeling en de beoordeling van de eerste drie grieven in het principaal appel en de eerste drie grieven in het incidenteel appel voortvloeit dat de vijfde grief feitelijk grondslag mist. Deze grief faalt daarmee in het kielzog van de eerste drie grieven in principaal appel.

4.4.

De vierde grief in het principaal appel, waarin de Mutsaersstichting klaagt over haar proceskostenveroordeling in eerste aanleg, faalt. De kern van de procedure in eerste aanleg werd gevormd door de stelling van SSO dat de Mutsaersstichting ten onrechte haar in r.o. 4.2.2/4.2.3 omschreven verbintenis uit de samenwerkingsovereenkomst met SSO niet nakwam. Op dit punt is SSO door de voorzieningenrechter in het gelijk gesteld. Ook al heeft de voorzieningenrechter verschillende andere vorderingen van SSO afgewezen, de Mutsaersstichting diende als de in eerste aanleg overwegend in het ongelijk gestelde partij te worden aangemerkt.

4.5.

In hoger beroep heeft de Mutsaersstichting tevergeefs het oordeel van de voorzieningenrechter, dat de Mutsaersstichting haar verbintenis uit de overeenkomst met SSO niet nakwam, bestreden. Daarmee geldt de Mutsaersstichting ook in hoger beroep als de overwegend in het ongelijk gestelde partij. Zij zal dan ook in de kosten van het principaal appel veroordeeld worden.

in incidenteel appel (grief D en de proceskosten in hoger beroep)

4.6.1

Met haar grief D komt SSO op tegen de afwijzing door de voorzieningenrechter van haar vorderingen onder II tot en met VII.

4.6.2

Het hof is van oordeel dat deze grief faalt en overweegt daartoe als volgt.

Indien veronderstellenderwijs de gewraakte uitlatingen door of namens de Mutsaersstichting aan derden zijn gedaan en deze uitlatingen als onrechtmatig aangemerkt kunnen worden, heeft SSO thans geen spoedeisend belang meer bij (II) een verbod aan de Mutsaersstichting om die mededelingen te doen en (III) een gebod om die mededelingen te rectificeren. De (IV) gevorderde dwangsom is dan ook terecht afgewezen.

De voorzieningenrechter heeft op 7 augustus 2013 geoordeeld dat SSO onvoldoende onderbouwd had op dat moment schade te hebben geleden. Het is niet onaannemelijk dat de niet-nakoming door de Mutsaersstichting van haar verbintenis aan SSO inmiddels schade heeft berokkend, maar SSO heeft die schade ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd zodat het hof niet in staat is een bedrag aan (V) voorschot op een eventuele schadevordering te bepalen. Het hof ziet geen aanleiding tot het gelasten van (VI) andere voorzieningen.

De vordering (VII) tot veroordeling van de Mutsaersstichting in de proceskosten is door de voorzieningenrechter reeds toegewezen zodat SSO ten onrechte in appel nogmaals de toewijzing daarvan vordert.

4.7

Nu beide partijen over en weer op onderdelen in het ongelijk zijn gesteld zullen de kosten van het incidenteel appel worden gecompenseerd zoals in het dictum bepaald.

5 De uitspraak

Het hof:

in het principaal en incidenteel appel:

5.1.

bekrachtigt het bestreden vonnis;

5.2.

veroordeelt de Mutsaersstichting de door de voorzieningenrechter onder 5.1 van het bestreden vonnis gelaste voorziening tot 1 augustus 2014 na te leven en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in het principaal appel:

5.4.

veroordeelt de Mutsaersstichting in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van SSO tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 1.862,= aan verschotten en € 2.682,= aan salaris advocaat;

in het incidenteel appel:

5.5.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, D.A.E.M. Hulskes en A.P.A. de Klerk-Leenen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 april 2014.