Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:928

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
HD 200.117.015-01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:1085
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

garage-inventaris wordt verkocht en geleverd alsof het roerende zaken zijn. Zijn sommige zaken misschien door natrekking onroerend? Wanprestatie, ontbinding en ongedaanmakingsverplichtingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.117.015/01

arrest van 1 april 2014

in de zaak van

Autocentrum Zuid-Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats ],

appellante,

advocaat: mr. D. Heuker of Hoek te Eindhoven,

tegen:

[Auto's] Auto’s B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats ],

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.H.C. van de Kerkhof te Helmond,

op het bij exploot van dagvaarding van 8 mei 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch, sector civiel recht gewezen vonnis van 22 februari 2012 tussen appellante -AZN- als eiseres, en geïntimeerde -VDN-, als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 228390 / HA ZA 11-579)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het tussenvonnis van 6 juli 2011.

2 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord.

De stukken van eerste aanleg en de stukken van dit hoger beroep zijn overgelegd en AZN heeft arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.

3 De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst voor de inhoud van de grieven naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder “2. De feiten” feiten vastgesteld. Die feitenvaststelling is niet bestreden, zodat die vaststelling voor het hof ook in hoger beroep het uitgangspunt vormt. Het hof zal hierna een overzicht geven van de relevante feiten.

a. [HOGG] B.V. (hierna: [eigenaar van een bedrijfspand]) is eigenaar van een bedrijfspand – garagebedrijf met showroom – aan het [perceel] te [vestigingsplaats ]. [eigenaar van een bedrijfspand] verhuurde dit bedrijfspand tot 1 januari 2006 aan VDN, die aldaar een garagebedrijf exploiteerde.

b. Per 1 januari 2006 is AZN, die eveneens een garagebedrijf exploiteert, het bedrijfspand van [eigenaar van een bedrijfspand] gaan huren.

c. Begin januari 2006 heeft VDN de inventaris van het bedrijfspand voor een bedrag van € 30.000,00 (inclusief BTW) verkocht aan (opvolgend huurder) AZN. AZN heeft de koopprijs aan VDN voldaan. De – handgeschreven – koopovereenkomst tussen partijen betrof de volgende zaken (dgv. prod. 1):

- meubilair - audio installatie - remmentestbank

- bruggen (3x) - alarmsysteem met videobewaking - telefooncentrale

- olie-installatie (incl …) -radiokast - compressor - balanceerapparaat - lichtreclame - auto wasinstallatie - demonteerapp. - motertakel - (…) x computer (…) - testkast - koplampafstelapp. - hekwerk - fax (…) - brandblusapp. - telefooncentrale - kopierapp. - 2x oprijbanen auto’s - (…)kast - koffieautomaat - kluis - keukeninventaris - werkbank - kasten - compressor

Op de bij conclusie van antwoord als productie 1 overgelegde tweede pagina van genoemde handgeschreven koopovereenkomst is verder onder meer vermeld:

“(…) Overname roerend goed conform lijst

Overnamesom 30.000 incl. BTW. (…)”

d. AZN heeft de bedrijfsinventaris tot eind december 2010 voor haar garagebedrijf gebruikt. Eind december 2010 is de huurovereenkomst tussen AZN en [eigenaar van een bedrijfspand] geëindigd. Bij de oplevering van het bedrijfspand is discussie ontstaan tussen AZN en verhuurder [eigenaar van een bedrijfspand] over de vraag wie van hen eigenaar is van de bedrijfsinventaris.

e. Bij brief van 23 februari 2011 (dgv. prod. 4) heeft AZN de koopovereenkomst tussen haar en VDN buitengerechtelijk ontbonden en VDN gesommeerd om uiterlijk binnen zeven dagen na dagtekening van haar brief te voldoen aan de ongedaanmakingsverplichting die, naar AZN meent, als gevolg van die ontbinding is ontstaan. AZN schrijft onder meer:

“Ingevolge de wet is onder andere de wasserette en het hekwerk onderdeel gaan uitmaken van de onroerende zaak, oftewel het bedrijfspand. Met andere woorden door natrekking krachtens artikel 5:14 BW zijn de roerende zaken onderdeel geworden van het grote geheel, namelijk het bedrijfspand. Deze zaken zijn dan ook met elkaar verenigd.

Het voorgaande houdt in dat u juridisch gezien de betreffende goederen nimmer had kunnen leveren. Als gevolg hiervan is er, zijdens u, sprake van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst. (…)”

f. VDN heeft aan de sommatie van AZN geen gevolg gegeven.

g. Op 25 februari 2011 heeft AZN, met verlof van de voorzieningenrechter in deze rechtbank, conservatoir derdenbeslag doen leggen op de bankrekening van VDN bij de Coöperatieve Rabobank Helmond U.A. Het desbetreffende beslagexploot is op 4 maart 2011 door de deurwaarder betekend aan VDN. Op 11 maart 2011 is VDN gedagvaard.

4.2

AZN heeft in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

1. voor recht verklaart dat de koopovereenkomst per 23 februari 2011 is ontbonden,

subsidiair:

2. voor recht verklaart dat de koopovereenkomst per datum dagvaarding is vernietigd op grond van dwaling zijdens AZN,

primair en subsidiair, samengevat:

3. VDN veroordeelt tot betaling aan haar van een bedrag van € 30.000,00 (inclusief BTW), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf (primair) 1 januari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van VDN in de kosten van de procedure, de beslagkosten en de nakosten.

4.3

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis op basis van een aantal overgelegde foto’s vastgesteld dat het voor AZN van meet af aan duidelijk moet zijn geweest dat zij een aantal van de op die foto’s afgebeelde zaken niet (in al hun onderdelen) zou kunnen wegnemen zonder beschadiging van betekenis toe te brengen aan het bedrijfspand, maar ook dat zij deze zaken bij een eventueel vertrek uit het bedrijfspand niet zonder meer op een andere locatie zou kunnen hergebruiken. Gelet daarop, aldus de rechtbank, had AZN nadere feiten en omstandigheden moeten aandragen waaruit zou kunnen blijken dat zij de koopovereenkomst toch zo mocht begrijpen dat zij tegen betaling van de koopprijs ook de eigendom zou verwerven van de onderdelen van de bedrijfsinventaris waarvan zij thans stelt dat ze zijn nagetrokken. De vordering van AZN gegrond op wederzijdse dwaling is door de rechtbank afgewezen omdat AZN geen concrete feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit zou kunnen blijken dat zij ten tijde van het aangaan van de overeenkomst in een relevante mate belang hechtte aan het verkrijgen van de eigendom van alle onderdelen van de in de inventarislijst opgenomen zaken, waarna de vorderingen zijn afgewezen, met veroordeling van AZN in de proceskosten van VDN.

4.4

In hoger beroep vordert AZN onder het voordragen van vijf grieven vernietiging van het vonnis van de rechtbank ´s-Hertogenbosch en opnieuw rechtdoende, naar het hof begrijpt, toewijzing van haar in eerste aanleg ingediende vordering, met veroordeling van VDN in de kosten van beide instanties, onder bepaling dat VDN de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd wordt wanneer deze niet binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen arrest zijn betaald.

De grieven lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.

4.5.1

Het hof stelt allereerst vast dat VDN alle hiervoor in 4.1 sub c genoemde zaken heeft verkocht aan AZN. Die stelling van AZN (zie onder nr. 5 van haar dagvaarding in eerste aanleg) is namelijk door VDN erkend, in elk geval niet voldoende gemotiveerd betwist. VDN merkt immers in haar conclusie van antwoord onder nr. 7 op dat zij voor de op de door AZN in het geding gebrachte productie genoemde zaken € 30.000,- heeft ontvangen. Zij heeft hierbij niet gesteld dat een of meer in die productie genoemde zaken niet onder de koopovereenkomst viel. Het hof weegt hierbij ook mee dat VDN in haar conclusie van antwoord onder de nrs. 12-14 en 16 en haar memorie van antwoord onder nr. 12 heeft gesteld voor zover hier van belang, dat de betreffende zaken (zie voor de vraag welke zaken hierna onder 4.5.2) op eenvoudige wijze en zonder daarbij schade aan te brengen aan de bedrijfsruimte kunnen worden verwijderd. De opmerking op pag. 2 van de handgeschreven overeenkomst dat het roerende goederen zou betreffen, heeft daarmee in het kader van de koopovereenkomst haar belang verloren: AZN wilde alle zaken vermeld op die lijst kopen en VDN wilde alle zaken op die lijst verkopen. Het hof merkt hierbij voor de volledigheid nog op dat het wat de onderhavige zaken betreft voor de geldigheid van de koopovereenkomst van geen belang is of een of meer daarvan onroerend zijn: voor geen van de genoemde zaken geldt immers een formeel vereiste bij de verkoop daarvan.

4.5.2

Het hof begrijpt uit hetgeen AZN heeft opgemerkt in nr. 19 van haar memorie van grieven dat AZN van mening is dat VDN toerekenbaar is tekortgeschoten omdat VDN wel aan haar heeft verkocht het hekwerk, de autowasinstallatie, de lichtreclame, de balie en de remmentester (zie nr. 19 memorie van grieven), maar deze vijf zaken niet aan AZN heeft geleverd. In nr. 12 van haar memorie van antwoord heeft VDN wat deze zaken betreft gesteld dat ook de verhuurder [eigenaar van een bedrijfspand] van mening was dat deze zaken aan AZN toebehoorden en, zo begrijpt het hof de verwijzing van VDN naar het door haar eerder gestelde, dat deze verhuurder heeft verklaard dat AZN deze zaken ook mocht meenemen bij haar vertrek.

4.6

Tijdens de comparitie van partijen heeft [statutair directeur van VDN], statutair bestuurder van VDN verklaard, voor zover hier van belang:

“(…) Ik heb twee fouten gemaakt bij het opstellen van de koopovereenkomst. Ik heb daarin ten onrechte (…) de gemetselde balies opgenomen. Die waren eigendom van de verhuurder en hoorden bij het pand. (…)”.

Het hof acht die verklaring van [statutair directeur van VDN] inhoudende dat de verhuurder eigenaar was van de gemetselde balies juist. Gemetselde balies zijn zaken die niet van de hoofdzaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht. Daarmee zijn deze zaken bestanddeel geworden van het gehuurde en dus onroerend. Gesteld noch gebleken is dat deze balies in 2006 door VDN aan AZN zijn geleverd conform de wettelijke regels. Dit betekent dat VDN heeft erkend dat zij de balies, volgens partijen voorkomend op de lijst zaken zoals hiervoor onder 4.1 sub c is vermeld, niet heeft geleverd, waarmee vast staat dat zij in elk geval wat die balies betreft toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verbintenis. Zie voor de overige zaken (dus het hekwerk, de autowasinstallatie, de lichtreclame en de remmentester) wat dit onderdeel betreft hierna r.o. 4.7.

Het verweer van VDN dat de verhuurder [eigenaar van een bedrijfspand] van mening was dat alle vijf zaken, dus kennelijk ook de balies, eigendom waren van AZN (zie nr. 12 memorie van antwoord), doet daar niet aan af, omdat de vraag aan wie nagetrokken zaken in eigendom toebehoren, bij uitsluiting door de wet wordt bepaald en niet door partijen. Het hof gaat voorbij aan de stelling van VDN dat de verhuurder heeft verklaard dat AZN de betreffende zaken mocht meenemen, omdat die stelling los staat van de vraag of VDN in 2006 de betreffende zaken aan AZN heeft geleverd of kunnen leveren. Het antwoord op de vraag of AZN wat alle vijf zaken betreft het wegbreekrecht van art. 7:216 BW heeft of had, is voor wat betreft de vraag of VDN in 2006 alle zaken heeft geleverd, niet relevant omdat het feit dat AZN dit recht zou hebben bij de huurbeëindiging in december 2010 nog steeds niet met zich brengt dat VDN in 2006 de eigendom van de balies heeft geleverd aan AZN. Wat dit betreft spitst het debat tussen partijen over wat zij bij het aangaan van de overeenkomst redelijkerwijs van elkaar hebben mogen verwachten zich toe op de verkoop en levering van de eigendom van de zaken. VDN heeft het wegbreekrecht van de huurder genoemd, maar zij heeft naar het oordeel va n het hof onvoldoende concreet toegelicht dat en waarom zij bij het aangaan van de overeenkomst redelijkerwijs heeft mogen verwachten dat zij aan haar verbintenis tot levering van de zaken zou hebben voldaan wanneer AZN tegenover [eigenaar van een bedrijfspand] de zaken zou mogen wegnemen.

4.7

Ter zake het hekwerk, de autowasinstallatie, de lichtreclame en de remmentester overweegt het hof als volgt. VDN stelt dat ook die vier zaken roerende zaken zijn die op eenvoudige wijze en zonder daarbij schade aan te brengen aan de bedrijfsruimte kunnen worden verwijderd, waarmee zij wat deze zaken betreft ontkent wanprestatie te hebben gepleegd. Het bewijs van de door AZN gestelde en door VDN ontkende wanprestatie dient op gronde van de hoofdregel van art. 150 Rv door AZN te worden geleverd. Dat bewijs is in elk geval geleverd indien komt vast te staan dat een of meer van die vier zaken door natrekking onroerend zijn geworden. De vraag of een of meer van die zaken bestanddeel van het gehuurde zijn geworden, moet worden beantwoord aan de hand van de verkeersopvattingen, waarbij een zaak die niet van de hoofdzaak kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht, een bestanddeel is. Het hof sluit niet uit dat het antwoord op de vraag wat de verkeersopvattingen op dit terrein zijn, kan worden beantwoord door een deskundige. Ook de vraag of een of meer van die vier zaken niet van de hoofdzaak kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht, kan worden beantwoord door een deskundige. Het door VDN als productie 3 bij conclusie van antwoord overgelegde deurwaardersproces-verbaal is niet voldoende bruikbaar voor de beantwoording van deze vragen, alleen al niet omdat dit proces-verbaal een onvoldoende beschrijving geeft van de feitelijke situatie.

4.8

De hiervoor in r.o. 4.6 door het hof vastgestelde toerekenbare tekortkoming voor wat betreft de niet geleverde balies roept de vraag op of dit een tekortkoming is die een eventuele ontbinding rechtvaardigt (zie art. 6: 265 lid 1 BW) en/of eventueel een gedeeltelijke ontbinding aan de orde is. Die laatste vraag over de gedeeltelijke ontbinding doet zich ook voor indien zou komen vast te staan dat één of meer van de overige vier zaken (het hekwerk, de autowasinstallatie, de lichtreclame en de remmentester) onroerend zijn. In zijn algemeenheid brengt de ontbinding in elk geval met zich dat op grond van art. 6:271 BW partijen zijn bevrijd van de daardoor getroffen verbintenissen en dat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties is ontstaan. Dit betekent dat de vordering tot betaling van € 30.000,-, die het hof gelet op het feit dat dit bedrag gelijk is aan de koopsom, ziet als een vordering tot terugbetaling, in beginsel voor toewijzing gereed ligt. Dit betekent echter ook dat AZN de aan haar in 2006 geleverde zaken aan VDN moet teruggeven en dat AZN op grond van art. 6:272 BW aan VDN een vergoeding moet betalen voor het gebruik dat zij van die zaken heeft gemaakt (zie de nrs. 28 – 31 conclusie van antwoord, waarin het hof een beroep op verrekening leest).

Het komt het hof, mede gelet op het vorenstaande, geraden voor om een comparitie van partijen te gelasten, waarbij in elk geval de volgende onderwerpen aan de orde komen:

- is er sprake van de situatie dat de wanprestatie bestaande uit het feit dat VDN de balies niet aan AZN heeft geleverd, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding niet rechtvaardigt;

- kan en/of moet de overeenkomst, voor zover komt vast te staan dat naast de balie ook het hekwerk en/of de autowasinstallatie en/of de lichtreclame en/of de remmentester onroerend zijn, geheel dan wel alleen voor wat betreft de onroerende zaken worden ontbonden;

- welke zaken van de lijst zijn nog in bezit van AZN en kunnen worden terug geleverd aan VDN;

- de mogelijkheid dat een der partijen bij de verhuurder ophaalt het hekwerk, de autowasinstallatie, de lichtreclame en de remmentester (het hof begrijpt uit de door VDN overgelegde emailwisseling (productie 2 bij conclusie van antwoord) dat dit tot de mogelijkheden behoort);

- wie maakt nu gebruikt van de balie, het hekwerk, de autowasinstallatie, de lichtreclame en de remmentester en is die eventuele (al dan niet toekomstige) gebruiker genegen een vergoeding voor deze zaken te betalen;

- de hoogte van de door AZN te betalen vergoeding voor het gebruik dat zij van de zaken heeft gemaakt;

- welke deskundigen partijen voorstellen om antwoord te geven op de vraag of het hekwerk, de autowasinstallatie, de lichtreclame en de remmentester roerend dan wel onroerend zijn.

Het hof zal tijdens de comparitie ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde stellen.

4.9

Elke verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat partijen, deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die gerechtigd is inlichtingen te verschaffen en bevoegd is een minnelijke regeling te treffen, zullen verschijnen voor mr. Sijmonsma als raadsheer commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te ’s-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder 4.8 vermelde doeleinden;

verwijst de zaak naar de rol van 15 april 2014 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, L.S. Frakes en J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 april 2014.