Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:757

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-03-2014
Datum publicatie
25-03-2014
Zaaknummer
HD 200.124.673_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Concurrentiebeding van mondhygiëniste in dit geval op de voet van artikel 7:653 lid 2 BW gematigd tot relatiebeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 653
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/123
AR-Updates.nl 2014-0321
GZR-Updates.nl 2014-0099
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.124.673/01

arrest van 18 maart 2014

in de zaak van

1 Mondzorg Centrum VOF,

gevestigd te [vestigingsplaats],

en haar vennoten:

2. [vennoot 1.],

wonende te [woonplaats],

3. [vennoot 2.],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna tezamen ook aan te duiden als Mondzorg,

advocaat: mr. J.C. van Haarlem te 's-Hertogenbosch,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: mr. K. Zeylmaker te Breda,

op het bij exploot van dagvaarding van 28 maart 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, kanton ’s-Hertogenbosch, van 3 januari 2013, gewezen tussen Mondzorg en haar vennoten als eisers en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 853629, rolnummer 12-8711)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met producties (de stukken van het geding in eerste aanleg);

- de memorie van antwoord met een productie.

De partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. Mondzorg exploiteert twee groepspraktijken in [vestigingsplaats 1.] en een groepspraktijk in [vestigingsplaats 2.], waar in totaal ongeveer zes tandartsen en negen mondhygiënistes werkzaam zijn.

  2. [geïntimeerde], geboren op [geboortedatum] 1983, is met ingang van 1 september 2004 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Mondzorg in de functie van mondhygiëniste. Artikel 12 lid 1 van de arbeidsovereenkomst bevat een concurrentiebeding en relatiebeding dat als volgt luidt:

“De werknemer zal binnen tien jaar na beëindiging van het dienstverband binnen een gebied, met een straal van 20 km rondom het praktijkadres te [vestigingsplaats 1.] alsmede te [vestigingsplaats 2.] van de werkgever, niet bij een zelfstandige mondhygiëne en/of tandheelkundige praktijk betrokken zijn, anders dan in samenwerking met de werkgever, zulks evenwel behoudens schriftelijke toestemming verkregen van de werkgever. Verder zal de werknemer binnen bovengenoemde periode na beëindiging van het dienstverband geen enkele relatie aangaan of onderhouden, de praktijk van de werkgever betreffende, zoals verwijzende tandartsen en patiënten.”

In artikel 12 lid 2 is op overtreding van dit beding een boete van “driehonderd euro (euro 400,--)” gesteld.

In mei 2012 heeft [geïntimeerde] aan Mondzorg meegedeeld dat zij met ingang van 1 september 2012 de praktijk van mondhygiëniste [mondhygiëniste] uit [vestigingsplaats 3.] zou willen overnemen. Deze praktijk – waarvoor [mondhygiëniste] op bepaalde dagen van de week een stoel huurt bij een tandarts in [vestigingsplaats 3.] - bevindt zich binnen een straal van 20 kilometer van de praktijkadressen van Mondzorg te [vestigingsplaats 2.] en ’s-[vestigingsplaats 1.]. Het betreft een praktijk met ongeveer 800 patiënten waar een patiëntenstop geldt: [mondhygiëniste] neemt in beginsel geen nieuwe patiënten aan omdat haar praktijk “vol” zit. [geïntimeerde] heeft aan Mondzorg toestemming gevraagd om, ondanks het concurrentiebeding, die praktijk te mogen overnemen.

Mondzorg heeft geweigerd om die toestemming te verlenen.

Bij brief van 18 juni 2012 heeft [geïntimeerde] haar arbeidsovereenkomst met Mondzorg opgezegd per 1 september 2012.

[geïntimeerde] heeft Mondzorg vervolgens op 10 juli 2012 in kort geding doen dagvaarden voor de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch en schorsing van het concurrentie- en relatiebeding gevorderd tot het moment dat in een bodemprocedure over dat beding zal zijn beslist.

Dat heeft geleid tot een vonnis in kort geding van 27 augustus 2012. Bij dat vonnis heeft de kantonrechter de werking van het concurrentiebeding geschorst tot het moment dat daarover in een bodemprocedure zal zijn beslist en de werking van het relatiebeding gedeeltelijk geschorst, namelijk voor zover dat de duur van drie jaar te boven gaat.

[geïntimeerde] is vervolgens vanaf 1 september 2012 werkzaamheden gaan verrichten in de praktijk van [mondhygiëniste]. [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord onder verwijzing naar een verklaring van [mondhygiëniste] gesteld dat zij in afwachting van de uitkomst van de juridische procedures bij [mondhygiëniste] in loondienst is getreden en dat de daadwerkelijke overname van de praktijk zal plaatsvinden nadat de juridische procedures in voor [geïntimeerde] gunstige zin zijn geëindigd.

Mondzorg heeft tegen het vonnis in kort geding van 27 augustus 2012 hoger beroep ingesteld. Dit hoger beroep is nadien op verzoek van partijen geroyeerd.

4.2.1.

In de onderhavige procedure vorderde Mondzorg bij inleidende dagvaarding van 20 september 2012 een verklaring voor recht dat het concurrentiebeding en relatiebeding hun werking behouden en dat het [geïntimeerde] niet is toegestaan om:

 zich binnen twee jaar na beëindiging van het dienstverband bij Mondzorg zelfstandig te vestigen, dan wel in dienst te treden bij een tandartsen- of mondhygiënistenpraktijk, binnen de regio als verwoord in het concurrentiebeding;

 binnen drie jaar na beëindiging van het dienstverband bij Mondzorg relaties van Mondzorg te behandelen dan wel te benaderen;

met veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een dwangsom van € 500,-- per dag of dagdeel dat zij in strijd handelt met het voorgaande, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

4.2.2.

Aan deze vordering heeft Mondzorg naar de kern genomen ten grondslag gelegd dat zij er een zwaarwegend belang bij heeft dat [geïntimeerde] niet:

 binnen twee jaar na beëindiging van haar dienstverband werkzaamheden als mondhygiëniste gaat verrichten in [vestigingsplaats 3.];

 binnen drie jaar na beëindiging van haar dienstverband relaties van Mondzorg gaat behandelen of benaderen.

4.2.3.

[geïntimeerde] heeft als verweer, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

[geïntimeerde] kan haar positie aanmerkelijk verbeteren door de praktijk van [mondhygiëniste] in [vestigingsplaats 3.] over te nemen. [geïntimeerde] is bereid om het relatiebeding na te komen door gedurende drie jaar geen patiënten van Mondzorg te behandelen of te benaderen. [geïntimeerde] is ook bereid om Mondzorg gedurende deze periode van drie jaren periodiek inzage te geven in haar klantenbestand, zodat Mondzorg kan controleren of [geïntimeerde] zich daadwerkelijk aan het relatiebeding houdt. Het respecteren van de belangen van Mondzorg is op deze wijze voldoende gewaarborgd. Bij een afweging van de belangen moet het [geïntimeerde] daarom worden toegestaan de praktijk in [vestigingsplaats 3.] over te nemen.

4.3.1.

Bij het vonnis van 3 januari 2013 heeft de kantonrechter geoordeeld dat het belang van Mondzorg dat er geen patiënten van haar zullen overstappen naar de praktijk in [vestigingsplaats 3.] afdoende kan worden gediend door het relatiebeding, zodat de vorderingen van Mondzorg met betrekking tot het concurrentiebeding moeten worden afgewezen.

Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter:

  1. voor recht verklaard dat het tussen partijen geldende relatiebeding zijn werking behoudt, in die zin dat het [geïntimeerde] niet is toegestaan om binnen drie jaar na beëindiging van het dienstverband bij Mondzorg relaties van Mondzorg te behandelen dan wel te benaderen;

  2. verstaan dat [geïntimeerde], op verzoek van Mondzorg, jaarlijks gedurende deze drie jaar aan Mondzorg inzicht zal geven in haar patiëntenbestand teneinde dat te laten controleren op een schending van dit relatiebeding;

  3. het meer of anders gevorderde afgewezen;

  4. Mondzorg in de proceskosten veroordeeld.

4.4.

Mondzorg heeft twee grieven aangevoerd tegen het vonnis van 3 januari 2013.

Mondzorg heeft geconcludeerd, zakelijk weergegeven:

 tot het in stand laten van de hiervoor onder A en B weergegeven beslissingen van de kantonrechter;

 tot vernietiging van het vonnis voor zover daarbij het meer of anders gevorderde is afgewezen en Mondzorg in de proceskosten is veroordeeld (de hiervoor onder C en D weergegeven beslissingen);

 tot het, in zoverre opnieuw rechtdoende, alsnog geven van de gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot het concurrentiebeding en tot het alsnog veroordelen van [geïntimeerde] tot betaling van een dwangsom bij overtreding van dat concurrentiebeding, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

4.5.1.

Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen. Door die grieven wordt de vordering van Mondzorg met betrekking tot het concurrentiebeding aan het oordeel van het hof voorgelegd.

4.5.2.

Het hof stelt met betrekking tot die vordering het volgende voorop.

Op grond van artikel 7:653 lid 2 BW kan de rechter een beding tussen de werkgever en de werknemer waarbij de werknemer wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn, geheel of gedeeltelijk vernietigen op grond dat, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld. Op grond van die bepaling dient in het onderhavige geval een afweging te worden gemaakt tussen het recht van [geïntimeerde] op vrije arbeidskeuze enerzijds en het belang van Mondzorg bij handhaving van het overeengekomen concurrentiebeding gedurende twee jaar anderzijds.

4.5.3.

Naar het oordeel van het hof staat vast dat [geïntimeerde] haar positie in meerdere opzichten kan verbeteren door de praktijk van [mondhygiëniste] in [vestigingsplaats 3.] over te nemen:

 [geïntimeerde] heeft gesteld dat zij als zelfstandig mondhygiëniste meer zal verdienen dan in loondienst van Mondzorg. Naar het oordeel van het hof heeft Mondzorg dat onvoldoende gemotiveerd betwist.

 De praktijk in [vestigingsplaats 3.] is gelegen in de woonplaats van [geïntimeerde], hetgeen een evident voordeel oplevert in haar woonwerk-verkeer.

 [geïntimeerde] zal als zelfstandig mondhygiëniste meer invloed kunnen uitoefenen op haar eigen agenda, hetgeen mede met het oog op de door haar gewenste gezinsuitbreiding een voordeel is.

Dat [geïntimeerde], zoals Mondzorg heeft aangevoerd, ook buiten een straal van 20 kilometer van de praktijken van Mondzorg, dus bijvoorbeeld in [vestigingsplaats 4.], werkzaamheden als mondhygiëniste zou mogen verrichten doet aan deze voordelen die [geïntimeerde] ondervindt bij overname van de praktijk van [mondhygiëniste] niet af.

4.5.4.

Voor wat betreft de belangen die Mondzorg heeft bij naleving van het concurrentiebeding is het hof evenals de kantonrechter van oordeel dat die belangen met name gelegen zijn in de bescherming van haar patiëntenbestand. Mondzorg heeft er een gerechtvaardigd belang bij dat [geïntimeerde] niet door de kennis van de werkwijze, de klanten en de overige bedrijfsgeheimen van Mondzorg zichzelf een positie verschaft waarbij sprake is van ongerechtvaardigd voordeel in het concurrerend handelen. Daarbij ligt volgens vaste rechtspraak niet zozeer de nadruk op de door de werknemer tijdens het dienstverband door eigen toedoen verworven kennis en vaardigheden, maar veeleer op de inbreng van de werkgever om de werknemer in staat te stellen de overeengekomen werkzaamheden zo optimaal mogelijk te laten verrichten. Het rechtens te respecteren belang van een werkgever is daarom niet het tegengaan van concurrentie in het algemeen, maar het voorkomen dat een ex-werknemer met gebruikmaking van de kennis van de onderneming van de ex‑werkgever, die hij zonder de werkzaamheden voor die onderneming niet zou hebben, zijn vorige werkgever rechtstreeks concurrentie zou kunnen aandoen en daarmee zichzelf of een derde (de nieuwe werkgever) een ongerechtvaardigde voorsprong in concurrerend handelen zou kunnen bezorgen. Ook anderszins heeft Mondzorg er een gerechtvaardigd belang bij dat [geïntimeerde] geen patiënten bij haar zal wegtrekken, met name ook door een persoonlijke band die zij mij Mondzorg met patiënten kan hebben opgebouwd.

4.5.5.

Tegen deze achtergrond is het hof evenals de kantonrechter van oordeel dat het respecteren van de gerechtvaardigde belangen van Mondzorg voldoende wordt gewaarborgd door het relatiebeding. [geïntimeerde] heeft zich – ook in hoger beroep – bereid verklaard om jaarlijks gedurende drie jaren inzage in haar patiëntenbestand te geven aan Mondzorg. Het hof is evenals de kantonrechter van oordeel dat Mondzorg niet aannemelijk heeft gemaakt dat het niet doenlijk is om aan de hand van die inzage controle op de naleving van het relatiebeding uit te oefenen.

4.5.6.

De stelling van Mondzorg dat zeker zo’n 40% van haar patiënten afkomstig is uit [vestigingsplaats 3.] voert niet tot een ander oordeel. Het hof overweegt allereerst dat [geïntimeerde] die stelling gemotiveerd heeft betwist, dat de stelling het hof niet aannemelijk voorkomt en dat Mondzorg de stelling niet nader heeft toegelicht en op dit punt evenmin een gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan. Daar komt bij dat ook als de stelling juist zou zijn, via het relatiebeding nog steeds voldoende gewaarborgd is dat [geïntimeerde] gedurende de eerste drie jaren na de beëindiging van haar dienstverband die patiënten niet zal behandelen. Uit de eigen stellingen van Mondzorg volgt dat die tijdspanne, van drie jaar, voldoende is om de patiënten van Mondzorg die voorheen bij Mondzorg door [geïntimeerde] werden behandeld, aan hun “nieuwe” mondhygiëniste bij Mondzorg te laten wennen.

4.5.7.

Hetgeen Mondzorg overigens in haar memorie van grieven heeft aangevoerd, leidt evenmin tot een andere uitkomst. Mondzorg zal nu eenmaal moeten accepteren dat zij concurrentie ondervindt van andere mondhygiënisten. Door handhaving van het concurrentiebeding op de door Mondzorg gewenste wijze zou het recht van [geïntimeerde] op vrije arbeidskeuze te veel worden ingeperkt. De belangen van Mondzorg worden voldoende beschermd door het feit dat het [geïntimeerde] niet is toegestaan om gedurende drie jaren na de beëindiging van haar dienstverband relaties van Mondzorg te behandelen dan wel te benaderen. Het hof verwerpt daarom de grieven van Mondzorg.

4.6.

Het hof zal Mondzorg als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep, vermeerderd met de gevorderde nakosten.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, kanton ’s‑Hertogenbosch, tussen partijen gewezen vonnis van 3 januari 2013,

veroordeelt Mondzorg in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 299,-- aan vast recht en op € 894,-- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken kostenveroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en M. van Ham en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 maart 2014.