Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:75

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-01-2014
Datum publicatie
28-01-2014
Zaaknummer
HD 200.112.848-01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:5177
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:2417
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beslissing op exceptio plurium litis consortium

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2014/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.112.848/01

arrest van 21 januari 2014

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. L.A.E. Bregonje-Voermans te Roosendaal,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. F.G. Schalker te Zoetermeer,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 30 oktober 2012 en 30 juli 2013 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda, team kanton Bergen op Zoom onder zaaknummer 674293 CV EXPL 11-5258 gewezen vonnis van 21 maart 2012.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de tussenarresten van 30 oktober 2012 en 30 juli 2013;

- de akte van [appellant];

- de antwoordakte van [geïntimeerde].

Partijen hebben arrest gevraagd.

6 De verdere beoordeling

6.1.

In het tussenarrest van 30 juli 2013 heeft het hof in het incident het beroep van [geïntimeerde] op de niet-ontvankelijkheid van [appellant] op grond van artikel 333 Rv afgewezen.

In de hoofdzaak heeft het hof [appellant] in de gelegenheid gesteld te reageren op de door [geïntimeerde] opgeworpen exceptio plurium litis consortium en iedere verdere beslissing aangehouden.

6.2.

Alvorens te beslissen op de voormelde exceptie stelt het hof vast dat [appellant] (de grondslag van) zijn eis in hoger beroep heeft gewijzigd. Anders dan [geïntimeerde] lijkt te veronderstellen is voor een wijziging van eis geen afzonderlijke akte vereist. Een eiswijziging die is opgenomen in de memorie van grieven is toelaatbaar tenzij de eiswijziging in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Door [geïntimeerde] zijn echter geen feiten of omstandigheden gesteld die een dergelijke conclusie zouden kunnen rechtvaardigen, zodat de eiswijziging toelaatbaar is.

Het hof begrijpt de wijziging van (de grondslag van) de eis van [appellant] aldus dat hij zijn vordering niet langer baseert op artikel 3:171 BW maar een beslissing van het hof wenst op de tussen partijen bestaande geschillen inzake de verdeling van de nalatenschap van hun vader. Die geschillen zijn:

  1. de vraag of tot de nalatenschap wel of niet een vordering op [geïntimeerde] wegens geldlening ten bedrage van € 11.344,- hoort;

  2. de vraag of tot de nalatenschap onverdeeld gebleven inboedelzaken en sieraden horen.

Het hof merkt bij dit laatste geschilpunt op dat hierop slechts hoeft te worden beslist indien de vordering van [appellant] met betrekking tot de geldlening niet toewijsbaar zou zijn; de verdeling van sieraden en inboedel is door [appellant] immers subsidiair gevorderd.

6.3.

Omdat het hof dient te beslissen omtrent de verdeling van de nalatenschap van de vader van partijen en omdat naast partijen ook hun broer [de broer van appellant en geintimeerde] als erfgenaam gerechtigd is in de nalatenschap, dient de vraag te worden beantwoord of [de broer van appellant en geintimeerde] als partij moet worden betrokken in de procedure in hoger beroep.

[geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. Hij heeft de exceptio plurium litis consortium opgeworpen en stelt dat [appellant] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

[appellant] heeft dit standpunt bestreden. Hij voert aan dat [de broer van appellant en geintimeerde] geen partij was in eerste aanleg zodat van een onherroepelijke beslissing omtrent de verdeling van de nalatenschap geen sprake is.

6.4.

Naar het oordeel van het hof was [de broer van appellant en geintimeerde] geen partij in de procedure in eerste aanleg, nóch in conventie, nóch in reconventie. De enkele omstandigheid dat [de broer van appellant en geintimeerde] een door [geïntimeerde] opgestelde concept-dagvaarding, waarin het standpunt en de vordering van [geïntimeerde] waren verwoord, voor akkoord heeft getekend, maakt hem nog geen procespartij. Feiten of omstandigheden die tot een andere conclusie zouden kunnen leiden zijn niet gesteld of gebleken.

Een en ander betekent dat een situatie, zoals deze zich voordeed in de uitspraak van dit hof d.d. 15 januari 2013 (ECLI:NL:GHSHE:2013:BY8622) zich in casu niet voordoet.

6.5.

Het voorgaande laat, nu het geschil materieel een vordering tot verdeling van een nalatenschap betreft, onverlet dat alle erfgenamen in de procedure dienen te worden betrokken.

Het verzuim van [appellant] om ook [de broer van appellant en geintimeerde] in de procedure te betrekken kan worden hersteld langs de weg van artikel 118 Rv. Het hof zal [appellant] in de gelegenheid stellen voormeld verzuim te herstellen en de zaak weer naar de rol verwijzen met de opdracht aan [appellant] om een exploot van oproeping conform artikel 118 Rv in het geding te brengen. Indien [de broer van appellant en geintimeerde] in de procedure verschijnt, zal hij bij memorie van antwoord op de inhoud van de memorie van grieven van [appellant] kunnen reageren.

7 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 18 februari 2014 voor akte aan de zijde van [appellant] met het hiervoor onder 6.5. omschreven doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, C.D.M. Lamers en M.J. van Laarhoven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 januari 2014.