Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:707

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-02-2014
Datum publicatie
13-03-2014
Zaaknummer
20-002368-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Uit anderen hoofde gedetineerde verdachte niet in de gelegenheid gesteld zitting in eerste aanleg bij te wonen. Terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002368-13

Uitspraak : 27 februari 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Maastricht van 8 juni 2012 in de strafzaak met parketnummer 03-033904-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1977],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een geldboete van

€ 200,-- subsidiair 4 dagen hechtenis.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft primair gevorderd dat het hof de inleidende dagvaarding nietig zal verklaren en subsidiair dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar de rechtbank Limburg teneinde op de bestaande dagvaarding opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De raadsman van verdachte heeft zulks eveneens bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Geldigheid van de dagvaarding in eerste aanleg

De verdachte is op de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Maastricht van 8 juni 2012 niet verschenen en op die terechtzitting bij verstek veroordeeld.

Blijkens een akte van uitreiking is de inleidende dagvaarding met parketnummer

03-033904-12 voor de terechtzitting van de politierechter op 8 juni 2012 op 15 mei 2012 door een medewerker van het openbaar ministerie uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Maastricht omdat de geadresseerde, op het adres ir. Molsweg 5, 6834 AA Arnhem, de brief zou hebben geweigerd.

Vervolgens is op die datum een afschrift van de inleidende dagvaarding als brief verzonden aan voormeld adres.

Uit het bij bovengenoemde dagvaarding gevoegde GBA-overzicht blijkt dat verdachte op dit adres was ingeschreven met ingang van 23 mei 2011 en op 15 mei 2012 nog op dat adres ingeschreven stond.

Het hof merkt op dat voormeld adres ir. Molsweg 5, 6834 AA Arnhem het adres is van het Huis van Bewaring te Arnhem.

Blijkens mededeling van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep was de verdachte op 8 juni 2012, de dag van de terechtzitting, ook nog gedetineerd in dit Huis van bewaring.

Nu de verdachte niet voor de onderhavige strafzaak heeft vastgezeten, moet hij destijds uit andere hoofde gedetineerd te zijn geweest.

Ingevolge artikel 588, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafvordering hoeft de dagvaarding dan niet in persoon te worden betekend.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het hof de inleidende dagvaarding van verdachte overeenkomstig de wettelijke voorschriften uitgereikt.

Geldigheid van de behandeling in eerste aanleg

De politierechter heeft de zaak van verdachte blijkens de verkorte “aantekening mondeling vonnis” bij verstek afgedaan, waaruit het hof afleidt dat verdachte niet ter terechtzitting in eerste aanleg is verschenen noch een gemachtigd raadsman of raadsvrouwe.

Uit hetgeen hiervoor is behandeld onder het kopje ‘Geldigheid van de dagvaarding in eerste aanleg’ volgt dat de verdachte ten tijde van de terechtzitting van de politierechter van 8 juni 2012 uit anderen hoofde was gedetineerd.

Het hof is niet gebleken dat de verdachte op ondubbelzinnige wijze afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de behandeling van zijn zaak bij de politierechter aanwezig te zijn.

Naar het oordeel van het hof had - nu is gebleken dat verdachte op 8 juni 2012 gedetineerd was - de eerste rechter niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak mogen toekomen, maar het onderzoek ter terechtzitting moeten schorsen, teneinde de niet verschenen verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn.

Met betrekking tot het al dan niet terugverwijzen van de zaak naar de rechtbank om deze reden overweegt het hof het volgende.

Ingevolge artikel 423, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, doet de appelrechter, als hoofdregel, de zaak zelf af. Het tweede lid van artikel 423 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt in welk geval de appelrechter de zaak naar de rechter in eerste aanleg terugwijst. De Hoge Raad heeft in zijn jurisprudentie een uitbreiding aan het genoemde tweede lid gegeven, wegens strijd met artikel 6 EVRM of vanwege het in artikel 423, tweede lid besloten beginsel van het recht op twee feitelijke instanties voor die gevallen waarin de wet behandeling in twee instanties aan een verdachte toekent.

Zo dient ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 14 maart 2000, NJ 2000, 423, met een beroep op art. 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, terugwijzing ook plaats te vinden, in het geval de rechter ter terechtzitting aan een behandeling ten gronde niet had mogen toekomen omdat één van de overige personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting - waartoe naast de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, slechts de verdachte en diens raadsman wordt gerekend - aldaar niet is verschenen, terwijl deze niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was. Volgens de Hoge Raad moest er in cassatie in die betreffende strafzaak vanuit worden gegaan dat de verdachte in verband met de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg tijdig in het gerechtsgebouw aanwezig was en van zijn aanwezigheid mededeling had gedaan aan de dienstdoende bode en dat laatstgenoemde vervolgens heeft nagelaten de verdachte op te roepen om in de zaal van de terechtzitting te verschijnen.

Het hof ziet gelet op de inhoud van voornoemd arrest van de Hoge Raad aanleiding de onderhavige situatie, waarin de politierechter buiten aanwezigheid van de verdachte tot een verstekvonnis is gekomen, terwijl de gedetineerde verdachte geen afstand had gedaan van zijn recht om bij de behandeling aanwezig te zijn, gelijk te stellen met de uitbreiding die de Hoge Raad geeft aan het tweede lid van artikel 423, van het Wetboek van Strafvordering.

Nu de raadsman van verdachte in hoger beroep heeft verzocht om terugwijzing naar de politierechter zal het hof dan ook het vonnis van de politierechter vernietigen en beslissen als hierna te melden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Wijst de zaak terug naar de rechtbank Limburg, teneinde op de bestaande dagvaarding opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Aldus gewezen door

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

mr. H.D. Bergkotte en mr. E.F.G.M. Gelderman, raadsheren,

in tegenwoordigheid van A van Baast, griffier,

en op 27 februari 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J. Huurman-van Asten en mr. E.F.G.M. Gelderman zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.