Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:643

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
13-03-2014
Zaaknummer
20-004395-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens inbraak tot een gevangenisstraf van 10 weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004395-11

Uitspraak : 5 februari 2014

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

‘s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 november 2011 in de strafzaak met parketnummer

01/840227-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1990],

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van diefstal met braak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, met aftrek van voorarrest.

Tevens heeft de eerste rechter beslist over schadevergoeding aan de benadeelde partij, aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd en beslist over in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd:

- dat het gerechtshof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest;

- dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- dat het hof wat betreft de in beslag genomen voorwerpen deels zal beslissen tot teruggave en deels tot onttrekking aan het verkeer.

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit, met niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering.

Subsidiair, indien het hof komt tot een bewezen verklaring, heeft de verdediging verzocht een werkstraf op te leggen en een gevangenisstraf voor een duur gelijk aan het voorarrest, één en ander met referte ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

Zowel in haar primaire als in haar subsidiaire standpunt heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof wat betreft het beslag.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 02 maart 2011 te Heesch, gemeente Bernheze, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit [café] heeft weggenomen een spaarkas en/of een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het bewijs1

Een proces-verbaal van aangifte, d.d. 2 maart 2011, doorgenummerde dossierpagina’s 80 tot

en met 84, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 1], zakelijk

weergegeven:

Ik ben eigenaar van [café] aan [adres] te Heesch, gemeente Bernheze. Ik doe aangifte van inbraak in mijn café. Op 2 maart 2011 rond 00.00 uur – 00.30 uur is het café gesloten. Die nacht werd ik wakker van een breekgeluid. Toen ik beneden was, zag ik dat bij de toegangsdeur van het café de ruit was vernield. Ik heb het café bekeken en zag dat twee gokkasten waren opengebroken. Ook zag ik dat de spaarkas van de muur was gehaald. Er is een geldbedrag weggenomen.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

Een proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 2 maart 2011, doorgenummerde dossier-pagina’s 85 en 86, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Op 2 maart 2011 zag ik dat de ruit van de toegangsdeur naar het café aan [adres] te Heesch helemaal kapot was. Ik zag een putdeksel bij de deur liggen. Ik zag dat twee gokkasten in het café opengebroken waren. Ik zag ook dat de spaarkas weggenomen was.

Een proces-verbaal van aangifte, d.d. 2 maart 2011, doorgenummerde dossierpagina’s 99 tot en met 101, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 2], zakelijk weergegeven:

Ik ben namens [slachtoffer 3] gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik doe aangifte van vernieling van twee gokkasten en van diefstal uit de twee gokkasten, welke eigendom zijn van [slachtoffer 3]. De gokkasten staan in [café] te Heesch. Op 2 maart 2011 is ingebroken in [café]. Daarbij zijn de twee gokkasten opengebroken en is de inhoud, geld. weggenomen. Een gedeelte van dat geld is voor [café] en het andere gedeelte voor [slachtoffer 3]. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

4.

Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 2 maart 2011, doorgenummerde dossierpagina’s

74

tot en met 76, voor zover inhoudende het relaas van bevindingen en eigen waarnemingen

van de verbalisanten J.J.P. Beaart, hoofdagent van politie, en A.J.J.C van Eijk, agent van

politie, zakelijk weergegeven:

Op 2 maart 2011, omstreeks 04.45 uur, kregen wij de melding dat ingebroken zou worden in café [slachtoffer 1] (het hof begrijpt, gelet op de inhoud van het procesdossier: [café] van aangever [slachtoffer 1]) te Heesch.

Wij zijn in de richting van Heesch gereden. Wij zagen uit Heesch komen rijden een roodkleurige Volkswagen Golf. Ik, verbalisant Beaart, heb de bestuurder een stopteken gegeven. Wij zagen dat de bestuurder van de Volkswagen Golf een tas naar buiten gooide. Wij zagen dat de ons ambtshalve bekende [verdachte] achter het stuur van de Volkswagen Golf zat. Wij zagen dat in de Volkswagen Golf een spaarkas lag. Ik, verbalisant Van Eijk vroeg aan verdachte of hij alleen was. Ik hoorde dat verdachte [verdachte] zei: “Ik was met twee vrienden maar ik zeg niet wie dit waren”. Ik, verbalisant Beaart, zag dat in de tas die door de bestuurder uit de auto was gegooid, een aanzienlijke hoeveelheid muntgeld zat.

Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 2 maart 2011, doorgenummerde dossierpagina’s

77

en 78, voor zover inhoudende het relaas van bevindingen en eigen waarnemingen van de

verbalisanten M.P.T. Peters, agent van politie, en E. Timmermans, hoofdagent van politie,

zakelijk weergegeven:

Op 2 maart 2011, omstreeks 04.45 uur, hebben wij een onderzoek ingesteld op locatie [adres] te Heesch. Wij gingen samen met de eigenaars het café binnen. Wij zagen binnen nog twee putdeksels liggen. Wij zagen dat er glasscherven en muntgeld op de grond lagen. Wij zagen tevens dat er in het café twee gokautomaten opengebroken waren. Wij hoorden de eigenaars zeggen dat er ook een bruine spaarkas was weggenomen.

6.

Een proces-verbaal Sporenonderzoek, d.d. 2 maart 2011, doorgenummerde dossierpagina’s

95

tot en met 97, voor zover inhoudende het relaas van bevindingen en eigen

waarnemingen van de verbalisant W.J.H.G. Schouten, agent van politie, zakelijk

weergegeven:

Op 2 maart 2011 werd door mij een onderzoek verricht in een café aan [adres] te Heesch, gemeente Bernheze. Bij het door mij ingestelde onderzoek zag ik het volgende:

De toegang was verkregen door de ruit in de buitendeur. Door de ontstane opening kon het café worden binnen geklommen. Binnen waren bij de twee speelautomaten de kleppen voor de geldbakken en de geldlades opengebroken. De geldbakken en geldlades waren uit de speelautomaten genomen en het geld was eruit weggenomen.

7.

Een proces-verbaal van relaas, d.d. 23 maart 2011, doorgenummerde dossierpagina’s 30 tot

en met 48, voor zover inhoudende het relaas van bevindingen en eigen waarnemingen van

de verbalisant W.M.J. Stensen, zakelijk weergegeven:

(pagina’s 34-37)

Camerabeelden:

Op 2 maart 2011 deelde aangever [slachtoffer 1] mee dat hij een DVD met beelden van de inbraak had gekregen van [getuige 2].

Nader onderzoek camerabeelden:

Op 2 maart 2011 werden door mij de beelden bekeken. Zichtbaar is het pand [adres] te Heesch. Met name de zijgevel van het pand, waar de toegangsdeur zit, is goed zichtbaar.

Om 05.57.22/23/24/25 uur (opmerking hof: gelet op de onder bewijsmiddel 8 weergegeven verklaring van getuige [getuige 2], is dit tijdstip in werkelijkheid 4.41.12/13/14/15 uur) is zichtbaar dat drie personen aan komen lopen over [straat 1]. Een persoon blijft in eerste instantie staan nabij een raam in de zijgevel en de twee andere personen begeven zich iets verder en blijven kort stilstaan nabij een ander raam c.q. de raamluiken. Zichtbaar is dat een persoon zich bukt, waarbij de andere 2 personen zich naar en/of in de richting van de toegangsdeur begeven.

De drie personen lopen weer terug naar de toegangsdeur en gaan verder met hun bezigheden, waar zij eerder in gestoord werden. Het is dan 05.58.02 uur (opmerking hof: gelet op de onder bewijsmiddel 8 weergegeven verklaring van getuige [getuige 2], is dit tijdstip in werkelijkheid 4.41.52 uur). Zichtbaar is dat de personen zich bij de toegangsdeur bevinden.

Om 5.58.07 uur is zichtbaar dat een persoon iets door de ruit gooit. Er valt iets naar beneden uit de toegangsdeur. Kort daarop is de toegangsdeur open. De personen zijn niet meer zichtbaar; ze zijn dan binnen.

Om 5.59.37 (opmerking hof: gelet op de onder bewijsmiddel 8 weergegeven verklaring van getuige [getuige 2], is dit tijdstip in werkelijkheid 4.43.27 uur) komt een persoon naar buiten en loopt hard weg over [straat 1] in de richting van [straat 2]. Deze persoon draagt iets in zijn handen.

Om 5.59.41 uur komt wederom een persoon naar buiten en loopt hard weg over [straat 1] in de richting van [straat 2]. Deze persoon draagt iets in zijn handen.

Om 5.59.45 uur komt wederom een persoon naar buiten en loopt hard weg over [straat 1] in de richting van [straat 2]. Deze persoon draagt iets onder zijn arm.

(pagina’s 45 en 46)

Onder verdachte [verdachte] werden in beslag genomen een spaarkas en een tas met inhoud. De inhoud van de tas bestond onder meer uit muntgeld, handschoenen, twee bivakmutsen, een handlamp, een breekijzer en twee schroevendraaiers. Na telling bleek dat het 1583,80 euro aan munten betrof. De spaarkas en de euromunten werden teruggegeven aan aangever [slachtoffer 1].

8.

Een proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 2 maart 2011, doorgenummerde dossierpagina’s 87 en 88, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2], zakelijk weergegeven:

Ik heb een bedrijf te Heesch. Ik hoorde van [slachtoffer 1] (het hof begrijpt, gelet op de inhoud van het procesdossier: aangever [slachtoffer 1]), dat in zijn bedrijf was ingebroken. Ik heb mijn bewakings-beelden bekeken. Ik zag hierop dat 3 personen bij het pand van [slachtoffer 1] stonden en daar inbraken. Ik sta deze DVD af voor het onderzoek. Het tijdstip is niet juist. Deze moet je 1 uur, 16 minuten en 10 seconden terug denken.

9.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 2 maart 2011, doorgenummerde dossierpagina’s 63 tot en met 67, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik weet dat ik word verdacht van inbraak. Ik was op het goede pad, maar ik heb me weer laten beïnvloeden door anderen. Ik ben naar Heesch gereden. Dit was 2 maart 2011. Ik reed in mijn auto, een rode Volkswagen Golf, en zag een politieauto aan komen. Mijn twee vrienden zaten bij mij in de auto.

Ik heb geprobeerd de tas in mijn auto uit de auto te gooien en dit was gelukt.

10.

Een proces-verbaal van aanhouding, d.d. 2 maart 2011, doorgenummerde dossierpagina’s 53 en 54, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 2 maart 2011, omstreeks 04.50 uur, hielden wij als verdachte aan:

Achternaam : [achternaam verdachte]

Voornaam : [voornaam verdachte]

Geboren : [geboortedatum verdachte]

Geboorteplaats : [geboorteplaats verdachte]

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

Daartoe is in de kern aangevoerd dat uit bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte één van de drie inbrekers is geweest zoals die zijn waargenomen op de camerabeelden. Voorts zijn er geen bewijsmiddelen waaruit volgt dat verdachte ten aanzien van de inbraak als medepleger nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen.

Dat verdachte niet een van de drie inbrekers was en evenmin vooraf op de hoogte was van de inbraak is, aldus de raadsman, aannemelijk op grond van de verklaring die verdachte heeft gegeven voor zijn aanwezigheid in Heesch die nacht en de aanwezigheid van de onder hem aangetroffen goederen die bij de betreffende inbraak zijn weggenomen. Die verklaring van verdachte houdt in:

- dat hij op enig moment op 2 maart 2011 door vrienden cq. kennissen werd gebeld met het verzoek om hen in Heesch met de auto op te komen halen;

- dat hij daarop naar Heesch is gereden en op een afgesproken plek heeft staan wachten;

- dat de plek waar hij langere tijd heeft staan wachten op een afstand van circa 800 meter van [café] ligt;

- dat op een gegeven moment de vrienden cq. kennissen aan kwamen gerend, dat zij goederen in zijn auto gooiden, dat zij zijn ingestapt en dat ze tegen hem zeiden dat hij weg moest rijden;

- dat hij, op het moment dat de politie hem achterna kwam gereden, is gevlucht;

- dat hij, op een moment dat hij de politie niet achter zich zag, is gestopt en zijn passagiers uit de auto heeft gezet;

- dat hij alleen verder is gereden en zag dat hij wederom door de politie werd achtervolgd, en

- dat hij op een gegeven moment de door zijn passagiers daarin gelegde tas uit zijn auto heeft gegooid.

Het hof overweegt als volgt.

B.

Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt onder meer:

- dat op 2 maart 2011, tussen 04.41.12 uur en 4.43.35 uur drie personen hebben ingebroken in [café], waarbij muntgeld uit gokkasten is gehaald en een spaarkas werd buitgemaakt;

- dat de drie inbrekers vervolgens met de buit in dezelfde richting zijn weggerend;

- dat verdachte zich zeer kort daarna met twee andere personen in een auto bevond, immers vastgesteld is dat hij zich als bestuurder van een personenauto kort na 04.45 uur aan de politie heeft willen onttrekken;

- dat hij, op zijn vlucht voor de politie, een tas via het autoportier naar buiten heeft gegooid;

- dat verdachte omstreeks 04.50 uur door de politie is aangehouden;

- dat in de auto van verdachte de bij de inbraak buitgemaakte spaarkas is aangetroffen, en

- dat in de tas die verdachte uit zijn auto heeft gegooid, een aanzienlijke hoeveelheid muntgeld zat.

Op grond van vorenstaande is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte één van de drie personen is geweest die op 2 maart 2011 hebben ingebroken in [café] en daarbij een hoeveelheid geld en een spaarkas hebben weggenomen.

Het hof hecht dan ook geen geloof aan de hierboven weergegeven verklaring van verdachte, te meer niet nu verdachte zelf ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van het aantal “kennissen/vrienden” zonder enige motivering/onderbouwing zijn verklaring heeft gewijzigd: hij heeft alstoen verklaard dat het er geen twee maar drie waren.

Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Op grond van de redengevende feiten en omstandigheden, zoals deze volgen uit de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, alsmede de bewijsoverwegingen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 02 maart 2011 te Heesch, gemeente Bernheze, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in [café] heeft weggenomen een spaarkas, toebehorende aan [slachtoffer 1] en een hoeveelheid geld, toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte zich, samen met anderen, heeft schuldig gemaakt aan – kort gezegd – diefstal met braak.

De eerste rechter heeft verdachte daarvoor een gevangenisstraf van 8 weken opgelegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake daarvan zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 2 maanden.

De verdediging heeft oplegging van een werkstraf en een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan het voorarrest bepleit.

Het hof overweegt het volgende.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft samen met anderen ingebroken in een horecagelegenheid. Zij hebben een ruit van de toegangsdeur vernield om het pand te kunnen betreden en hebben vervolgens gokautomaten opengebroken en een spaarkas en muntgeld weggenomen.

Ten aanzien van de ernst van het feit heeft het hof rekening gehouden met:

  • -

    de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de mate waarin feiten als het bewezen verklaarde in het algemeen schade teweeg brengen aan de eigenaar van de weggenomen goederen dan wel diens verzekeraar, alsmede de mate van overlast en ergernis die door dergelijke delicten wordt veroorzaakt voor de gedupeerde.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof voorts gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.

3 december 2013, waaruit (onder meer) blijkt dat verdachte op 25 januari 2011 is veroordeeld voor een op 15 maart 2010 gepleegde inbraak in een bedrijf en diefstal van een auto;

- de omstandigheid dat verdachte onderhavige inbraak heeft gepleegd, terwijl hij in een proeftijd liep van een op 25 januari 2011 aan hem opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;

- de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof heeft zich wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf rekenschap gegeven van de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid. Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf bij een inbraak in een bedrijfspand, waarbij sprake is van recidive, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 weken.

Het hof ziet geen aanleiding, evenmin in de ter terechtzitting naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van verdachte, om van voornoemd oriëntatiepunt af te wijken. Het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht maakt dat niet anders.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof aan de verdachte een gevangenisstraf van 10 weken zal opleggen.

Beslag

Onder verdachte zijn voorwerpen in beslag genomen. Anders dan de eerste rechter ziet het hof niet dat daar voorwerpen onder zijn die onttrekking aan het verkeer rechtvaardigen. Omdat verbeurdverklaring, gelet op de daarvoor geldende criteria, evenmin in aanmerking komt en niet is gebleken dat er verder enig strafvorderlijk belang zich tegen teruggave verzet, zal het hof daarvan de teruggave aan verdachte gelasten.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 226,89. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen:

  • -

    muts (kleur zwart, cap Ralph Lauren, goednummer 280331);

  • -

    zaklantaarn (kleur roze, goednummer 280332);

  • -

    2 zaklantaarns (zilverkleurig, goednummer 280333);

  • -

    jas (kleur bruin, Dolce & Gabbana, goednummer 280452);

  • -

    jas (kleur zwart, Adidas Chile, goednummer 280453).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 226,89 (tweehonderdzesentwintig euro en negenentachtig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van EUR 226,89 (tweehonderdzesentwintig euro en negenentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.  

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. J.W. de Ruijter, voorzitter,

mr. A.J.M. van Gink en mr. E.N. van der Spoel, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Biljard, griffier,

en op 5 februari 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. A.J.M. van Gink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 De volgende bewijsmiddelen zijn – tenzij anders vermeld – afkomstig uit het proces-verbaal van regiopolitie Brabant-Noord, District Maasland, D2 – Team Zuid Oss-Bernheze-Maasdonk, OPS-dossiernummer 2011021239, sluitingsdatum dossier 23 maart 2011, op ambtseed opgemaakt door W.M.J. Stensen, bestaande uit in de wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 107.