Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:6247

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
09-01-2019
Zaaknummer
20-002258-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002258-10

Uitspraak : 10 september 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van

4 juni 2010 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 04-610057-07 en

04-856042-10, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van - kort gezegd - tweemaal afpersing in vereniging en verduistering (respectievelijk feiten 2, 3 en 4 op de dagvaarding met parketnummer 04-610057-07) en mishandeling en bedreiging met zware mishandeling (respectievelijk feiten 1 primair en 2 op de dagvaarding met parketnummer 04-856042-10) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis. Voorts heeft de eerste rechter beslist over schadevergoeding voor de benadeelde partijen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting, worden begrepen als uitdrukkelijk niet te zijn gericht tegen de vrijspraak ter zake van hetgeen aan de verdachte op de dagvaarding met parketnummer 04-610057-07 onder 1 en op de dagvaarding met parketnummer 04-856042-10 onder 3 primair en subsidiair is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Bij vonnis, waarvan beroep, is de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Deze benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] is in hoger beroep derhalve niet meer aan de orde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep - onder aanvulling van de bewijsmiddelen met de inhoud van de getuigenverhoren door de raadsheer-commissaris - zal bevestigen, met uitzondering van de aan de verdachte opgelegde straf en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijfenvijftig maanden met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis.

Namens verdachte is integrale vrijspraak bepleit en is subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Wat betreft feit 1 subsidiair op de dagvaarding met parketnummer 04-856042-10 stelt het hof vast dat ditzelfde feit aan verdachte is tenlastegelegd bij feit 3 subsidiair van diezelfde dagvaarding. Aangezien verdachte van laatstgenoemd feit onherroepelijk is vrijgesproken, zal het hof - gelet op artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht – het openbaar ministerie in zijn strafvervolging voor feit 1 subsidiair niet-ontvankelijk verklaren.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 04-610057-07:

2:
hij op of omstreeks 02 oktober 2005 te Blerick, in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en een mobiele telefoon, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit: het duwen tegen en/of trekken aan en/of schoppen van die [slachtoffer 1] en/of uit het dreigend een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd drukken van die [slachtoffer 1] en/of dreigend een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, richten op althans tonen aan die [slachtoffer 1] , en/of het duwen tegen en/of trekken aan en/of schoppen van die [slachtoffer 2] en/of uit het met een honkbalknuppel, in elk geval met een hard voorwerp, op het hoofd slaan van die [slachtoffer 2] en/of uit het dreigend een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd drukken van die [slachtoffer 2] en/of dreigend een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, richten op althans tonen aan die [slachtoffer 2] ;

3:
hij op of omstreeks 07 februari 2005 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] hebben/heeft gedwongen tot de afgifte van een aantal mobiele telefoons, een aantal sieraden en een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, respectievelijk geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit het met een hard voorwerp en/of met (een) vuist(en) slaan van die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of uit het op een bed drukken en/of gedrukt houden van die [slachtoffer 3] en/of uit het dreigend een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd drukken van en/of richten op althans tonen aan die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of uit het (daarbij) op dreigende toon zeggen: "Ik schiet je dood, ik schiet je dood", in elk geval woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking;

4
primair:

hij op of omstreeks de periode van 13 april 2007 tot en met 2 oktober 2007 in de gemeente(n) Maasdriel en/of Venlo, in elk geval in Nederland, opzettelijk vier, in elk geval een aantal autovelgen met banden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als koper, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

4 subsidiair:
hij in of omstreeks de periode van 13 april 2007 tot en met 2 oktober 2007 te Kerkdriel, in elk geval in de gemeente Maasdriel, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van vier, in elk geval een aantal autovelgen met banden, in elk geval van enig goed, immers heeft verdachte met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voorgedaan als een bonafide klant, waardoor die [benadeelde 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;


Zaak met parketnummer 04-856042-10:


1:
hij op of omstreeks 10 juli 2009 in de gemeente Venlo opzettelijk mishandelend [slachtoffer 5] meermalen, althans eenmaal tegen het gezicht, althans tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 5] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2:
hij op of omstreeks 10 juli 2009 in de gemeente Venlo [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 5] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik sla al je tanden eruit, kut Turk.”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 04-610057-07 onder 3 en het in de zaak met parketnummer 04-856042-10 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Feit 3, parketnummer 04-610057-07

Verdachte is weliswaar voorafgaand aan de overval in het hotel geweest waar later die avond de overval heeft plaatsgevonden en ook is hij is na de overval samen met zijn broer in de nabijheid van dat hotel in een auto aangetroffen, maar dat levert nog geen bewijs op voor enige betrokkenheid van verdachte bij die overval.

Feit 1, parketnummer 04-856042-10

Gelet op enerzijds de inconsistenties in de verklaringen van aangever en zijn broer met betrekking tot het aantal slagen en de wijze waarop zou zijn geslagen en anderzijds het ontbreken van enig ander objectief bewijs, is het hof -met de raadsman- van oordeel dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 04-610057-07 onder 2 en 4 primair en in de zaak met parketnummer 04-856042-10 onder

2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 04-610057-07:

2:
hij op 2 oktober 2005 te Blerick, in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld toebehorende aan die [slachtoffer 1] , welk geweld en welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit het duwen tegen die [slachtoffer 1] en uit het dreigend een vuurwapen tegen het hoofd drukken van die [slachtoffer 1] , en het duwen tegen [slachtoffer 2] en uit het met een honkbalknuppel op het hoofd slaan van die [slachtoffer 2] en uit het dreigend een vuurwapen richten op die [slachtoffer 2] .

4 primair:
hij op 13 april 2007 in Nederland, opzettelijk vier autovelgen met banden, toebehorende aan een ander dan aan verdachte, welke goederen verdachte anders dan door misdrijf, te weten als koper, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Zaak met parketnummer 04-856042-10 (gevoegd):

2:
hij op 10 juli 2009 in de gemeente Venlo [slachtoffer 5] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 5] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik sla al je tanden eruit, kut Turk.".

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep - op gronden zoals weergegeven in de overgelegde pleitnota - integrale vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe voor zover hier van belang - kort gezegd - het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 2 op de dagvaarding met parketnummer 04-610057-07 heeft de raadsman bepleit dat de verklaringen van aangevers niet consistent zijn, niet alleen als het gaat over de reden voor hun komst naar Venlo, maar over alles wat er die dag zou zijn voorgevallen. De verklaringen zijn derhalve niet bruikbaar voor het bewijs, aldus de raadsman.

Ten aanzien van feit 4 op de dagvaarding met parketnummer 04-610057-07 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte de velgen met banden heeft gekocht en geleverd gekregen. Er is derhalve een koopovereenkomst tot stand gekomen en verdachte is eigenaar geworden van de goederen. Verdachte heeft weliswaar niet betaald, maar gelet op de omstandigheid dat verdachte wel al eigenaar was kan hij zich de velgen met banden niet meer wederrechtelijk hebben toegeëigend. Primair heeft de raadsman daarom verzocht om de dagvaarding op dit punt nietig te verklaren. Subsidiair heeft de raadsman vrijspraak bepleit.

Ten aanzien van feit 2 op de dagvaarding met parketnummer 04-610057-07 heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van aangever [slachtoffer 5] en diens broer [getuige 1] ongeloofwaardig zijn en derhalve onbruikbaar zijn voor het bewijs. Indien het hof de verklaringen wel voor het bewijs wenst te gebruiken, heeft de raadsman subsidiair verzocht om [slachtoffer 5] en [getuige 1] als getuigen te horen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Feit 2, parketnummer 04-610057-07

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof het volgende vast.

Op 2 oktober 2005 kregen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de melding te gaan naar de Baarlosestraat te Blerick. Daar zouden twee mannen lopen die beroofd zouden zijn. Op de Eindhovenseweg, op de Maasbrug, zagen de verbalisanten twee mannen lopen die aan het doorgegeven signalement voldeden. Eén van de twee mannen, de latere aangever [slachtoffer 1] , kwam hevig geshockeerd en huilend naar hen toe. De andere man, de latere aangever [slachtoffer 2] , bloedde hevig aan zijn hoofd. [slachtoffer 1] zei huilend dat ze overvallen waren en dat ze bedreigd waren met een vuurwapen.

De verklaringen van aangevers komen er in de kern op neer dat zij op 2 oktober 2005 een woning zijn binnen geduwd en dat aangever [slachtoffer 1] door geweld en bedreiging met geweld jegens hem en jegens aangever [slachtoffer 2] is gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld.

De verdachte heeft in eerste aanleg verklaard dat er op 2 oktober 2005 twee mannen in zijn woning zijn geweest, met wie hij heeft gevochten en die hij heeft geslagen. Er is die dag bloed gevloeid in zijn woning, aldus de verdachte.

In de woning van verdachte is door de politie ook bloed aangetroffen.

Naar het oordeel van het hof geeft het feit dat de slachtoffers dusdanig ontredderd waren toen zij door de politie werden aangetroffen steun aan hun lezing van het gebeurde, hetgeen voorts bevestiging vindt in de hoofdwond van aangever [slachtoffer 2] en de bevindingen van de politie in de woning van verdachte. Met de raadsman constateert het hof dat de verklaringen van aangevers op onderdelen tegenstrijdigheden bevatten. Naar het oordeel van het hof is dat evenwel niet onbegrijpelijk tegen de achtergrond van het voorafgegane geweld en de hectiek van de situatie in de woning van verdachte. Het hof acht de verklaringen van aangevers, voor zover tot bewijs gebezigd en in onderlinge samenhang en (tijd)verband bezien met de overige bewijsmiddelen, dan ook betrouwbaar en verwerpt het verweer van de raadsman.

Feit 4, parketnummer 04-610057-07

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte als koper, op het moment dat hij met zijn auto met nieuwe velgen en banden wegreed voor het maken van een proefrit, de levering door [bedrijf] nog niet had geaccepteerd, zodat de eigendom van deze banden en velgen nog niet was overgedragen. Verdachte had om die reden deze goederen niet als eigenaar, maar als houder en anders dan door misdrijf onder zich, waarna hij zich deze goederen wederrechtelijk heeft toegeëigend. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Feit 2, parketnummer 04-856042-10

Aangever [slachtoffer 5] en diens broer [getuige 1] hebben ten aanzien van dit feit gelijkluidende verklaringen afgelegd. Voorts vinden deze verklaringen steun in de verklaring van verdachte zelf, voorzover hij heeft erkend dat hij aangever beledigd heeft. Het hof heeft, anders dan de raadsman, geen redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen en bezigt deze voor het bewijs. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en wijst het verzoek tot het horen van aangever en diens broer af, te meer nu dat verzoek is onderbouwd met argumenten die zien op feit 1 van parketnummer 04-856042-10, van welk feit verdachte zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 04-610057-07 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het in de zaak met parketnummer 04-610057-07 onder 4 primair bewezen verklaarde levert op:

Verduistering.

Het in de zaak met parketnummer 04-856042-10 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Bedreiging met zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een afpersing, waarbij jegens de slachtoffers grof geweld is gebruikt en is gedreigd met geweld. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering en heeft hij zich ten opzichte van een andere weggebruiker misdragen door deze te bedreigen met zware mishandeling.

Het hof acht met name de afpersing een zeer ernstig feit aangezien geweldsdelicten als de onderhavige, waarbij personen (op het hoofd) worden geslagen en met een vuurwapen met de dood worden bedreigd, nog lange tijd gevoelens van angst en onzekerheid kunnen veroorzaken bij de slachtoffers.

De raadsman heeft, voor het geval het hof tot een strafoplegging zou komen, gepleit voor een straf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest en heeft in dat verband gewezen op het feit dat de voorlopige hechtenis destijds is opgeheven op grond van artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.

Naar het oordeel van het hof doet de door de raadsman bepleitte strafmaat onvoldoende recht aan de ernst van de feiten.

Het hof komt tot een lagere strafoplegging dan door de advocaat-generaal gevorderd, omdat het hof minder feiten bewezen acht.

Alles overziend acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend.

Het hof houdt bij de strafoplegging echter rekening met zowel het totale tijdsverloop als de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting.

Tussen de inverzekeringstelling van de verdachte (2 oktober 2007) en het vonnis van de rechtbank (4 juni 2010) zijn twee jaren en bijna acht maanden verstreken. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn van bijna acht maanden, terwijl het hof ten aanzien van deze periode niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de op twee jaren te stellen redelijke termijn rechtvaardigen.

Tussen het instellen van hoger beroep (8 juni 2010) en de uitspraak in hoger beroep

(10 september 2014) zijn drie jaren en bijna drie maanden verstreken. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn van één jaar en bijna drie maanden. In hoger beroep heeft de verdediging verzocht om het horen van getuigen. Dit verzoek is voor wat betreft het horen van de getuigen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [getuige 2] door het hof ingewilligd. Het, deels in het buitenland, horen van deze getuigen heeft langere tijd in beslag genomen. Hoewel het een verzoek van de verdediging betrof, voert het te ver om de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep geheel voor rekening van de verdediging te laten.

Gelet op enerzijds de tijd die is verstreken sinds het plegen van het voor de strafmaat meest bepalende strafbare feit, te weten de van 2 oktober 2005 daterende afpersing, en anderzijds de overschrijding van de redelijke termijn met (in zijn totaliteit) meer dan twaalf maanden , zal het hof ter compensatie de voorgenomen en op zichzelf passende onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden verminderen tot na te melden straf.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.885,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Nu aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [slachtoffer 3] in de vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

De benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 804,50 ten gevolge van het onder 1 en 2 op de dagvaarding met parketnummer 04-856042-10 ten laste gelegde handelen van verdachte. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 100,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 04-856042-10 onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor wat betreft de gevorderde materiële schade kan de benadeelde partij [slachtoffer 5] in de vordering niet worden ontvangen, nu aan verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-856042-10 onder 1 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde materiële schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 63, 285, 317 en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-856042-10 onder 1 subsidiair ten laste gelegde.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 04-610057-07 onder 3 en in de zaak met parketnummer 04-856042-10 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 04-610057-07 onder 2 en 4 primair en in de zaak met parketnummer 04-856042-10 onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 04-610057-07 onder 2 en 4 primair en in de zaak met parketnummer 04-856042-10 onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 (zevenentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-856042-10 onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] , een bedrag te betalen van € 150,00 (honderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,

mr. H. Eijsenga en mr. P.M. Frielink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.C. Silanoe-Lemmers, griffier,

en op 10 september 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.