Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5665

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-12-2014
Datum publicatie
30-12-2014
Zaaknummer
HD 200.112.464_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

appellante gedeeltelijk niet-ontvankelijk in haar vordering in hoger beroep op grond van het bepaalde in artikel 3:301 lid 2 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 301
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.112.464/01

arrest van 30 december 2014

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante],

advocaat: mr. J.G.A. Linssen te Tilburg,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: mr. L.G.M. Delahaije te Breda,

als vervolg op de door het hof gegeven beslissing van 25 september 2012 en het door het hof gewezen tussenarrest van 3 december 2013 in het bij exploot van dagvaarding van 6 juni 2012 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Breda onder zaak- en rolnummer 235514 / HA ZA 11-909 tussen appellante – [appellante] – als gedaagde en geïntimeerde
– [geïntimeerde] – als eiser gewezen vonnissenvan 27 juli 2011 en 7 maart 2012.

Het tussenarrest van 3 december 2013

9. [appellante] is bij het bestreden vonnis van 7 maart 2012 veroordeeld tot:

- levering aan [geïntimeerde] van een L-vormige stuk landbouwgrond, gelegen aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend als secties [sectieletter] nr. [sectienummer 1] gedeeltelijk en [sectienummer 2] gedeeltelijk, zoals gearceerd op de aan het betreffende koopcontract van makelaar [makelaar] gehechte kadastrale plattegrond, gemerkt A, tegen betaling door [geïntimeerde] van de koopprijs van € 12,50 per m2 volgens de door het kadaster te berekenen oppervlakte (dictum sub 4.1.),
waarbij is bepaald dat, wanneer [appellante] niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis heeft voldaan aan deze veroordeling, het vonnis conform artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats zal kunnen treden van de toestemming van [appellante] bij het verlijden van de notariële transportakte (dictum sub 4.2.);

- vergoeding aan [geïntimeerde] van de schade die is en zal worden geleden als gevolg van het niet tijdig leveren van genoemde landbouwgrond, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf de momenten waarop die schade is of zal worden geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet (dictum sub 4.3.);

- betaling van de proceskosten (dictum sub 4.4.).

10. Bij genoemd tussenarrest van 3 december 2013 heeft het hof geoordeeld dat [appellante] niet ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep voor zover dit betreft de beslissingen zoals weergegeven in het bestreden vonnis van 7 maart 2012 onder 4.1. en 4.2. van het dictum en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Het hof heeft voorts geoordeeld dat [appellante] wel ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep voor zover ziende op de beslissingen zoals weergeven in het bestreden vonnis van 7 maart 2012 onder 4.3. en 4.4 van het dictum.

11. De zaak is vervolgens naar de rol verwezen voor akte uitlating aan de zijde van [appellante] teneinde haar in de gelegenheid te stellen desgewenst van grieven te dienen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

De verdere procedure

12. [appellante] heeft hierop een akte genomen en [geïntimeerde] heeft bij antwoordakte gereageerd. Daarna heeft [appellante] van grieven gediend en [geïntimeerde] een memorie van antwoord genomen. Ten slotte is uitspraak bepaald.

De verdere beoordeling

13. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de gebondenheid van [appellante] aan een door [geïntimeerde] gestelde koopovereenkomst betreffende een stuk landbouwgrond, althans over de omvang van een door [appellante] aan [geïntimeerde] verkocht stuk landbouwgrond. [geïntimeerde] heeft – kort gezegd – in voormelde rechtbankprocedure levering gevorderd van het naar zijn stellingen door [appellante] verkochte stuk landbouwgrond en voorts vergoeding gevorderd van de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het feit dat [appellante] dit stuk landbouwgrond niet op de volgens [geïntimeerde] overeengekomen leveringsdatum van 1 mei 2011 aan [geïntimeerde] heeft geleverd. De rechtbank heeft deze vorderingen als hierboven vermeld toegewezen.

14. [appellante] heeft in voormelde memorie van grieven onder aanvoering van twee grieven geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis van 7 maart 2012 en tot alsnog afwijzing van voormelde vordering tot schadevergoeding van [geïntimeerde] onder veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen door [appellante] reeds is betaald ter voldoening van laatstgenoemd vonnis en tot vergoeding van de proceskosten in beide instanties, althans tot compensatie van de kosten van de procedure in eerste aanleg en veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van de kosten van de procedure in hoger beroep. Naar het standpunt van [appellante] heeft [geïntimeerde] geen aanspraak op schadevergoeding. [appellante] heeft ter onderbouwing van dit standpunt aangevoerd dat geen sprake is geweest van een toerekenbare tekortkoming van de zijde van [appellante]. [appellante] heeft zich steeds bereid verklaard medewerking te verlenen aan de levering van de volgens haar overeengekomen 2 hectare landbouwgrond. [geïntimeerde] heeft na de ondertekening van de koopovereenkomst een discussie veroorzaakt. [geïntimeerde] is er dan ook verantwoordelijk voor dat er een geschil is ontstaan. Op grond van gevestigde rechtspraak mocht [appellante] ervan uitgaan dat de door partijen getekende koopovereenkomst de afspraken tussen partijen zou bevatten en voorts ook in overeenstemming was met hetgeen [geïntimeerde] voor ogen stond. [appellante] mocht zich derhalve ook op het standpunt blijven stellen dat door haar niet een L-vormig stuk grond was verkocht, maar dat door haar 2 hectare grond was verkocht. Langs de weg van artikel 6:74 BW (het geschil kan [appellante] niet worden toegerekend) dan wel langs de weg van artikel 6:101 BW (er is sprake van eigen schuld bij [geïntimeerde]) komt het geschil voor rekening van [geïntimeerde]. Subsidiair is [appellante] van mening dat een op grond van een discrepantie in de koopovereenkomst ontstane discussie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor rekening van beide partijen moet komen en niet slechts voor rekening van [appellante]. Eerst na ontvangst van voormeld vonnis van 7 maart 2012 van de rechtbank is voor partijen duidelijk geworden hoe het oordeel ten aanzien van de omvang van het verkochte luidde. [appellante] heeft vervolgens vrijwillig haar medewerking verleend aan de levering ingevolge 4.1. van het dictum. De aanvankelijk tussen partijen overeengekomen leveringsdatum van 1 mei 2011 heeft geen ingebrekestellende werking gehad, omdat het toen voor beide partijen onbekend was wat er geleverd moest worden, althans wat er exact geleverd moest worden. [appellante] verkeerde immers (naar het hof de stellingen van [appellante] begrijpt: gerechtvaardigd) in de veronderstelling dat zij 2 hectare grond diende te leveren. Het voor onderhavige aanspraak op schadevergoeding benodigde verzuim is daarom niet ingetreden. Omdat beide partijen een gelijk aandeel hebben in het geschil is het redelijk dat iedere partij de eigen kosten van de procedure in eerste aanleg draagt, zo heeft [appellante] ten slotte gesteld.

15. Volgens [geïntimeerde] is [appellante] wel degelijk tekort geschoten. 1 mei 2011 was duidelijk als uiterste leverdatum gestipuleerd, aldus [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft weersproken dat het gerechtvaardigd was dat [appellante] veronderstelde dat zij 2 hectare grond diende te leveren.

16. [appellante] heeft geen grief gericht tegen het tussenvonnis van 27 juli 2011 en zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk in het hoger beroep worden verklaard.

17. Zoals hierboven reeds vermeld, is bij voormeld tussenarrest van 3 december 2013 overwogen dat [appellante] in onderhavig hoger beroep niet ontvankelijk is voor zover zij de beslissingen zoals weergegeven in het bestreden vonnis van 7 maart 2012 onder 4.1. en 4.2. van het dictum en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen beoogt aan te vechten. Deze overwegingen en beslissingen in eerste aanleg hebben derhalve in onderhavig hoger beroep een onaangetaste status. Blijkens deze overwegingen heeft de rechtbank geoordeeld dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen waarbij [appellante] zich heeft verplicht tot levering als in het dictum onder 4.1. vermeld (letterlijk: “de onroerende zaak (het L-vormig stuk landbouwgrond), gelegen aan de [adres] te [woonplaats], (...) zoals blijkt uit de aan het koopcontract van [makelaar] gehechte kadastrale plattegrond, gemerkt A, met arcering aangegeven”). [appellante] wenst blijkens haar eerste grief – kort gezegd – vastgesteld te zien dat zij in de periode waarin de rechtbank voormeld oordeel nog niet had gegeven, heeft mogen uitgaan van een van dat oordeel van de rechtbank afwijkende inhoud van de koopovereenkomst. De daarbij door [appellante] aangevoerde stellingen betreffen echter rechtstreeks de beoordeling van de leveringsverplichting van [appellante], zoals door de rechtbank gemotiveerd gegeven, waarbij het traject van de totstandkoming van die leveringsverplichting en de door [appellante] gestelde eigen veronderstelling nadrukkelijk aan de orde zijn geweest. Eventuele honorering van de bij de eerste grief van [appellante] aangevoerde stellingen zou tot innerlijk tegenstrijdige uitspraken in één en dezelfde procedure leiden. Reeds hierom kan de eerste grief niet slagen.

18. Ten aanzien van een aantal specifieke stellingen van [appellante] overweegt het hof aanvullend nog het volgende. In het twisten van [geïntimeerde] met [appellante] over de inhoud van de koopovereenkomst, waarbij het door partijen daarbij gehuldigde standpunt ten aanzien van de leveringsverplichting van [appellante] in dit hoger beroep dus niet ter discussie kan worden gesteld, kan zonder verdere toelichting – die ontbreekt – geen aanleiding worden gezien voor het oordeel dat [appellante] de tekortkoming in haar leveringsverplichting niet kan worden toegerekend of dat sprake is van zogenaamde eigen schuld aan de zijde van [geïntimeerde]. Dat [appellante] het oordeel van de rechtbank, waarbij het standpunt van [geïntimeerde] werd bevestigd, heeft afgewacht, komt voor haar eigen risico. De bij [appellante] bestaand hebbende onzekerheid over de uitkomst van de procedure bij de rechtbank maakt op zich geenszins dat zij daardoor verontschuldigd was voor het niet voorafgaand aan de uitspraak al hebben voldaan aan de vastgestelde leveringsverplichting. Het oordeel van de rechtbank dat [appellante] per 1 mei 2011 in verzuim moet worden geacht, omdat zij op deze datum niet heeft geleverd terwijl deze datum de overeengekomen leveringsdatum was en [appellante] voorts tot nakoming is gesommeerd tegen deze datum, heeft [appellante] ook slechts bestreden door inname van haar hierboven onder 17. reeds weergegeven en als niet honoreerbaar beoordeeld standpunt dat zij heeft mogen uitgaan van een van het oordeel van de rechtbank afwijkende inhoud van de koopovereenkomst.

19. Uit het voorgaande volgt dat de eerste grief faalt. De tweede grief betreft alleen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg en is geheel gestoeld is op het slagen van de eerste grief. Deze grief faalt derhalve eveneens. Het bestreden vonnis van 7 maart 2012 zal, voor zover nog aan de orde in dit hoger beroep, worden bekrachtigd.

20. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep.

De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellante] niet ontvankelijk in het hoger beroep voor zover het betreft het bestreden vonnis van de rechtbank Breda van 27 juli 2011;

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover het betreft de veroordelingen zoals weergegeven in het beroepen vonnis van de rechtbank Breda van 7 maart 2012 onder 4.1. en 4.2. van het dictum en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Breda van 7 maart 2012 voor het overige;

veroordeelt [appellante] in de kosten van dit hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 291,- aan verschotten (griffierecht) en € 1.341,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten, indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze nakosten vanaf de vijftiende dag na de datum van dit arrest tot de dag der voldoeding;

verklaart deze veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. T. Rothuizen-van Dijk, H.A.G. Fikkers en E.K. Veldhuijzen van Zanten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 december 2014.

griffier rolraadsheer