Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5661

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-12-2014
Datum publicatie
31-12-2014
Zaaknummer
HD 200.122.499_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Financiële afwikkeling van een overeenkomst betrekking tot het begeleiden van de minnelijke verkoop van een onroerende zaak in verband met het provinciaal Inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.122.499/01

arrest van 30 december 2014

in de zaak van

1 [appellant],

wonende te [woonplaats],

2. [appellante],

wonende te [woonplaats],

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,

hierna in enkelvoud aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. I.A.C. Cools te Tilburg,

tegen

[Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.],

advocaat: mr. J.G.C. van Baar te Sittard,

op het bij exploot van dagvaarding van 7 februari 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Sittard van 12 december 2012, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 450138 CV EXPL 11-4321)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens wijziging van eis met producties;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Op 14 december 2009 heeft [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] aan [appellant] een offerte uitgebracht met

betrekking tot het begeleiden van de minnelijke verkoop dan wel de onteigeningsprocedure

met betrekking tot zijn woning met garage/stallen en bijbehorende weilanden op het adres [het adres 1] te [plaats 1] (hierna ook: de woning). Dit hield verband met het provinciaal Inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg.

3.1.2.

De offerte, die door [appellant] voor akkoord is ondertekend, vermeldt ten aanzien van de bedongen vergoeding de navolgende bepaling:

“Bovengenoemde werkzaamheden kunnen voor u worden uitgevoerd tegen een honorarium van 2,00% (exl. BTW en eventuele kosten van derden) van de totale schadeloosstelling en zoals specifiek met u afgesproken op basis van “no cure-no pay”, zodat er voor u géén kosten uit voortvloeien als de transactie niet doorgaat.

Het is overigens gebruikelijk dat overheden naar redelijkheid en billijkheid een zogenaamde “deskundigenbijstand” aan u zullen vergoeden, waarvoor wij ons in de onderhandelingen sterk zullen maken. Hierbij zullen wij zoals besproken ook de reeds eerder door u gemaakte kosten van de taxatie opvoeren.”

3.1.3.

Uiteindelijk is Houvast met hulp van [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] tot een akkoord gekomen met de

provincie Limburg ten aanzien van de omvang van de schadeloosstelling bij minnelijke

verkoop van de woning. De provincie Limburg heeft de voor vergoeding in aanmerking komende schade exclusief verkoopadvies vastgesteld op € 535.000,-. Voorts heeft de provincie Limburg rechtstreeks aan [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] een vergoeding voor deskundigenbijstand voldaan ad € 10.652,-. Onduidelijk is of de provincie dit bedrag heeft voldaan, dan wel dit bedrag vermeerderd met BTW.

3.1.4.

Als onderdeel van productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg en als productie 1 bij conclusie van antwoord is een specificatie in het geding gebracht onder het hoofd “Schadeberekening [appellant] Vermogensschade [het adres 1]”. Het is het hof niet duidelijk wie deze specificatie bij welke gelegenheid heeft opgemaakt. Beide specificaties bevatten dezelfde bedragen. Productie 1 bij conclusie van antwoord betreft een niet gedagtekende kopie die voorzien is van een handgeschreven en per onderdeel door [appellant] geparafeerde tekst, die luidt als volgt:

“ (...)

* Schadevergoeding provincie € 535.000,-

te ontvangen door fam. [appellant].

* Aankoopbegeleiding incl. btw € 6.907,95

te betalen door fam. [appellant]

* Deskundigenkosten worden door provincie vergoed.

* Resteert € 528.092,05. (...).”

3.1.5.

In december 2010 heeft [appellant] een andere woning gekocht aan [het adres 2] in

[plaats 2].

3.1.6.

[Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] heeft op 2 februari 2011 twee facturen aan [appellant] doen toekomen.

In de factuur met nummer [factuurnummer 1] is € 13.038,21 incl. BTW in rekening gebracht als “Vergoeding begeleiding minnelijke verkoop” waarop [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] bij credit-factuur met het nummer [factuurnummer 2] van 1 april 2011 een bedrag van € 10.652,- heeft gecrediteerd “i.v.m. reeds door Provincie voldane bijdrage vergoeding deskundigenkosten”, waardoor € 2.386,21 resteerde te voldoen.

In een derde factuur van 2 februari 2011 met nummer [factuurnummer 3] is een bedrag van € 5.805,- excl. BTW (€ 6.907,95 incl. BTW) in rekening gebracht, waarop een bedrag van € 2.048,92 excl. BTW als “Coulancekorting” in mindering is gebracht, waardoor € 4.469,74 incl. BTW resteerde te voldoen. Deze factuur vermeldt onder meer: “Conform afspraak d.d. 5 januari 2011: € 6.907,95 incl. BTW”.

3.2.

In de onderhavige procedure vorderde [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] in eerste aanleg veroordeling van [appellant] tot betaling van (€ 2.386,21 + € 4.469,74 =) € 6.855,95 met incassokosten, € 114,95 aan vervallen wettelijke rente, de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2011 en proceskosten. Het ging daarbij om een restantvergoeding voor werkzaamheden in het kader van de bijstand bij de minnelijke verkoop van € 2.386,21 en een vergoeding voor aankoop-begeleiding van € 4.469,74. [appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3.

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering tot een bedrag van € 4.469,74 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 31 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. De overige vorderingen heeft de kantonrechter afgewezen.

3.4.

[appellant] heeft in het principaal hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van door de kantonrechter toegewezen vorderingen.

3.5.

[Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] heeft in incidenteel appel vier grieven aangevoerd en – na vermindering van eis voor wat betreft de hierna onder 1 te noemen vordering en vermeerdering van eis voor wat betreft de hierna onder 2 en 3 te noemen vorderingen en wijziging van eis met betrekking tot de ingangsdatum van de wettelijke rente – vernietiging van het bestreden vonnis gevorderd en hoofdelijke veroordeling van [appellant] tot betaling van:

  1. € 2.133,93, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2011 (restant-vergoeding voor minnelijke verkoop);

  2. € 6.907,95, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2011 (vergoeding voor aankoopbegeleiding);

  3. € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van dagvaarding (incassokosten);

  4. de proceskosten in beide instanties.

3.6.

Tegen de vermeerdering van eis, die de vergoeding voor aankoopbegeleiding en de incassokosten betreft, en tegen de wijziging van eis, die de ingangsdatum van de wettelijke rente betreft, heeft [appellant] bezwaar gemaakt. In dat verband heeft [appellant] aangevoerd dat [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] de facto in hoger beroep een compleet nieuwe procedure begint, wat in strijd zou zijn met een goede procesorde, te meer omdat zich geen feitelijke wijzigingen hebben voorgedaan die de wijziging van eis op alle onderdelen van de vordering kunnen recht-vaardigen. Voorts merkt [appellant] in dit verband op dat [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] zelf geen beroep heeft ingesteld van het vonnis van de kantonrechter. Ten slotte voert [appellant] aan dat de procedure door de handelwijze van [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] onnodig wordt vertraagd.

3.7.

Het hof verwerpt deze bezwaren. Onjuist is dat een geheel nieuwe procedure wordt gestart. De wijzigingen van eis betreffen de omvang van het gevorderde en niet de grond-slagen daarvan, noch de juridische, noch de feitelijke.

Voorts is feitelijk onjuist dat [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] geen beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter. Hij heeft dit nu juist bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het incidenteel appel wel gedaan. De wet biedt [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] daartoe in artikel 339, lid 3 Rv de gelegenheid. Het enkele feit dat [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] van die gelegenheid gebruik maakt, waardoor [appellant] genoodzaakt is in incidenteel appel te antwoorden, kan daarom ook niet worden gezien als een nodeloze vertraging van de procedure.

Evenmin levert de vermeerdering c.q. wijziging van eis op zich een dergelijke vertraging op, omdat de noodzaak van een aanhouding voor het nemen van een nadere memorie na de memorie van antwoord niet voortvloeit uit de vermeerdering of wijziging van eis, maar uit het feit dat [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] incidenteel appel heeft ingesteld.

3.8.

Grief 1 in het principaal appel richt zich tegen de overweging van de kantonrechter dat [appellant] onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat hij zich tegen zijn wil genoodzaakt zag om met de afspraak inzake de aankoopbege-leiding akkoord te gaan. Volgens [appellant] moest hij akkoord gaan met een aankoopbege-leiding aangezien die kosten zouden zijn opgevoerd in de schadeberekening jegens de Provincie, werd door [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] met de vuist op tafel geslagen waardoor hij zich geïntimideerd voelde, werd meegedeeld dat de kosten hoe dan ook aan [appellant] werden doorberekend en voelde [appellant] zich gedwongen hiervoor te tekenen. [appellant] is van mening dat sprake is van dwang en/of valse voorwendselen en dus van een wilsgebrek. Deze grief faalt, waartoe het volgende wordt overwogen.

3.9.

[appellant] noemt geen in de wet opgenomen wilsgebrek. Voor zover hij zich bedoelt te beroepen op bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden is het hof van oordeel dat dat beroep niet opgaat.

3.10.

Veronderstellenderwijs aangenomen dat door de heer [medewerker van Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] (een medewerker van [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.]) met de vuist op tafel geslagen zou zijn en dat dit als intimidatie zou kunnen worden aangemerkt, kan niet worden gezegd dat van die handeling een zodanige bedreiging kan zijn uitgegaan dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed.

3.11.

Verder is niet gesteld of gebleken dat (een medewerker van) [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] [appellant] door een opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling heeft bewogen tot het aangaan van de overeenkomst met betrekking tot de aankoopbegeleiding. Er kan daarom worden niet worden geoordeeld dat sprake is geweest van bedrog.

3.12.

Voor het aannemen van misbruik van omstandigheden zijn in ieder geval bijzondere omstandigheden vereist zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid. [appellant] licht dit niet anders toe dan met de stelling dat hij een leek is. Dat is onvoldoende om te komen tot het oordeel dat [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] wist of moest begrijpen dat [appellant] door bijzondere omstandigheden werd bewogen tot het sluiten van de overeenkomst met betrekking tot de aankoopbegeleiding.

3.13.

Met grief 2 in het principaal appel bestrijdt [appellant] het oordeel van de kantonrechter dat het “zich” door [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] “bemoeien” met de koopprijs van het pand aan [het adres 2] in [plaats 2], het bezichtigen van een mogelijk vervangend pand, het opvragen van bestemmingsplangegevens en het opvragen van kadastrale gegevens (volgens [appellant] onnodig en ongevraagd) zijn aan te merken als werkzaamheden uit hoofde van aankoopbegeleiding. [appellant] betoogt dat hij weliswaar voor een concreet bedrag aan aankoopbegeleiding zijn paraaf heeft gezet, maar dat niet inzichtelijk is gemaakt of geworden welke werkzaamheden [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] in het kader van aankoopbegeleiding zou verrichten. Volgens [appellant] vallen het bezichtigen van een mogelijk vervangend pand, het opvragen van bestemmingsplangegevens en het opvragen van kadastrale gegevens onder de “reconstructieschade”, die onderdeel uitmaakt van “de onteigeningsprocedure” (bedoeld zal zijn: de minnelijke verkoop aan de Provincie) en vallen die werkzaamheden onder de vergoeding als voldaan door de provincie.

3.14.

Of laatstgenoemde drie werkzaamheden onderdeel vorm van het traject van de minnelijke verkoop of het traject van de aankoop van de nieuwe woning zal in het midden worden gelaten, nu in ieder geval als onbetwist vast staat dat [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] zich heeft “bemoeid” met de koopprijs van de uiteindelijk door [appellant] aangekochte woning aan [het adres 2] in [plaats 2], dat [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] op haar kantoor heeft gesproken met [appellant] over de aankoop van die woning, dat zij met de (verkopende) makelaar heeft gecorrespondeerd over de inhoud en de formulering van de koopovereenkomst met betrekking tot de woning en dat zij met [appellant] de koopovereenkomst heeft doorgesproken voordat hij de overeenkomst heeft ondertekend. Naar het oordeel van het hof kan in redelijkheid niet worden gezegd dat die werkzaamheden vallen onder werkzaamheden in het kader van de minnelijke verkoop aan de Provincie en vallen deze werkzaamheden onder de aankoopbegeleiding, waardoor een vergoeding daarvan gerechtvaardigd is.

Dat [appellant] woningen heeft bezichtigd zonder [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] en dat [verkopend makelaar], de verkopend makelaar van de woning, in zijn e-mailbericht van 5 januari 2011 kennelijk van mening was dat [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] [appellant] te weinig bij de hand nam en te weinig aanstuurde (conclusie van repliek onder 21) maakt het voorgaande niet anders.

De stelling van [appellant] dat [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.], in het geval zou worden geoordeeld dat zij als aankoopmakelaar is opgetreden, “bepaald geen kwalitatief hoogstaand werk” heeft geleverd, kan onbesproken blijven, nu [appellant] daaraan in de onderhavige procedure geen juridische consequenties verbindt.

3.15.

Uit het voorgaande volgt dat ook de grieven 3 en 4 in het principaal appel, die opkomen tegen toewijzing van de vergoeding voor de aankoopbegeleiding ad € 4.469,74 en tegen de veroordeling van [appellant] in de proceskosten als de in het ongelijk gestelde partij, falen.

3.16.

Ook grief 2 in het incidenteel appel keert zich tegen toewijzing door de kantonrechter van € 4.469,74 als vergoeding voor de aankoopbegeleiding. De grief houdt verband met de vermeerdering van eis door [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] in die zin dat zij, naar zij stelt, de door haar (in de hoop [appellant] gunstig te stemmen of de relatie tussen partijen te verbeteren) toegepaste “coulancekorting” heeft ingetrokken en nu de volledige vergoeding ad € 6.907,95 vordert. [appellant] bestrijdt de vermeerderde vordering met een beroep op rechtsverwerking, en afstand van recht.

3.17.

Uitgangspunt bij de beoordeling van het beroep op rechtsverwerking is dat enkel tijdsverloop geen toereikende grond oplevert voor het aannemen van rechtsverwerking. Daartoe is immers de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden vereist als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken.

3.18.

Het hof is van oordeel dat hier niet slechts sprake is van enkel tijdsverloop, maar ook van een bijzondere omstandigheid bestaande in het door [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] eenzijdig, kennelijk zonder dat met [appellant] te bespreken, toepassen van een “coulancekorting” van € 2.438,21 op de factuur betreffende de aankoopbegeleiding d.d. 2 februari 2011. Dat aan het verlenen van de korting enige voorwaarde of enig voorbehoud was verbonden, is niet gesteld of gebleken. Na het toepassen van die “coulancekorting” heeft zij daar gedurende meer dan twee jaar aan vastgehouden. In de procedure in eerste aanleg heeft zij betaling gevorderd van het bedrag zoals dat na de korting was gefactureerd. Eerst op 16 juni 2013 heeft zij het bedrag van de coulancekorting ad € 2.438,21 gefactureerd en eerst op 25 juni 2013 heeft zij, bij wijze van vermeerdering van eis, in rechte aanspraak gemaakt op dat bedrag. Onder de aldus gegeven omstandigheden mocht [appellant] erop vertrouwen dat [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] geen aanspraak meer zou maken het laatstgenoemde bedrag. Grief 2 in het incidenteel appel gaat dus niet op.

3.19.

Grief 1 in het incidenteel appel komt op tegen het oordeel van de kantonrechter dat niet kan worden ingezien dat [appellant] (ter zake van de kosten van deskundigen) nog een aanvullend bedrag van € 2.386,21 aan [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] verschuldigd is, aangezien [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] reeds € 10.652,- van de Provincie heeft ontvangen. Het geschil tussen partijen komt er in wezen op neer dat [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] van mening is dat hij 2% mag berekenen over de som van de totale schadevergoeding en de deskundigenkosten (€ 545.600,=), te vermeerderen met btw en te verminderen met de vergoeding van de provincie, terwijl [appellant] het standpunt inneemt dat hij niets hoeft te betalen, omdat de kosten zijn voldaan door de provincie.

3.20.

Het hof leest de offerte/opdrachtbevestiging (zoals geciteerd in r.o. 3.1.2.) aldus dat is overeengekomen dat [appellant] een fee verschuldigd is geworden die zou worden berekend over de totale schadeloosstelling, zoals vermeld op de specificatie, derhalve € 535.000,=. In de offerte/opdrachtbevestiging wordt daarnaast gewag gemaakt van een vergoeding die de provincie pleegt te betalen voor de kosten van bijsdtand door een deskundige. Die posten worden hier separaat van elkaar benoemd en zijn ook separaat van elkaar opgenomen in de specificatie die als productie 1 bij conclusie van antwoord in het geding is gebracht als “Schadeberekening [appellant] Vermogensschade [het adres 1]”.

3.21.

De onderaan de “Schadeberekening [appellant] Vermogensschade [het adres 1]” handgeschreven en door partijen geparafeerde tekst (productie 1 bij conclusie van antwoord) laat voorts geen andere conclusie toe dan dat [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] genoegen zou nemen met de deskundigenkosten zoals die door de Provincie zouden worden betaald. In elk geval heeft [appellant] dat in redelijkheid zo mogen begrijpen. Dat in de getypte tekst de deskundigen-kosten in (overigens wisselende) percentages zijn uitgedrukt, dat daarbij staat “excl. btw” en dat (volgens [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.]) de vraag richting de Provincie was 2% van € 535.000,- excl. 19% BTW (= € 10.700,- excl. BTW/€ 12.733,- incl. BTW) waardoor een verschil ontstond van (€ 12.733 -/- € 10.652 =) € 2.033,- maakt het voorgaande niet anders. Deze (ten opzichte van de getypte tekst) latere, handgeschreven tekst heeft [appellant] zo mogen begrijpen dat alle deskundigenkosten door de Provincie zouden worden vergoed en dat hij met uitzondering van € 6.907,95 aan aankoopbegeleiding verder niets aan [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] verschuldigd was, zodat hij per saldo aan de transactie een bedrag zou overhouden van € 528.092,05, zijnde het bedrag van de schadevergoeding minus de kosten voor aankoopbegeleiding. Indien [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] dit anders zou hebben bedoeld, had het op haar weg gelegen om dit duidelijk met [appellant] te bespreken. Dat zij dit kennelijk niet heeft gedaan, dient voor rekening en risico van [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] te komen.

Grief 1 in het incidenteel appel faalt dus.

3.22.

Met grief 3 in het incidenteel appel bestrijdt [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] de door de kantonrechter bepaalde ingangsdatum van de wettelijke rente (31 augustus 2011). De grief is ingegeven door de wijziging van eis door [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] in die zin dat zij nu aanspraak maakt op de wettelijke rente vanaf 14 dagen na factuurdatum (= 2 februari 2011), derhalve vanaf 16 februari 2011.

3.23.

De aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente bestaat vanaf het moment waarop de schuldenaar in verzuim is geraakt. Niet gesteld of gebleken is dat de betalings-termijn van 14 dagen na factuurdatum een bij de overeenkomst of andere rechtshandeling voor de nakoming gestelde (fatale) termijn is als bedoeld in artikel 6:83, aanhef en onder a, BW. Het verstrijken van die termijn heeft daarom niet geleid tot verzuim aan de zijde van [appellant] en de wettelijke rente kan daarom niet vanaf 16 februari 2011 niet worden toegewezen. Wel voor toewijzing gereed ligt de wettelijke rente vanaf 18 april 2011, zijnde de dag na het verstrijken van de door de gemachtigde van [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] in haar brief van 12 april 2011 (productie 5 bij inleidende dagvaarding) gestelde betalingstermijn van vijf dagen. Die brief kan immers gelden als ingebrekestelling en daarop heeft binnen de gegeven termijn geen betaling plaatsgevonden. Grief 3 in het incidenteel appel treft in zoverre doel.

3.24.

Grief 4 in het incidenteel appel komt op tegen de afwijzing door de kantonrechter van de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 700,-. Volgens [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] zijn buiten-gerechtelijke werkzaamheden verricht die voor vergoeding in aanmerking komen. Conform het Besluit Vergoeding voor Buitengerechtelijke incassokosten belopen de kosten € 1.029,19. [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] beperkt haar (vermeerderde) vordering tot € 1.000,-.

3.25.

[Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] vordert een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit Staffel buitengerechtelijke incassokosten (BIK) en salarissen in rolzaken kanton vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Dat Besluit is echter slechts van toepassing indien het verzuim op of na 1 juli 2012 is ingetreden. Het hof stelt vast dat die situatie in dit geval niet aan de orde is, nu het gaat om een factuur van 2 februari 2011, met de betaling waarvan [appellant] – zoals hiervoor is overwogen - na het verstrijken van de gestelde betalingstermijn van vijf dagen op 18 april 2011in verzuim is geraakt.

De buitengerechtelijke incassokosten betreffen kosten als bedoeld in artikel 96, lid 2 BW zoals die bepaling vóór 1 juli 2012 luidde. Het betreft redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] stelt – onweersproken - dat de buitengerechtelijke werkzaamheden hebben bestaan uit onderzoek dossier, telefonische contacten en diverse schriftelijke aanmaningen en sommaties en dat door haar voormalige gemachtigde inhoudelijk over de kwestie is gediscussieerd (onder verwijzing naar correspondentie, producties 12 tot en met 15 bij memorie van grieven in incidenteel appel). Dat bij elkaar is voldoende om aan te nemen dat werkzaamheden ter verkrijging van voldoening buiten rechte zijn verricht. Dat opdracht is gegeven tot het uitvoeren daarvan is niet onredelijk. Voor de vaststelling van het bedrag dat redelijk is als vergoeding voor deze werkzaamheden verwijst het hof naar de staffel bij het Rapport Voorwerk II en zal het ter zake een bedrag van € 600,- excl. BTW toewijzen. Nu niet anders is gesteld of gebleken, moet worden aangenomen dat [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] de over de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigde btw kan verrekenen, zodat de btw geen schadepost vormt. Feiten of omstandigheden die maken dat een hogere vergoeding gepast zou zijn, zijn het hof niet gebleken.

3.26.

De slotsom is dat grief 3 in het incidenteel appel betreffende de ingangsdatum van de wettelijke rente en grief 4 betreffende de buitengerechtelijke kosten slagen, dat het vonnis in zoverre moet worden vernietigd en dat alle overige grieven in het incidenteel appel falen. Voorts falen alle grieven in het principaal appel.

3.27.

[appellant] zal als de in het principaal appel in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. In het incidenteel appel zullen de kosten van het appel worden gecompenseerd nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover het betreft de daarin uitgesproken veroordeling tot betaling van € 4.469,74 met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2011 en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] hoofdelijk om aan [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 4.469,74, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 april 2011 tot aan de dag van algehele voldoening;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

op het principaal hoger beroep

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [Rentmeesters- & Makelaarskantoor B.V.] worden begroot op € 683,- aan verschotten en op € 632,- aan salaris;

op het incidenteel appel

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder de eigen proceskosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Y.L.L.A.M. Delfos-Roy, I. Bouter en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 december 2014.

griffier rolraadsheer