Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5470

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
HD 200.144.788_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslagvergoeding. Vaststellingsovereenkomst. “Aanvullingsclausule”. Uitleg. Wijzing grondslag vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-1113
AR 2014/1027
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.144.788/01

arrest van 23 december 2014

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. B. Bernard te ‘s-Gravenhage,

tegen

Onderlinge Waarborg Maatschappij Centrale Zorgverzekeraars Groep, Zorgverzekeraar U.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als CZ,

advocaat: mr. S.F.H. Jellinghaus te Tilburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 14 maart 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 december 2013, gewezen tussen [appellant] als eiser en CZ als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. 767824-CV-13-2358)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep;

  • -

    de memorie van antwoord in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep:

  • -

    het pleidooi gehouden op 5 december 2014, waarbij partijen pleitnotities en [appellant] een productie hebben overgelegd;

  • -

    de bij brief van 20 november 2014 door [appellant] toegezonden producties, die hij bij het pleidooi in het geding heeft gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[appellant], geboren op [geboortedatum] 1948, is op 1 juni 1998 als gesprekstrainer in dienst getreden van Delta Lloyd.

3.1.2.

Op enig moment heeft CZ de zorgverzekeringsactiviteiten van Delta Lloyd overgenomen en is [appellant] bij CZ in dienst getreden; uit zijn eerdere dienstverband bij Delta Lloyd genoot [appellant] sinds 1 december 2008 ouderdoms-/prepensioen.

3.1.3.

De integratie van genoemde zorgverzekeringsactiviteiten van Delta Lloyd binnen CZ heeft geleid tot een reorganisatie waarop het Sociaal Plan van Delta Lloyd van 1 juni 2007 - 31 mei 2009, dat CZ heeft overgenomen, van toepassing is.

3.1.4.

In het kader van die reorganisatie is [appellant] aangemerkt als herplaatsingskandidaat. Op grond van het Sociaal Plan kon de kandidaat kiezen uit een twee scenario’s, route A of route B. Route A bestond uit intensieve begeleiding van werk naar werk en route B uit een vertrek op korte termijn op eigen initiatief onder toekenning van een schadeloosstelling op basis van de (oude) Kantonrechtersformule, waarbij de correctiefactor is bepaald op 0,75 (artikel 3.3 Sociaal Plan).

3.1.5.

Bij schrijven van 26 mei 2009 van CZ zijn de keuzes en de daaraan ten grondslag

liggende begrippen nader aan [appellant] verduidelijkt. In dat schrijven wordt onder meer vermeld:

“(…)

Gezien het feit dat u inmiddels al gebruik maakt van een pensioenregeling, is de regeling voor oudere werknemers niet meer voor u van toepassing (zie artikel 3.2.8). Dit geldt immers tot de richtpensioendatum en u bent inmiddels gepensioneerd.

In aanmerking nemende deze situatie zal bij een keuze door u van route A CZ zich tot het uiterste inspannen u te begeleiden bij het vinden van een andere passende of vergelijkbare functie binnen of buiten CZ.

Wanneer u kiest voor route B dan komt u bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst in aanmerking voor een eenmalige beëindigingsvergoeding. Gezien het feit dat u reeds gepensioneerd bent, moet worden aangesloten bij hetgeen bij de toepassing van de kantonrechtersformule ten grondslag ligt aan het Sociaal Plan gebruikelijk is.

Bij de berekening van de aan u toekomende ontslagvergoeding wordt uitgegaan van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 65-jarige leeftijd. De aan u uit te keren schadeloosstelling wordt gemaximeerd tot uw inkomensverlies tot deze datum. Tevens moet de door u ontvangen werkloosheidsuitkering hierop in mindering worden gebracht.

U ontvangt van ons zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vrijdag 29 mei een opgave van de hoogte van deze vergoeding

(…)”.

3.1.6.

Aansluitend daarop is [appellant] op 28 mei 2009 een berekening toegezonden voor het geval hij kiest voor route B. Het desbetreffende schrijven houdt voor zover van belang in:

“(…)

In uw situatie moet u in totaal 51 maanden overbruggen tot uw pensioendatum [geboortedatum] 2013.

Over die periode ontvangt u een aanvulling op uw WW-uitkering die u van het UWV ontvangt. In onze berekeningen zijn we er van uitgegaan dat de WW-uitkering 70% van het laatstverdiende loon bedraagt. In uw situatie hoeft er geen rekening te worden gehouden met het geldende maximum dagloon.

Wij vullen dan concreet aan 30% van het laatstverdiende loon aan voor een periode van 38 maanden plus uw volledige loon over 13 maanden.

Dit komt dan neer op een vergoeding van:

Voor de WW-periode: € 41.573,65.

Dit bedrag is als volgt berekend: (3.040,00 + 90,31) = € 3.130,31 x 38 x 30%.

Voor de resterende periode: € 46.337,50.

Dit bedrag is als volgt berekend: (3.040,00 + 90,31) = € 3.130,31 x 13 x 100%.

Dit komt in totaal neer op een vergoeding van € 87.911,15

Bij de berekening is uitgegaan van de peildatum uit dienst van 1 oktober 2009.

Indien op een later moment zou blijken dat de hoogte van de WW-uitkering afwijkt van het bedrag wat wij in bovenstaande berekening hebben gebruikt dan zullen we de aanvulling conform de nieuwe gegevens van het UWV aanpassen.

(…)”.

3.1.7.

CZ heeft [appellant] vervolgens een conceptvaststellingsovereenkomst doen toekomen welke [appellant] ter toetsing heeft voorgelegd aan (een jurist van) zijn rechtsbijstandverzekeraar; zijn begeleidende brief van 30 juni 2009 aan laatstgenoemde bevat voor zover van belang de passage:

“(…)

2. Is het correct dat in de berekening de 70% voor de WW-periode ingehouden wordt? Mogen ze dit inhouden?

Verder als component geef ik mee dat ik vanaf 01-12-2008 pre pensioen ontvang.

Naar ik begrijp gaat het UWV dit in mindering brengen van het uit te keren bedrag.

De HRM medewerker heeft op mijn vraag of CZ dit bedrag dan aanvult tot 70% van de loonsom aangegeven dat zij dat niet doen!!

Dit is volgens mij in strijd met de zinsnede die in de berekening van 28 mei 2009 is opgenomen. Deze luidt:

Indien op een later moment zou blijken dat de hoogte van de WW-uitkering afwijkt van het bedrag wat wij in bovenstaande berekening hebben gebruikt dan zullen we de aanvulling conform de nieuwe gegevens van het UWV aanpassen.

Zijn ze verplicht het aan te vullen tot de 70%?

Het kan toch niet zo zijn dat ze mijn pre pensioen die ik nu naast mijn salaris krijg af gaan trekken van het brutosalaris!

Wat raad u mij aan. Eerst de vaststellingsovereenkomst te tekenen omdat daarmee het bedrag van E.87.911,15 vast ligt en daarna, mocht dit zo zijn, bezwaar aan te tekenen dat ze de 70% te verwachten ww uitkering inhouden.

(...)”.

3.1.8.

Bij e-mail van 14 juli 2009 heeft [appellant] voormelde brief als bijlage meegestuurd naar CZ en heeft hij deze bericht dat met een kleine aanpassing van de berekening, verband houdende met het meenemen van een toeslag, kan worden ingestemd met de vaststellingsovereenkomst.

3.1.9.

Na dienovereenkomstige aanpassing door CZ hebben partijen vervolgens op 30 juli 2009 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin, uitgaande van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 oktober 2009 in artikel 3 is overeengekomen:

“(…)

3.1

Werkgever zat aan werknemer ter zake van mogelijk financieel nadeel in verband met de beëindiging van het dienstverband een ontbindingsvergoeding betalen als schadeloosstelling conform het bepaalde in artikel 3.3 van het Sociaal Plan.

3.2

De hoogte van deze ontbindingsvergoeding is derhalve vastgesteld op een bedrag van

€ 91.618,44 (de berekening van de ontslagvergoeding is conform specificatie van 28 mei 2009).

(...)”.

3.1.10.

De vaststellingsovereenkomst bevat tevens in artikel 7 een finaal kwijtingsbeding alsmede de clausule dat behoudens hetgeen in de vaststellingsovereenkomst is vastgelegd, tussen partijen geen andere afspraken en/of overeenkomsten meer bestaan althans deze met de vaststellingsovereenkomst teniet worden gedaan.

3.1.11.

CZ heeft het genoemde bedrag van de beëindigingsvergoeding aan [appellant]

uitbetaald.

3.1.12.

Bij besluit van 17 november 2009 heeft het UWV aan [appellant] medegedeeld dat het

door hem vanaf 1 december 2008 ontvangen ouderdomspensioen (op grond van artikel 34 Werkloosheidswet) wordt afgetrokken van zijn WW-uitkering.

3.1.13.

Verwijzend naar de hiervoor als laatste gehanteerde zin in het schrijven van 28 mei 2009 heeft [appellant] CZ verzocht tot aanvulling/uitbetaling van de ontslagvergoeding (ten bedrag van € 77.162.96) over te gaan; CZ heeft dat geweigerd.

3.2.

In eerste aanleg vorderde [appellant] om, bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

- CZ te veroordelen om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 77.162,96 te vermeerderen met wettelijke rente;

- CZ te veroordelen om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 2.500,-- aan buitengerechtelijke kosten;

- CZ te veroordelen n de kosten van dit geding.

3.3.

Bij het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter deze vorderingen afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep negen grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen, met veroordeling van CZ in de kosten van beide instanties.

3.5.

CZ heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Desgevraagd heeft CZ tijdens het pleidooi bevestigd dat zij dit hoger beroep voorwaardelijk heeft ingesteld, namelijk voor het geval het hof van oordeel is dat de grieven tegen het vonnis waarvan beroep van [appellant] slagen.

3.6.

De grieven tegen het vonnis waarvan beroep van [appellant] lenen zich voor gezamenlijke bespreking, als volgt.

3.7.

[appellant] stelt zich op het standpunt dat CZ gehouden is om de in de vaststellingsovereenkomst van 30 juli 2009 opgenomen vergoeding aan te vullen zodanig dat [appellant] uitkomt op hetzelfde niveau als waar sprake van was voordat het UWV het prepensioen in mindering bracht. Concreet komt dat erop neer dat CZ een bedrag van

€ 77.162,96 aan [appellant] dient te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente hierover. Voor de berekening van dit bedrag heeft [appellant] bij zijn inleidende dagvaarding verwezen naar zijn brief aan CZ van 26 januari 2010 overgelegd als productie 4.

Volgens [appellant] vloeit de basis voor deze verplichting van CZ voort uit de vaststellingsovereenkomst van 30 juli 2009 en uit de brief van 28 mei 2009. Bij het vaststellen en overeenkomen van de ontslagvergoeding hebben partijen immers voor ogen gehad de WW-uitkering van [appellant] aan te vullen met een zodanig bedrag dat het inkomen van [appellant] gelijk is aan het laatst door [appellant] verdiende salaris. Voor en bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst is er door beide partijen op dat moment van uitgegaan dat de WW-uitkering 70% van het laatst verdiende loon zou bedragen waardoor 30% van dit loon door CZ aangevuld zou worden. Mocht de uitkering lager uitvallen dan zou CZ deze aanvulling, aanpassen, aldus de brief van 28 mei 2009 van CZ.

CZ wist dat die mogelijkheid zich zou kunnen voordoen; in de brief van 26 mei 2009 geeft CZ er immers blijk van dat zij ervan op de hoogte is dat [appellant] uit een eerdere dienstbetrekking reeds pensioen genoot. CZ was er dus van op de hoogte dat de WW-uitkering mogelijk lager zou kunnen zijn dan 70% in verband met dit prepensioen. Op het moment van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst was die situatie echter niet aan de orde, reden waarom CZ de “aanvullingsclausule” in de brief van 28 mei 2009 heeft opgenomen, aldus [appellant].

[appellant] stelt dat omdat er door CZ en [appellant] rekening mee werd gehouden dat het UWV mogelijk het prepensioen van [appellant] in mindering zou brengen op de WW-uitkering – op dat moment was het nog niet bekend of het prepensioen van Delta Lloyd zou worden beschouwd als een pensioen van een andere werkgever – de bewuste alinea in de brief van 28 mei 2009 van CZ is opgenomen inhoudende dat indien later zou blijken dat de hoogte van de WW-uitkering zou afwijken van het bedrag dat CZ in de berekening in die brief had gebruikt, de aanvulling (op de WW-uitkering) conform de nieuwe gegevens zou worden aangepast (pleitnota, randnummer 6).

3.8.

CZ stelt zich op het standpunt dat zij niet gehouden is de ontslagvergoeding aan te vullen. Zij heeft immers uitvoering gegeven aan de vaststellingsovereenkomst en partijen hebben elkaar na effectuering van de afspraken genoemd in de vaststellingsovereenkomst finaal gekweten voor alle rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan.

CZ heeft aangevoerd dat [appellant] akkoord is gegaan met de voorwaarden voor route B, zoals deze zijn neergelegd in de brief van 28 mei 2009. In deze brief staat dat bij de berekening van de beëindigingsvergoeding rekening is gehouden met de pensioengerechtigde leeftijd en de aanspraak op een (70%) werkloosheidsuitkering. CZ is bij de berekening van de WW-uitkering waarop [appellant] aanspraak zou kunnen maken uitgegaan van een fictieve WW-uitkering die gelijk is aan de hoogte van het wettelijke vangnet (WW) bij ontslag.

[appellant] heeft een WW-uitkering gekregen conform de berekening, doch daarop is in mindering gebracht zijn prepensioen. Naar het hof begrijpt, stelt CZ in dit verband dat in het Sociaal Plan, de vaststellingsovereenkomst of de daaraan gerelateerde correspondentie van CZ echter geen bepaling is opgenomen waaruit blijkt dat bij de berekening van de vergoeding rekening zal worden gehouden met persoonlijke omstandigheden die de hoogte van de WW-uitkering zouden kunnen beïnvloeden.

In de onderhavige kwestie bestaat discussie tussen partijen over de uitleg van de navolgende bepaling in de brief van 28 mei 2009: Indien op een later moment zou blijken dat de hoogte van de WW-uitkering afwijkt van het bedrag wat wij in bovenstaande berekening hebben gebruikt dan zullen we de aanvulling conform de nieuwe gegevens van het UWV aanpassen.

Volgens CZ is de brief van 28 mei 2009 aan meerdere medewerkers gezonden omdat een klein aantal medewerkers bang was dat als er een klein verschil in de berekening van CZ met de berekening door het UWV zou zitten, zij daardoor benadeeld zouden kunnen worden en dit nadeel niet meer hersteld zou kunnen worden. De brief had geen enkele relatie met aftrekposten zoals (pre)pensioen. CZ betwist dat CZ en [appellant] zijn overeengekomen dat CZ de vergoeding zou aanpassen indien het UWV het prepensioen op zijn uitkering in mindering zou brengen.

3.9.

Het hof overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat onderdeel van de vaststellingsovereenkomst tussen partijen is de bepaling in de brief van 28 mei 2009 van CZ dat Indien op een later moment zou blijken dat de hoogte van de WW-uitkering afwijkt van het bedrag wat wij in bovenstaande berekening hebben gebruikt dan zullen we de aanvulling conform de nieuwe gegevens van het UWV aanpassen, hierna aan te duiden als de aanvullingsclausule. Voorts is onomstreden dat het UWV aan [appellant] een aanmerkelijk lager bedrag heeft uitgekeerd dan het bedrag dat CZ in de berekening in de brief van 28 mei 2009 heeft gebruikt (hiervoor opgenomen in rov. 3.1.6), naar [appellant] stelt is het verschil het door hem gevorderde bedrag van € 77.162,96.

3.10.

Partijen verschillen echter van mening over de uitleg van de aanvullingsclausule. Volgens vaste jurisprudentie moet de betekenis van deze clausule door de rechter worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen (mondeling en schriftelijk) over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex). Het hof verwerpt het standpunt van [appellant] dat aan deze uitlegmethode voorbij dient te worden gegaan omdat in dit geval de bewuste bepaling duidelijk is en voor maar één uitleg vatbaar (toelichting grief 1). Reeds uit het feit dat beide partijen een andere uitleg aan de brief van 28 mei 2009 geven volgt dat uitleg moet volgen.

3.11.

Naar het hof begrijpt uit de stellingen van [appellant], stelt [appellant] dat partijen de mogelijkheid dat het UWV het prepensioen van [appellant] in mindering zou brengen op de WW-uitkering vóór het sluiten van de vaststellingsovereenkomst onder ogen hebben gezien en dat juist voor dat geval de aanvullingsclausule in de brief van 28 mei 2009 is opgenomen. Dit zou besproken zijn op 11 mei 2009 in een gesprek tussen [appellant] en een HRM medewerker van CZ. [appellant] beroept zich derhalve op de nakoming van een toezegging door CZ. CZ heeft die toezegging gemotiveerd weersproken. De stelplicht en bewijslast ten aanzien van de toezegging rust op [appellant].

Het hof is van oordeel dat [appellant] deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door CZ. Gelet daarop is bewijslevering niet aan de orde. In het bijzonder is niet aan de orde om, zoals [appellant] heeft bepleit bij grief 1, op grond van de (tekst van de) aanvullingsclausule de stellingen van [appellant] voorshands bewezen te verklaren en CZ eventueel met het bewijs van haar uitleg van de aanvullingsclausule te belasten, al dan niet als opsteller van de vaststellingsovereenkomst en op grond van de contra-proferentemregel (zoal van toepassing).

In de door [appellant] overgelegde stukken kan immers geen steun gevonden worden voor de onderhavige stelling (het bestaan van een toezegging). Integendeel, in de brief van 30 juni 2009 van [appellant] aan zijn rechtsbijstandverzekeraar (zie hiervoor rov. 3.1.7) is vermeld dat de HRM-medewerker op zijn vraag of indien het UWV het prepensioen in mindering brengt op zijn uitkering, CZ het bedrag dan aanvult tot 70% van de loonsom, heeft geantwoord dat CZ dit niet doet. Ook verdraagt de onderhavige stelling zich niet met de uitlatingen van [appellant] tijdens het pleidooi, waar hij heeft verklaard dat de HRM-medewerker hier nog navraag naar zou doen maar dat hij daarover nooit duidelijkheid heeft gekregen. Uit deze stellingen volgt immers dat CZ zich juist niet heeft willen binden aan een aanvulling voor een korting door het UWV. Aan de brief van 28 mei 2009 kan derhalve niet de betekenis worden toegekend dat CZ zich juist wel heeft verbonden.

Voorts heeft CZ in de stukken en tijdens het pleidooi nader toegelicht dat de aanvullingsclausule betrekking heeft op kleine verschillen in de berekening van CZ met de berekening door het UWV welke zouden kunnen ontstaan doordat in de berekening van CZ werd uitgegaan van een fictieve berekening van de WW-uitkering. Met persoonlijke omstandigheden van de medewerkers die van invloed kunnen zijn op de hoogte van de WW-uitkering, zoals de aftrek van ouderdoms- en prepensioen, is bij de berekening van de beëindigingsvergoeding in het kader van het Sociaal Plan geen rekening gehouden. De brief van 28 mei 2009 met de aanvullingsclausule is aan meerdere medewerkers is gezonden, aldus CZ. Deze uitleg wordt door [appellant] niet ontzenuwd.

Uit de brief van 28 mei 2009 blijkt bovendien dat CZ bij de berekening uitging van een WW-uitkering van 70%, dus van een berekening zonder aanvulling van de korting door het UWV met het prepensioen. Uit die brief, noch uit de reactie van [appellant] (in het bijzonder de conceptvaststellingsovereenkomst en de vaststellingsovereenkomst van 30 juli 2009) blijkt van een voorbehoud ten aanzien van deze korting (bijvoorbeeld in de vorm van een pm-post). Van enige gedraging aan de zijde van CZ waaruit zo kunnen blijken dat zij bereid zou zijn de korting door het UWV aan te vullen, blijkt niet. [appellant] kan onder deze omstandigheid aan de litigieuze passage in de brief van 28 mei 2009 niet de betekenis toekennen dat hij, in afwijking van de berekening in de brief van 28 mei 2009 en in afwijking van het in de vaststellingsovereenkomst genoemde bedrag recht heeft op het aanzienlijk hogere bedrag dat door hem thans wordt gevorderd.

3.12.

Bij deze stand van zaken kan [appellant] niet worden gevolgd in zijn betoog dat uit de aanvullingsclausule volgt dat nu het UWV het prepensioen van [appellant] in mindering heeft gebracht op zijn WW-uitkering, de beëindigingsvergoeding door CZ moet worden aangevuld. Voor verdere uitleg is geen plaats. Een andere grondslag voor zijn vordering dan een beroep op (zijn uitleg van) de aanvullingsclausule is door [appellant] niet gegeven.

3.13.

Ten slotte verdient aandacht dat het door [appellant] gevorderde bedrag van

€ 77.162,96 niet alleen is gebaseerd op het feit dat het UWV het prepensioen van [appellant] in mindering heeft gebracht op zijn WW-uitkering. Bij pleidooi heeft hij het bedrag van

€ 77.162,96 als volgt gespecificeerd: € 67.715,44 in verband met het prepensioen, € 8.424,75 omdat de vaststellingovereenkomst pas op 30 juli 2009 is ondertekend waardoor het UWV zich op het standpunt stelde dat de fictieve opzegtermijn van drie maanden zou ingaan op 1 augustus 2009 en de WW-uitkering pas op 2 november 2009 (in plaats van 1 oktober 2009), en € 1.022,77 wegens het niet verlengen van een maandelijkse toeslag als kwaliteitstrainer van 1 juli 2009 tot 1 oktober 2009 hoewel [appellant] wel feitelijk als kwaliteitstrainer doorwerkte tot 1 oktober 2009.

3.14.

Tijdens het pleidooi heeft [appellant] desgevraagd geantwoord dat deze specificatie geen nieuwe eis inhoudt en daarbij verwezen naar punt 5 van de memorie van antwoord in incidenteel appel. Hoe dit verder ook zij – het hof stelt vast dat daarin niet het bedrag van

€ 1.022,77 wegens het niet verlengen van een maandelijkse toeslag is genoemd maar wel een bedrag van € 877,80 – naar het oordeel van het hof is hier sprake van een wijziging (van de grondslag) van eis. CZ heeft tijdens het pleidooi te kennen gegeven daartegen bezwaar te maken, op de grond dat de berekening van het bedrag en hoe het tot stand is gekomen nieuw zijn voor CZ. Gelet op het stadium van de procedure waarin [appellant] (de grondslag van) zijn eis heeft gewijzigd, zal het hof de gevorderde bedragen van € 8.424,75 en € 1.022,77 (en

€ 877,80) dan ook wegens strijd met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing laten. Dat er in de brief aan CZ van 26 januari 2010 van [appellant], waarnaar hij zoals hiervoor is overwogen in rov. 3.7 bij zijn inleidende dagvaarding heeft verwezen, wel al melding van wordt gemaakt dat het UWV op een aanmerkelijk lager bedrag is uitgekomen omdat de WW-uitkering pas op 2 november 2009 ingaat in plaats van 1 oktober 2009, leidt niet tot ander oordeel.

Daarnaast heeft te gelden dat de vorderingen voor zover deze gebaseerd zijn op gestelde ‘fouten’ van (de HRM afdeling van) CZ afstuiten op het gegeven dat [appellant] de vaststellingsovereenkomst is aangegaan en CZ finale kwijting heeft gegeven. In zoverre slaagt dat verweer van CZ wat dit betreft.

3.15.

De slotsom is dat de grieven tegen het vonnis waarvan beroep van [appellant] falen. Dit betekent dat het hof niet toekomt aan het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

3.16.

Het voorgaande brengt mee dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. Als de ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van CZ begroot op

€ 1.920,-- aan griffierecht en € 4.893,-- voor salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, J.P. de Haan en A.J. van de Rakt en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 december 2014.

griffier rolraadsheer