Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5411

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
14-00390 en 14-00391
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:27
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Belanghebbende was in 1995 en 1996 houder van een bankrekening bij Van Lanschot. In geschil is de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1995 en de aanslag VB van het jaar 1996. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de belastingautoriteiten voldoende voortvarend hebben gehandeld in de organisatiefase en de besluit- en inrichtingsfase. Voorts is het Hof van oordeel dat de bewijslast terecht is omgekeerd en dat de navorderingsaanslagen berusten op een redelijke schatting. De verhogingen van 100% zijn terecht opgelegd en zijn passend en geboden. Het Hof matigt de verhogingen niet vanwege de omstandigheid dat de navorderingsaanslagen met omkering van de bewijslast zijn vastgesteld, omdat geen sprake is van een grote onzekerheidsmarge. Wel matigt het Hof de verhogingen wegens overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende heeft ten slotte geen recht op een vergoeding wegens geleden immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/63
FutD 2015-0093
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/00390 en 14/00391

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 30 augustus 2011, nummers AWB 08/5277 en 08/5278 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Rivierenland/[vestigingsplaats],

hierna: de Inspecteur,

en

de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie),

hierna: de Minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 31 december 2007 de volgende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd en daarbij zijn de volgende beschikkingen gegeven inzake verhogingen, kwijtschelding en heffingsrente:

Middel

Jaar

Aanslag-

nummer

0238.36.702.

Belasting

f

Verhoging

f

Kwijt-
schelding

f

Heffings-rente

f

IB/PVV

1995

H.57

1.974

1.974

0

729

VB

1996

K.67

683

683

0

248

1.2.

De navorderingsaanslagen, verhogingen, kwijtscheldingsbeschikkingen en heffingsrentebeschikkingen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39. De Rechtbank heeft de beroepen met betrekking tot de verhogingen gegrond verklaard, de daarop betrekking hebbende uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de verhogingen gedeeltelijk kwijtgescholden tot € 716 (IB/PVV 1995) respectievelijk € 247 (VB 1996), bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken van de Inspecteur, en de beroepen voor het overige ongegrond verklaard.

1.4.

Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 112. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de navorderingsaanslagen en de heffingsrentebeschikkingen vernietigd en de verhogingen kwijtgescholden.

1.5.

De uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is bij arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:389 (hierna: het verwijzingsarrest), vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

1.6.

Belanghebbende en de Inspecteur zijn door de griffier van het Hof in de gelegenheid gesteld schriftelijk op het verwijzingsarrest te reageren. Belanghebbende heeft bij brief van 24 juni 2014 een conclusie ingezonden, de Inspecteur bij brief met bijlagen, ingekomen op 30 juni 2014.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 9 juli 2014 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A], als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B], de heer [C], de heer [D], de heer [E] en de heer [F].

1.8.

Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.9.

Het Hof heeft aan het slot van deze zitting het onderzoek gesloten.

1.10.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

2.1.

Voor de feiten verwijst het Hof naar hetgeen is vermeld in het verwijzingsarrest onder 3.1.1 tot en met 3.1.7. De in die overwegingen vermelde feiten, die het Hof als vaststaand overneemt, luiden als volgt:

“3.1.1. Met dagtekening 18 februari 2005 hebben de Belgische autoriteiten op basis van Richtlijn 77/799/EEG (hierna: de Richtlijn) in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen gegevens verstrekt aan de FIOD-ECD, Team Internationaal. De gegevens bestaan uit een Nota (hierna: de Nota) met twaalf bijlagen en zijn op 1 maart 2005 door de FIOD-ECD ontvangen.

3.1.2.

In de Nota staat vermeld dat het gegevens betreft van de bank Van Lanschot Bankiers Luxembourg (hierna: Van Lanschot). De twaalf bijlagen bevatten onder meer gegevens over bank- en beleggingsrekeningen van ingezetenen van Nederland, standen van die rekeningen per 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 en namen van rekeninghouders.

3.1.3.

Door de FIOD-ECD is een onderzoek ingesteld naar de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens, welk onderzoek zich erop heeft gericht met voldoende mate van zekerheid vast te stellen om welke individuele belastingplichtigen het ging. Daartoe zijn de ontvangen gegevens op geautomatiseerde wijze verwerkt. Daarbij werd ook het sofinummer van de (vermoedelijke) gerechtigden vermeld (“sofiëring”).

3.1.4.

De aldus bewerkte gegevens zijn door de FIOD-ECD op 1 maart 2006 overgedragen aan een landelijke toezichtorganisatie van de Belastingdienst, waarna door deze dienst voor een projectmatige aanpak is gekozen en het project onder de naam Bank Zonder Naam (hierna: het project) van start is gegaan. Doel van het project is het op projectmatige wijze behandelen van de ontvangen gegevens om te komen tot een gelijke behandeling van de belastingplichtigen die het aangaat. Ten behoeve van het project is het draaiboek Bank Zonder Naam (hierna: het draaiboek) opgesteld. Het draaiboek behandelt alle aspecten van het project. Het draaiboek zoals vastgesteld op 7 maart 2007 is in geanonimiseerde vorm openbaar gemaakt door middel van publicatie op de websites van de Belastingdienst en van het Ministerie van Financiën.

3.1.5.

De bewerkte gegevens zijn verspreid binnen de Belastingdienst, teneinde de niet aangegeven inkomens- en vermogensbestanddelen (bank- en beleggingsrekeningen en de opbrengsten daarvan) met inachtneming van het draaiboek bij de desbetreffende belastingplichtigen alsnog in de belastingheffing te betrekken.

3.1.6.

Bij de gegevens die door de Belgische autoriteiten zijn overgelegd bevinden zich renseignementen van 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 waarop is vermeld dat bij Van Lanschot een rekening wordt aangehouden op naam van “[naam]”, met rekeningnummer [rekeningnummer]. De Inspecteur heeft belanghebbende en zijn echtgenote aangemerkt als houders van deze rekening. Zij hebben ontkend rekeninghouder te zijn (geweest).

3.1.7.

Na daarover met belanghebbende te hebben gecorrespondeerd, heeft de Inspecteur aan belanghebbende de in geding zijnde navorderingsaanslagen met dagtekening 31 december 2007 opgelegd.”.

2.2.

In aanvulling op voormelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

2.3.

Op het renseignement betreffende de bankrekening met nummer [rekeningnummer] zijn de volgende saldi in guldens vermeld:

Lopende rekening

Obligaties

21 december 1994

374,98

5 september 1996

65,59

114.250

28 november 1996

448,09

115.020

2.4.

Ter zitting van Hof Amsterdam van 23 januari 2014 heeft de heer [G], EDP-medewerker bij de Belastingdienst, een getuigenverklaring afgelegd. Een afschrift van het proces-verbaal van die zitting is door de Inspecteur als bijlage gevoegd bij zijn conclusie naar aanleiding van het verwijzingsarrest (zie onder 1.6) en behoort tot de gedingstukken.

2.5.

Ter zitting van Rechtbank Leeuwarden van 21 maart 2012 heeft mevrouw [H], manager toezicht bij de Belastingdienst, een getuigenverklaring afgelegd. Een afschrift van het proces-verbaal van het getuigenverhoor is door de Inspecteur als bijlage gevoegd bij zijn conclusie naar aanleiding van het verwijzingsarrest (zie onder 1.6) en behoort tot de gedingstukken.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil na verwijzing betreft, naar belanghebbende ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard, het antwoord op de volgende vragen:

  1. Hebben de belastingautoriteiten voldoende voortvarendheid betracht bij het voorbereiden en opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen?

  2. Is sprake van een redelijke schatting?

  3. Zijn terecht verhogingen opgelegd en, zo ja, zijn deze passend en geboden?

  4. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding wegens geleden immateriële schade?

Belanghebbende is van mening dat de vragen a, b en c ontkennend en vraag d bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Ter zitting heeft belanghebbende de volgende grieven laten varen:

Heeft de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

Beschikt de Inspecteur over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt?

Is belanghebbende en/of zijn echtgenote op correcte en juiste wijze als rekeninghouder geïdentificeerd?

Is het gelijkheidsbeginsel geschonden?

Is de heffingsrente tot het juiste bedrag in rekening gebracht?

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de navorderingsaanslagen, verhogingen, kwijtscheldingsbeschikkingen en heffingsrentebeschikkingen; voorts concludeert belanghebbende tot een vergoeding van immateriële schade. De Inspecteur concludeert, naar het Hof verstaat, tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Ten aanzien van vraag a (voortvarendheid)

4.1.

Uitgangspunt voor ’s Hofs oordeel over de vraag of de belastingautoriteiten voldoende voortvarendheid hebben betracht, is het verwijzingsarrest waarin de Hoge Raad het volgende heeft overwogen:

“3.4.1. Het tweede middelonderdeel bevat de klacht dat het Hof op onjuiste en/of ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat er in de hiervoor in 3.1.3 bedoelde fase van het onderzoek meer tijd is verstreken dan noodzakelijk is.

3.4.2.

De Hoge Raad neemt bij de beoordeling van dit middelonderdeel tot uitgangspunt dat in een geval als het onderhavige, waarin gegevens over in het buitenland ondergebracht vermogen zijn verkregen die een groot aantal in Nederland wonende personen betreffen, de Belastingdienst over voldoende tijd moet kunnen beschikken om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen om welke individuele belastingplichtigen het gaat en vervolgens ten aanzien van de betrokken belastingplichtigen te beoordelen of, en zo ja, voor welk bedrag belasting van hen kan worden nagevorderd. In gevallen als het onderhavige kan de Belastingdienst verder in redelijkheid tot het oordeel komen dat een landelijke coördinatie en een projectmatige aanpak geboden zijn. Indien daarvoor wordt gekozen moet tevens rekening worden gehouden met de tijd die met een zodanige aanpak en coördinatie gemoeid is, waaronder begrepen de tijd die benodigd is voor het ontwikkelen van beleid voor de behandeling van individuele gevallen, ook ten aanzien van het opleggen van boeten waartoe gelet op het bepaalde in (thans) Afdeling 5.4.1 Awb ook overleg met het openbaar ministerie geboden kan zijn. Met deze werkzaamheden, waarbij ook in het belang van de betrokken belastingplichtigen zorgvuldigheid moet worden betracht, kan geruime tijd gemoeid zijn.

3.4.3.

De belastingautoriteiten hebben beoordelingsvrijheid bij de organisatie en inrichting van al deze werkzaamheden. Die vrijheid is echter niet onbegrensd. Gelet op de eisen die voortvloeien uit het recht van de Europese Unie mogen de werkzaamheden niet worden georganiseerd en ingericht op een zodanige wijze dat een voortvarende behandeling onvoldoende gewaarborgd is.

3.4.4.

Opmerking verdient dat de vereiste voortvarendheid in ieder geval niet is betracht indien bij de werkzaamheden als vermeld in 3.4.2 een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden (vgl. HR 27 september 2013, nr. 12/00738, ECLI:NL:HR:2013:717, BNB 2013/234).

3.4.5.

De door het Hof vastgestelde feiten houden in dat er tussen de ontvangst van de gegevens van de Belgische autoriteiten en de afronding van het hiervoor in 3.1.3 bedoelde onderzoek (de zogenoemde onderzoeksfase) een jaar is verstreken.

3.4.6.

Bij de beoordeling van dit tijdsverloop heeft het Hof grote betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de “geautomatiseerde zoekslag is uitgevoerd door één EDP-medewerker die daaraan (…) een gedeelte van zijn werktijd heeft besteed”. Zonder nadere motivering, die in de bestreden uitspraak niet is gegeven, is evenwel niet begrijpelijk dat het Hof deze omstandigheid redengevend heeft geacht voor zijn oordeel dat niet de vereiste voortvarendheid in acht is genomen. Om dat oordeel begrijpelijk te doen zijn zou ten minste nader uiteengezet moeten zijn welke omstandigheden het oordeel kunnen dragen dat van de Belastingdienst met het oog op de vereiste voortvarendheid, en met inachtneming van het hiervoor in 3.4.3 overwogene, redelijkerwijs een andere organisatie van de te verrichten werkzaamheden verlangd had mogen worden.

Het Hof heeft zijn oordeel mede gebaseerd op de overweging dat het niet aannemelijk acht dat met de hiervoor in 3.1.3 bedoelde fase van het onderzoek, die een jaar in beslag heeft genomen, bij een voortvarende behandeling noodzakelijkerwijs meer dan hooguit enkele maanden zouden zijn gemoeid. Ook in zoverre is de uitspraak van het Hof niet toereikend gemotiveerd, gelet op hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd over de aard en de omvang van de werkzaamheden die na ontvangst van de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens in deze fase moesten worden uitgevoerd.

Voor zover het middel zich tegen dat oordeel keert, is het daarom terecht voorgesteld.”.

4.2.

Na het verwijzingsarrest is niet meer in geschil dat de voortvarendheidsperiode aanvangt op 18 februari 2005, zijnde de dag waarop de belastingautoriteiten de renseignementen hebben ontvangen. Partijen hebben de voortvarendheidsperiode onderverdeeld in drie perioden. Het Hof zal partijen in deze onderverdeling volgen.

4.3.

De onderzoeksfase (18 februari 2005 tot maart 2006)

4.3.1.

Belanghebbende is van mening dat de belastingautoriteiten in de onderzoeksfase onvoldoende voortvarend hebben gehandeld. Belanghebbende stelt daartoe dat de tijdspanne die is verstreken met het opvragen van de drie query’s door de EDP-medewerker, te weten drie maal ongeveer drie weken zoals blijkt uit de in 2.4 vermelde getuigenverklaring, overbodig is of in ieder geval te lang is geweest. Afgaande op de verklaring van de EDP-medewerker dat hij in totaal 200 uur heeft besteed aan de geautomatiseerde zoekslag en de negen weken die zijn verstreken met het opvragen van de query’s, zou de onderzoeksfase volgens belanghebbende slechts 14 weken hoeven te duren in plaats van één jaar. Verder stelt belanghebbende dat de EDP-medewerker eind november 2005 wist welke belastingplichtigen een buitenlandse bankrekening bij Van Lanschot niet in de aangifte hadden verwerkt en dat daardoor de tijd van december 2005 tot maart 2006 ten onrechte is benut. Voorts stelt belanghebbende dat met de besluit- en inrichtingsfase niet had hoeven te worden gewacht totdat de EDP-medewerker zijn werkzaamheden had afgerond, omdat het die medewerker bij aanvang van zijn werkzaamheden in april 2005 vrij snel duidelijk was dat de identificatie van de rekeninghouders zou lukken en dat van een zeer groot aantal individuele belastingplichtigen zou kunnen worden nagevorderd. De besluit- en inrichtingsfase had, aldus nog steeds belanghebbende, eerder een aanvang kunnen nemen. Door de wijze waarop het project is opgedeeld in volgtijdige fasen, namelijk door de start van de volgende fase te laten afhangen van een “go/no go”-beslissing”, heeft de Inspecteur volgens belanghebbende onvoldoende voortvarend gehandeld.

4.3.2.

De Inspecteur heeft verklaard dat in deze fase een geautomatiseerde zoekslag is uitgevoerd door één EDP-medewerker die daaraan een gedeelte van zijn werktijd heeft besteed. Voorts heeft hij verklaard dat door de aard van deze werkzaamheden het niet mogelijk is om een verdeling van het aantal te identificeren rekeninghouders te maken. Bovendien, zo verklaart de Inspecteur, zou het geen tijdswinst hebben opgeleverd indien die werkzaamheden over meerdere personen zouden worden verdeeld. Verder heeft de Inspecteur verklaard dat de desbetreffende medewerker gedurende deze fase tijdelijk werkzaamheden heeft verricht in het kader van de “teruggaaf buitengewone uitgaven”, hetgeen volgens de Inspecteur behoort tot de beoordelingsvrijheid bij de organisatie en inrichting van de werkzaamheden van de Belastingdienst. De Inspecteur heeft belanghebbendes stelling, dat het de Inspecteur, toen de EDP-medewerker in april 2005 met zijn werk was begonnen, vrij snel duidelijk was dat van een zeer groot aantal individuele belastingplichtigen zou kunnen worden nagevorderd, weersproken; deze stelling vindt naar de mening van de Inspecteur geen steun in de in 2.4 vermelde verklaring. Ten slotte heeft de Inspecteur gesteld dat het resultaat van de werkzaamheden van de EDP-medewerker relevant was voor het antwoord op de vraag of al dan niet voor een projectmatige aanpak zou worden gekozen. De Inspecteur heeft verklaard dat om die reden is gewacht met de besluit- en inrichtingsfase. De Inspecteur heeft het in 2.4 bedoelde afschrift van het proces-verbaal overgelegd om inzichtelijk te maken welke werkzaamheden de EDP-medewerker heeft verricht tijdens de onderzoeksfase.

4.4.

De besluit- en inrichtingsfase (maart 2006 tot augustus 2006)

4.4.1.

Belanghebbende is van mening dat de belastingautoriteiten ook in de besluit- en inrichtingsfase onvoldoende voortvarend hebben gehandeld. Primair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de hele besluit- en inrichtingsfase achterwege kon blijven. Belanghebbende betwist daartoe dat mevrouw [H] een risico-analyse heeft uitgevoerd en rechtsvragen en de rechtmatigheid van het bewijs heeft onderzocht. Voor het geval mevrouw [H] die werkzaamheden wel heeft verricht, stelt belanghebbende dat deze werkzaamheden onnodig waren. Subsidiair stelt belanghebbende dat de werkzaamheden in de besluit- en inrichtingsfase, in het bijzonder de werkzaamheden van mevrouw [H] en de aanstelling van de projectleider, te lang hebben geduurd; belanghebbende stelt in dat verband dat de Inspecteur reeds ervaring had opgedaan met andere projecten.

4.4.2.

De Inspecteur heeft, in zijn in 1.6 bedoelde conclusie, verklaard dat in de besluit- en inrichtingsfase de volgende werkzaamheden zijn verricht:

“Als eerste is het beoogde resultaat geformuleerd. Hierbij bestaat de keuze uit diverse opties (niets doen, het minimale doen en iets doen (…). Concreet: het behandelen van de posten BZN heeft tot gevolg dat andere werkzaamheden niet kunnen worden gedaan. (…).

Ten aanzien van de randvoorwaarden en inrichting van het project is onder andere gekeken naar eerdere ervaringen (zoals uit het Rekeningenproject) en de hieruit voortgekomen leerpunten. (…) Hier ligt de nadruk op tijd, kosten, kwaliteit, scope, risico en baten. Er wordt gekeken naar de procesmatige als de inhoudelijke kant, daarbij is de mate van risicobeheersing van groot belang. (…)

In casu was er sprake van een landelijke spreiding van het aantal te behandelen posten, een grote publiciteitsgevoeligheid en een groot aantal fiscaal technische (identificatie, rechtmatigheid verkregen bewijs, verlengde navorderingstermijn, inzagerecht en boete), alsmede strafrechtelijke vraagstukken (inzagerecht, rechtmatigheid verkregen gegevens, minimumbewijsregel). Deze vraagstukken zijn in kaart gebracht en er zijn beslissingen over in te nemen standpunten ingenomen, bijvoorbeeld na overleg met team cassatie.

(…) In het proces-verbaal dat is opgesteld naar aanleiding van het getuigenverhoor van mevrouw [H] staat het volgende:

“Ik ben betrokken geweest bij de risico-analyse van het project Bank zonder naam.” (…)

“Er is eerst gekeken welke rechtsvragen er nog actueel waren.” (…)

Bij projectmanagement wordt ook gekeken naar verantwoordelijkheden binnen de organisatiestructuur, de belangen binnen de organisatie en buiten het bedrijf (…).

De keuze voor werken in een project heeft gevolgen voor de inrichting, sturing en beheersing. (…)

In de besluitfase wordt geïnventariseerd wat nodig is voor het realiseren van de resultaten binnen de gestelde tijdslijnen en budget (…).

De projectmanager ((…) mevrouw [H]) is verantwoordelijk voor het vaststellen van, de beoordeling en beheersing van issues en risico’s die verbonden zijn aan het project, neemt besluiten over geëscaleerde issues en risico’s en heeft aandacht voor de zakelijke rechtvaardiging van het project. (…)

Zo heeft men in de besluit- en inrichtingsfase (…) een aantal beslissingen genomen, zoals welke bankrekeninghouders nu wel of niet als voldoende geïdentificeerd konden worden beschouwd (naar aanleiding van de door de EDP-auditor aangegeven rangorde van meest waarschijnlijke rekeninghouder, betreft de kwaliteitseis ten aanzien van de identificatie), de wijze van berekening van de correctie, wijze van communicatie (…) en dat er een applicatie voor de te behandelen posten zou worden gebouwd.

De projectleider (mevrouw [K]) is benoemd en geselecteerd op basis van haar ervaring en vaardigheden. Er zijn gesprekken met haar en haar leidinggevenden geweest. Vervolgens heeft mevrouw [K] haar toenmalige werkzaamheden moeten overdragen. Zij heeft vervolgens de praktische implementatie binnen de organisatie verzorgd. (…)

De door mevrouw [H] in haar verklaring en tijdens het getuigenverhoor genoemde werkzaamheden horen bij het uitvoeren van een project binnen projectmanagement. Hierbij wil ik opmerken dat deze werkzaamheden in een tijdsbestek van zo’n 5 maanden hebben plaatsgevonden.”.

Voorts heeft de Inspecteur het in 2.5 bedoelde afschrift van het proces-verbaal overgelegd om inzichtelijk te maken welke werkzaamheden zijn verricht tijdens de besluit- en inrichtingsfase.

4.5.

De projectfase (augustus 2006 tot maart 2007)

4.5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de belastingautoriteiten in deze fase voldoende voortvarend hebben gehandeld.

4.6.

Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de belastingautoriteiten voldoende voortvarend hebben gehandeld tussen maart 2007 en 31 december 2007.

4.7.

Het Hof dient te beoordelen of de belastingautoriteiten in het onderhavige geval voldoende voortvarendheid hebben betracht tussen 18 februari 2005 en augustus 2006.

4.7.1.

Het Hof acht de uitleg van de Inspecteur, zie onder 4.3.2 en 4.4.2, en de verklaringen van de heer [G] en mevrouw [H], genoemd in 2.4 en 2.5, geloofwaardig. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur met deze uitleg en verklaringen voldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke werkzaamheden de Nederlandse belastingautoriteiten in zowel de onderzoeksfase als in de besluit- en inrichtingsfase hebben verricht. Naar ’s Hofs oordeel moet het aldus verschafte inzicht leiden tot het oordeel dat de Nederlandse belastingautoriteiten voldoende voortvarend hebben gehandeld.

4.7.2.

Naar ’s Hofs oordeel mochten de belastingautoriteiten wachten met de start van de besluit- en inrichtingsfase totdat de EDP-medewerker zijn werkzaamheden had afgerond. De Inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat het resultaat van de werkzaamheden van de EDP-medewerker relevant was voor de vraag of al dan niet voor een projectmatige aanpak zou worden gekozen. Voorts acht het Hof geloofwaardig dat de risico-analyse daadwerkelijk is uitgevoerd en dat rechtsvragen en de rechtmatigheid van het bewijs zijn onderzocht. Voor belanghebbendes betoog van het tegendeel heeft het Hof in de gedingstukken geen enkel aanknopingspunt kunnen vinden.

4.7.3.

In de onderzoeksfase en de besluit- en inrichtingsfase hebben de belastingautoriteiten de grenzen van de hen toekomende vrijheid bij de organisatie en inrichting van de werkzaamheden niet overschreden. Het Hof acht aannemelijk dat sprake is geweest van een continu proces en dat in ieder geval geen vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden. Het Hof acht ook overigens niet aannemelijk dat er een zodanige vertraging is opgetreden dat moet worden geoordeeld dat in deze periode niet de vereiste voortvarendheid in acht is genomen.

4.7.4.

Aan het in 4.7.1 tot en met 4.7.3 gegeven oordeel kan niet afdoen dat de Inspecteur niet kan aangeven op welke data welke handelingen zijn verricht, bijvoorbeeld aan de hand van een logboek. De andersluidende stelling van belanghebbende, inhoudende dat de Inspecteur een concrete en exacte toelichting moet geven op de verrichte handelingen, wordt door het Hof verworpen. De vrije bewijsleer in het belastingrecht brengt immers mee dat het de Inspecteur vrijstaat met alle middelen bewijs te leveren van de voortgang van zijn werkzaamheden.

4.7.5.

Het Hof beantwoordt vraag a bevestigend.

Ten aanzien van vraag b (redelijke schatting)

4.8.

Belanghebbende heeft gesteld dat de navorderingsaanslagen tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.

4.9.

De Inspecteur heeft in dit verband gesteld (i) dat belanghebbende niet de vereiste aangifte IB/PVV 1995 en VB 1996 heeft gedaan, (ii) dat de niet aangegeven tegoeden en de inkomsten daaruit zowel absoluut als relatief gezien aanzienlijke bedragen betreffen, (iii) dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat de navorderingsaanslagen te hoog zijn vastgesteld en (iv) dat de navorderingsaanslagen berusten op een redelijke schatting.

4.10.

Ter zitting heeft belanghebbende zijn grief (g) dat hij en/of zijn echtgenote niet op correcte en juiste wijze zijn geïdentificeerd als houder van de bankrekening met nummer [rekeningnummer], ingetrokken. Derhalve moet er naar het oordeel van het Hof van worden uitgegaan dat belanghebbende en/of zijn echtgenote houder zijn van de bankrekening met nummer [rekeningnummer] bij Van Lanschot.

4.11.

Belanghebbende heeft de stelling van de Inspecteur onder 4.9 (ii) niet weersproken. Mede gelet op de hoogte van de gerenseigneerde saldi op data die niet ver verwijderd zijn van die welke relevant zijn voor de thans voorliggende navorderingsaanslagen, is het Hof van oordeel dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. De (uitspraken op het bezwaar tegen de) navorderingsaanslagen blijven derhalve in stand, tenzij belanghebbende doet blijken dat en in hoeverre deze te hoog zijn vastgesteld.

4.12.

Belanghebbende heeft op geen enkele wijze inzicht verschaft in de tegoeden op de bankrekening met nummer [rekeningnummer] en de inkomsten daaruit. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende derhalve niet bewezen dat de navorderingsaanslagen te hoog zijn.

4.13.

Dan dient het Hof te beoordelen of de navorderingsaanslagen berusten op een redelijke schatting. In dat kader heeft de Rechtbank het volgende geoordeeld:

“Nu de saldi van de bankrekening ten name van de echtgenote bij Van Lanschot in 1996 bekend zijn, acht de rechtbank het redelijk om daarvan uit te gaan voor de berekening van het inkomen en de navorderingsaanslagen.

Verweerder heeft een analyse gemaakt van de bekende gegevens van de geïndentificeerde bankrekeninghouders bij Van Lanschot. Uit deze analyse is naar voren gekomen dat over de periode 21 december 1994 tot en met 5 september 1996 over het gehele bestand van 325 geïdentificeerde personen sprake is van een vermogenstoename van 23,66% op jaarbasis. Dit percentage heeft verweerder (rekening houdend met rente op rente) naar beneden bijgesteld tot 23,55%. Aan de hand van het bekende saldo op de rekening bij Van Lanschot zijn, rekening houdend met een vermogenstoename van 23,55% op jaarbasis, de saldi berekend per ultimo 1995 en 1996. Voor de berekening van de inkomsten over dit vermogen heeft verweerder aangesloten bij het fictieve rendement als bedoeld in artikel 29a van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964, zijnde 6% van het in buitenlandse beleggingsinstellingen belegde vermogen. Verweerder wijst erop dat de wettelijke rente over de jaren 1995 tot en met 2000 gemiddeld ten minste dit percentage bedroeg.

Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat bij het vaststellen van de aanslag voor de vermogenstoename per abuis is gerekend met het lagere saldo van 5 september 1996 (fl. 114.250,00), in plaats van met het saldo per 28 november 1996 (fl. 115.020), en verder met een onjuiste berekeningsmethode. Daardoor is het vermogen per 1 januari 1996 en vervolgens ook het vermogen per 1 januari 1995 te laag vastgesteld. Verder geeft verweerder aan dat per abuis ook de inkomsten onjuist zijn berekend. Uitgegaan is van 6% van het vermogen per 1 januari 1996 in plaats van het vermogen per 1 januari 1995. Hierdoor zijn de inkomsten uit buitenlandse bankrekening over het jaar 1995 wat hoger vastgesteld dan volgens de gestandaardiseerde berekening zou zijn gedaan, terwijl het vermogen hierdoor iets lager is vastgesteld.

De rechtbank acht de wijze van berekening zoals door verweerder is uiteengezet redelijk. Het standpunt van eiser dat het rendement van 6% lager zou moeten zijn, gelet op feitelijke rendementen die hij via google heeft gevonden, verwerpt de rechtbank. Eiser heeft zijn stelling op geen enkele wijze onderbouwd.

De rechtbank heeft berekend dat de gestandaardiseerde berekening van verweerder tot de volgende opstelling zou moeten leiden, uitgaande van herrekening met een vermogenstoename van 23,55% op jaarbasis:

Saldo bankrekening per 28 november 1996 fl. 115.020

Saldo bankrekening per 1 januari 1996 fl. 94.730

Saldo bankrekening per 1 januari 1995 fl. 76.672

De inkomsten uit buitenlandse bankrekening zouden dan 6% x fl. 76.672 = fl. 4.600 bedragen, terwijl verweerder een bedrag van fl. 5.247 (gelijk aan een rendement van 6,84%) heeft gecorrigeerd.

De rechtbank ziet in de afwijking van de gestandaardiseerde berekening bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen geen reden om te oordelen dat hierdoor de schatting van verweerder niet meer redelijk is. De rechtbank acht het redelijk om een marge aan te houden ten opzichte van de gestandaardiseerde berekening, nu eiser in geen enkel stadium van het geschil bereid is gebleken aan zijn wettelijke inlichtingenverplichting te voldoen. Hij is immers degene die door het verstrekken van inlichtingen de juiste gegevens van de saldi van de buitenlandse bankrekening had kunnen verstrekken.

Gelet hierop berusten de navorderingsaanslagen naar het oordeel van de rechtbank op een redelijke schatting.”.

4.14.

Het Hof maakt het oordeel van de Rechtbank tot het zijne. In hoger beroep herhaalt belanghebbende zijn in eerste aanleg aangevoerde grieven en voegt daar geen nieuwe argumenten aan toe. Het Hof is derhalve van oordeel dat de navorderingsaanslagen zijn gebaseerd op een redelijke schatting.

4.15.

Het Hof beantwoordt vraag b bevestigend.

Ten aanzien van vraag c (verhoging)

4.16.

Belanghebbende is van mening dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende het beboetbare feit heeft gepleegd en stelt voorts dat de verhogingen niet passend en geboden zijn.

4.17.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 juni 2013, nr. 11/04152, ECLI:NL:HR:2013:63, BNB 2013/207 (hierna: het arrest van 28 juni 2013), geoordeeld dat een bewijsvermoeden kan worden aangenomen dat ter zake van inkomsten uit een buitenlandse bankrekening te weinig IB/PVV en VB is geheven. Het moet dan een geval betreffen waarin vaststaat (i) dat belanghebbende rekeninghouder was van een of meer bankrekeningen, (ii) dat die rekening(en) een aanzienlijk positief saldo vertoonde(n), (iii) dat belanghebbende het saldo en de rente-inkomsten die op die rekening(en) zijn ontvangen niet in de aangifte over het desbetreffende jaar heeft betrokken, en (iv) hij de rentevrijstelling voor dat jaar reeds volledig had benut met de rente die in de aangifte is vermeld, dan wel de resterende ruimte van de rentevrijstelling niet toereikend is voor de rente waarvan kan worden aangenomen dat die is ontvangen op die rekening(en).

4.18.

Als onderdeel van zijn pleitnota heeft de gemachtigde van belanghebbende ter zitting het volgende verklaard:

“In het geval van mijn cliënt was er sprake van saldi hoger dan f 100.000,-- per 5 september 1996 en 28 november 1996. Op grond van een uitspraak van de Hoge Raad in het kader van het rekeningenproject van 28 juni 2013 (ECLI:NL:HR:2013:63) zou men kunnen aannemen, dat mijn cliënt in de jaren na 1996 en in het jaar 1995 geen aangifte heeft gedaan van zijn op de rekening aangehouden vermogen.”.

4.19.

Gelet op hetgeen is overwogen in 4.10 en 4.11 staat vast dat belanghebbende en/of zijn echtgenote houder was van de bankrekening met nummer [rekeningnummer] bij Van Lanschot en dat hij het saldo en de rente-inkomsten die op die rekening zijn ontvangen niet in de aangifte van respectievelijk VB van het jaar 1996 en IB/PVV over het jaar 1995 heeft betrokken. Uit de in 2.3 vastgestelde feiten volgt dat deze rekening een aanzienlijk positief saldo, dat wil zeggen een saldo dat een bedrag van f 100.000 overschrijdt, vertoonde. Gelet op de hoogte van dit saldo kan, ten aanzien van de aangifte IB/PVV voor het jaar 1995, de (resterende) ruimte van de rentevrijstelling naar het oordeel van het Hof niet toereikend zijn voor de rente waarvan kan worden aangenomen dat die is ontvangen op de bankrekening met nummer [rekeningnummer]. Derhalve kan naar het oordeel van het Hof worden aangenomen dat ter zake van het saldo en de inkomsten uit de bankrekening met nummer [rekeningnummer] te weinig VB respectievelijk IB/PVV is geheven. Belanghebbende is er naar het oordeel van het Hof voor de VB van het jaar 1996 noch voor de IB/PVV over het jaar 1995 in geslaagd het bewijsvermoeden te ontzenuwen.

4.20.

In het arrest van 28 juni 2013 heeft de Hoge Raad ten aanzien van de vraag of sprake is van opzet, het volgende geoordeeld:

“3.11.3.In een geval als het onderhavige, waarin een belastingplichtige een bankrekening aanhoudt in een land met een bankgeheim en aanzienlijke tegoeden daarop en de rente-inkomsten daaruit ten onrechte niet in zijn aangifte heeft vermeld, kan in het algemeen reeds op grond daarvan worden aangenomen dat hij die aangifte opzettelijk onjuist heeft gedaan. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat het voor jaren als de onderhavige van algemene bekendheid was dat banktegoeden en rente-inkomsten daaruit die de vrijgestelde bedragen te boven gaan, waren onderworpen aan heffing van vermogensbelasting dan wel inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en daarom aangegeven moesten worden als vermogen respectievelijk inkomsten uit vermogen.”

4.21.

Het Hof is van oordeel dat deze omstandigheden zich in het onderhavige geval in het jaar 1995 voordoen en dat belanghebbende aldus opzet kan worden verweten.

4.22.

Gelet op het vorenstaande heeft de Inspecteur voor de verhoging van zowel de navorderingsaanslag IB/PVV 1995 als de navorderingsaanslag VB 1996 het bewijs geleverd dat belanghebbende het feit ter zake waarvan de verhogingen zijn opgelegd, heeft begaan en dat hem opzet dienaangaande kan worden verweten.

4.23.

Vervolgens is de vraag of de verhogingen passende en ook geboden sancties voor de begane vergrijpen zijn.

4.24.

Gelet op de omstandigheden als in het onderhavige geval aan de orde, zoals geschetst in 4.19 tot en met 4.21, is het Hof van oordeel dat verhogingen van honderd percent passende en ook geboden sancties zijn voor de begane vergrijpen.

4.25.

De navorderingsaanslagen zijn met omkering van de bewijslast vastgesteld. De grondslag van de verhogingen is daarmee ook vastgesteld met omkering van de bewijslast. Indien bij de schatting van de hoogte van de correcties een grote onzekerheidsmarge is aangehouden, kan het Hof de verhogingen matigen. In het onderhavige geval is van een grote onzekerheidsmarge evenwel geen sprake. De Inspecteur heeft de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 immers berekend aan de hand van de gerenseigneerde saldi (zie 2.3) op de data 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996. Nu het heffingstijdvak respectievelijk de peildatum zeer dicht bij de data van de renseignementen liggen, kan naar het oordeel van het Hof van een grote onzekerheidsmarge geen sprake zijn. Het Hof ziet in het feit dat de navorderingsaanslagen met omkering van de bewijslast zijn vastgesteld derhalve geen aanleiding de verhogingen te matigen.

4.26.

Het bepalen van de gegrondheid van de aan belanghebbende opgelegde verhogingen dient voorts, ingevolge artikel 6 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), te geschieden binnen een redelijke termijn. Het is aan het Hof om te onderzoeken of deze termijn in acht is genomen.

4.27.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat bij de berechting van een zaak in eerste aanleg, inclusief de bezwaarfase, in het algemeen uitspraak moet worden gedaan binnen twee jaar na de aanvang van de termijn, behoudens bijzondere omstandigheden (HR 22 april 2005, nr. 37 984, ECLI:NL:HR:2005:AT4468, BNB 2005/337). Van dit laatste is naar het oordeel van het Hof geen sprake. De in eerste aanleg gevoerde geheimhoudingsprocedure ex artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) maakt deel uit van het normale proces, waarop de standaard procestermijn voor de beroepsfase van 18 maanden is afgestemd. Naar het oordeel van het Hof is in dit geval ook overigens geen sprake van een bijzondere omstandigheid. Gelet hierop stelt het Hof de redelijke termijn voor het bezwaar en beroep vast op 24 maanden.

4.28.

De redelijke termijn is aangevangen toen belanghebbende bij brief van 21 november 2007 op de hoogte is gesteld van het voornemen verhogingen op te leggen. Niet gebleken is dat de redelijke termijn eerder is aangevangen. Tot de dag waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan (30 augustus 2011) zijn, afgerond naar boven op hele maanden, 46 maanden verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt aldus 22 maanden.

4.29.

Gelet op de in 4.28 aangenomen termijnoverschrijding zou een matiging van de verhogingen met 15% in de rede liggen. Immers, het hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, het beroep in cassatie bij de Hoge Raad en het hoger beroep bij het Hof zijn elk binnen twee jaar en daarmee binnen de redelijke termijn behandeld. Het Hof ziet echter in de duur van de procedure als geheel aanleiding voor matiging van de verhogingen met 20%.

4.30.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen stelt het Hof de verhogingen vast op de bedragen zoals deze door de Rechtbank zijn vastgesteld.

Ten aanzien van vraag d (vergoeding van immateriële schade)

4.31.

Het Hof stelt voorop dat het ter bepaling van de rechtsstrijd na verwijzing uitgaat van het volgende.

4.32.1.

Blijkens de aanhef van het verwijzingsarrest betreft de procedure in cassatie voor de Hoge Raad de aan belanghebbende “opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente”. De Hoge Raad heeft in de laatste alinea onder “1. Het geding in feitelijke instanties” van het verwijzingsarrest het volgende vastgesteld:

“Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de navorderingsaanslagen en de beschikkingen inzake heffingsrente vernietigd en de verhogingen kwijtgescholden.”.

4.32.2.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen. Belanghebbende heeft geen beroep in cassatie noch incidenteel beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het Hof maakt hieruit op dat belanghebbende zich heeft neergelegd bij de uitspraak van dat hof op het verzoek om schadevergoeding.

4.32.3.

Gelet op vermelde in 4.32.1 en 4.32.2, in onderling verband bezien, betreft de rechtsstrijd na het verwijzingsarrest niet meer het verzoek om schadevergoeding voor de fase tot en met het hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Wat rest is het antwoord op de vraag of de redelijke termijn ter zake van de procedure bij de Hoge Raad en bij het Hof is overschreden en of belanghebbende in verband daarmee recht heeft op een schadevergoeding.

4.33.

Het beroepschrift in cassatie van de Staatssecretaris is bij de Hoge Raad ingekomen op 22 juli 2013. Het verwijzingsarrest is gewezen op 28 maart 2014. Het Hof heeft vervolgens uitspraak gedaan op 19 december 2014. De redelijke termijn in de cassatieprocedure en in de verwijzingsprocedure voor het Hof is naar het oordeel van het Hof niet overschreden.

4.34.

Gelet op hetgeen is overwogen in 4.31 tot en met 4.33 wijst het Hof het verzoek om schadevergoeding af.

Slotsom

4.35.

De slotsom is dat de uitspraak van de Rechtbank, met verbetering van gronden als hiervoor vermeld, dient te worden bevestigd en dat belanghebbendes verzoek om een vergoeding van immateriële schade moet worden afgewezen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.36.

Aangezien het Hof de uitspraak van de Rechtbank bevestigt, acht het Hof geen termen aanwezig om te gelasten dat het door belanghebbende betaalde griffierecht aan hem wordt vergoed.

Ten aanzien van de proceskosten

4.37.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof:

verklaart het hoger beroep ongegrond;

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank; en

wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.

Aldus gedaan op 19 december 2014 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, J.W.J. Huige en P.C. van der Vegt, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.