Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5407

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
14-01-2015
Zaaknummer
14-00498
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:1965, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende is over het jaar 2008 op 17 mei 2011 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. Op 6 september 2012 heeft belanghebbende opnieuw aangifte gedaan voor het onderhavige jaar. De Inspecteur heeft deze nieuwe aangifte als een bezwaarschrift tegen de opgelegde aanslag aangemerkt en vervolgens het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De Inspecteur heeft dit bezwaar tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag en dit verzoek afgewezen.

De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard voor zover het betreft de uitspraak op bezwaar en niet-ontvankelijk voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering.

Het Hof is, in overeenstemming met de Rechtbank, van oordeel dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en dat belanghebbende derhalve terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar. Het feit dat belanghebbende ten tijde van het opleggen van de aanslag in staat van faillissement verkeerde, doet hier niet aan af. Op grond van art. 43 AWR konden de bevoegdheden van belanghebbende in de bezwaarprocedure worden uitgeoefend door zijn curator, maar belanghebbende was zelf ook bevoegd om bezwaar te maken tegen de aanslag, niettegenstaande zijn faillissement.

Daarnaast is het Hof van oordeel dat de Rechtbank, gezien art. 65 jo. 26, lid 1, van de AWR, zich onbevoegd had moeten verklaren tot kennisneming van het beroep voor zover dat tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering was gericht. Tegen die beschikking staat immers, gezien art. 26, lid 1, van de AWR en art. 7:1, lid 1 van de Awb, geen bezwaar en beroep open.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 43
Algemene wet inzake rijksbelastingen 65 jo. 26
Algemene wet inzake rijksbelastingen 26
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/73
V-N 2015/15.4 met annotatie van Redactie
FutD 2015-0153
NTFR 2015/784 met annotatie van Mr. M.H.W.N. Lammers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/00498

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 21 maart 2014, nummer AWB 12/6496, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te noemen aanslag, beschikking inzake heffingsrente en boetebeschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 met dagtekening 17 mei 2011 de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.363 negatief en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.072 (hierna: de aanslag). Daarbij is tevens een beschikking inzake heffingsrente gegeven naar een te vergoeden bedrag van € 33 en is bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 500. Het tegen de aanslag, de beschikking inzake heffingsrente en de boetebeschikking op 6 september 2012 gemaakt bezwaar, is bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur van 22 oktober 2012 niet-ontvankelijk verklaard. Het desbetreffende geschrift behelst tevens een afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij schriftelijke uitspraak van 21 maart 2014 heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard voor zover het betreft de uitspraak op bezwaar en niet-ontvankelijk verklaard voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende op 2 mei 2014 hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 122. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 29 september 2014 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van de gemachtigde van (thans) zijn ex-echtgenote mevrouw [A], de heer [B], alsmede, namens de Inspecteur, de heer [C].

1.5.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende was in het onderhavige jaar gehuwd met mevrouw [A] (hierna: [A]). Zij hebben op 13 januari 2010 aangifte gedaan voor de IB/PVV over het jaar 2008. Daarin zijn de belastbare inkomsten uit eigen woning van € 102.645 negatief voor ± 60% toegerekend aan [A] en voor ± 40% aan belanghebbende.

2.2.

Bij het vaststellen van de aanslagen van belanghebbende en [A] is de Inspecteur van de aangiften afgeweken. Hij heeft de belastbare inkomsten uit eigen woning gecorrigeerd tot een totaalbedrag van € 94.934 negatief. De Inspecteur heeft daarvan een bedrag van € 33.260 negatief toegekend aan belanghebbende en een bedrag van € 61.674 negatief toegekend aan [A]. De aanslag is aan belanghebbende opgelegd op 17 mei 2011.

2.3.

Op 6 september 2012 hebben belanghebbende en [A] opnieuw aangifte gedaan voor de IB/PVV over het onderhavige jaar. In die aangiften is het bij de aanslagen in aanmerking genomen negatieve saldo van de inkomsten uit eigen woning van € 94.934 volledig toegerekend aan [A]. De Inspecteur heeft deze aangiften aangemerkt als bezwaarschriften tegen de aan belanghebbende en [A] opgelegde aanslagen.

2.4.

Bij uitspraak op bezwaar van 22 oktober 2012 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De Inspecteur heeft dat bezwaar tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag en dit verzoek afgewezen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende door de Inspecteur terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar. Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, is in geschil of afspraken over de toerekening van het negatieve saldo van de inkomsten uit eigen woning over 2008 op de juiste wijze zijn nagekomen.

Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur en tot vermeerdering van de aanslag en de beschikking inzake heffingsrente. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de aanslag, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9 van de Awb is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, dan wel indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

4.2.

De dagtekening van de in bezwaar bestreden aanslag is 17 mei 2011. Gesteld noch gebleken is dat deze dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde derhalve op 28 juni 2011. De door de Inspecteur als bezwaarschrift aangemerkte herziene aangifte van belanghebbende is op 6 september 2012 door de Inspecteur ontvangen. Hieruit volgt dat het bezwaar niet tijdig is ingediend.

4.3.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift een niet-ontvankelijkverklaring slechts dan nog achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.4.

Belanghebbende verkeerde ten tijde van het opleggen van de aanslag in staat van faillissement. Derhalve is de aanslag aan zijn curator gezonden. Belanghebbende stelt dat de curator deze aanslag niet aan hem heeft doorgezonden en dat derhalve redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest ten aanzien van de ontijdige indiening van het bewaarschrift.

4.5.

Op grond van artikel 43 van de AWR kunnen de bevoegdheden van een belanghebbende, die in staat van faillissement is verklaard, in de bezwaarprocedure worden uitgeoefend en nagekomen door zijn curator. Belanghebbende was voorts zelf bevoegd om bezwaar te maken tegen de aanslag, niettegenstaande diens faillissement. Indien juist is dat de curator heeft verzuimd een rechtsmiddel tegen de aanslag aan te wenden, dan wel de aanslag tijdig aan belanghebbende door te sturen, moet dat verzuim van de curator voor belanghebbendes rekening en risico worden gebracht.

4.6.

Belanghebbende heeft ter zitting nog gesteld dat de Inspecteur heeft toegezegd dat het verzenden van post aan de curator, vanwege het faillissement van belanghebbende, aan hem kenbaar gemaakt zou worden en dat zulks niet is geschied. De Inspecteur heeft deze stelling betwist. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende zijn stelling niet aannemelijk heeft gemaakt, zodat niet wordt toegekomen aan een oordeel over de eventuele rechtsgevolgen van die stelling.

4.7.

Belanghebbende heeft geen andere gronden dan die vermeld onder 4.4 aangevoerd ter zake van de termijnoverschrijding. Het Hof is overigens niet van een grond voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding gebleken. Derhalve is het Hof van oordeel dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die in de weg zou staan aan niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. De Inspecteur heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

De vraag of afspraken over de toerekening van het negatieve saldo van de inkomsten uit eigen woning over 2008 op de juiste wijze zijn nagekomen, kan derhalve niet worden beantwoord.

4.8.

De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Aangezien belanghebbende (onder meer) rechtstreeks beroep heeft ingesteld tegen de niet voor bezwaar vatbare beschikking, houdende de afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering van een belastingaanslag, welke beschikking is voorzien in artikel 65 van de AWR, had de Rechtbank, gezien artikel 26, lid 1, van de AWR, zich onbevoegd moeten verklaren tot kennisneming van het beroep, voor zover dat tegen die beschikking was gericht. Tegen die beschikking staat immers, gezien artikel 26, lid 1, van de AWR en artikel 7:1, lid 1, van de Awb, geen bezwaar en beroep open. Met betrekking tot een dergelijke beschikking kan slechts een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld (zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 21 april 2006, nr. 41 033, ECLI:NL:HR:2006:AT3051, BNB 2006/302 en van 20 december 2013, nr. 12/02872, ECLI:NL:HR:2013:1797, BNB 2014/42).

Slotsom

4.9.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd, doch enkel voor zover die betreft de niet-ontvankelijkverklaring van het tegen de beslissing inzake ambtshalve vermindering gerichte beroep.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10.

Aangezien de uitspraak van de Rechtbank gedeeltelijk wordt vernietigd wegens een dictumfout van de Rechtbank, bepaalt het Hof met toepassing van artikel 8:114, lid 1, van de Awb, dat het door belanghebbende ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht van € 122 door de griffier van het Hof aan belanghebbende wordt terugbetaald.

Ten aanzien van de proceskosten

4.11.

Belanghebbende heeft ter zitting verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten zoals bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Het Hof acht mitsdien geen termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in zodanige kosten.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch enkel voor zover deze betreft de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering;

  • -

    verklaart de Rechtbank onbevoegd van het beroep in zoverre kennis te nemen; en

  • -

    bepaalt dat de griffier van het Hof aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 122 terugbetaalt.

Aldus gedaan op 19 december 2014 door P.C. van der Vegt, voorzitter, T.A. Gladpootjes en S. Bosma, in tegenwoordigheid van C.W.A. Schippers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.