Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5398

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
22-12-2014
Zaaknummer
20-000639-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inbraak in bedrijfspand en fietsendiefstal. (1) Gezien het korte tijdsverloop van vijf uren tussen de diefstal van de fiets en het voorhanden hebben daarvan mag het ervoor worden gehouden dat verdachte degene is geweest die de fiets heeft gestolen. Dit is anders indien verdachte een aannemelijke verklaring geeft hoe hij aan de fiets is gekomen. Verdachte heeft een dergelijke verklaring echter niet gegeven. (2) Geen dadelijke uitvoerbaarverklaring. Ingevolge art. 14e lid 1 Sr is dadelijke uitvoerbaarverklaring slechts mogelijk indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet op de aard van het bewezen verklaarde - vermogenscriminaliteit zonder geweldpleging tegen personen - is daarvan geen sprake.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 14e, 310, 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000639-14

Uitspraak : 19 november 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 11 februari 2014 in de strafzaak met parketnummer

01-207577-13 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van – kort gezegd – diefstal met braak (feit 1 primair) en schuldheling (feit 2 subsidiair) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 90 uren met aftrek van voorarrest, subsidiair 45 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 subsidiair (in de vorm van schuldhelding) ten laste gelegde zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 90 uren met aftrek van voorarrest, subsidiair 45 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarden – kort gezegd – reclasseringstoezicht en een meldplicht bij de reclassering, met dadelijke uitvoerbaarverklaring van de bijzondere voorwaarden.

De raadsvrouwe van de verdachte heeft primair vrijspraak van alle feiten bepleit en subsidiair een stafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk.

Voorts komt het hof – anders dan de politierechter – tot een bewezenverklaring van het onder 2 primair ten laste gelegde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

primair:
hij op of omstreeks 12 november 2013 te 's-Hertogenbosch met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijf (gelegen aan de [straat] 105) heeft weggenomen een fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

subsidiair:
hij op of omstreeks 12 november 2013 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijf aan de [straat] 105 weg te nemen geld en/of goederen van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander dan aan verdachte, en/of zich daarbij de toegang tot voornoemd bedrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, voornoemd pand heeft benaderd en/of hij, verdachte, een raam van voornoemd pand heeft geforceerd/verbroken en/of een rolluik en/of het slot van een rolluik heeft geforceerd/verbroken, althans heeft getracht te forceren/verbreken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


2.

primair:
hij op of omstreeks 12 november 2013 te 's-Hertogenbosch met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;


subsidiair:
hij op of omstreeks 12 november 2013 te 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, een fiets heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die fiets wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 12 november 2013 te 's-Hertogenbosch met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening uit een bedrijf (gelegen aan de [straat] 105) heeft weggenomen een fiets, in elk geval enig goed, toebehorende aan [bedrijf], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming;


2.

hij op 12 november 2013 te 's-Hertogenbosch met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een fiets, toebehorende aan [A].

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijs

Feit 1

De raadsvrouwe heeft vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat uit de aangifte blijkt dat er zeven keer in drie maanden tijd is ingebroken in het betreffende bedrijfspand. De politie heeft bloed aangetroffen op de ingeslagen ruit van het pand. Nu er geen is onderzoek verricht naar de herkomst van dat bloed, bestaat de mogelijkheid dat de verdachte, zoals hij bij de politie heeft verklaard (p. 34 politie-proces verbaal), zich heeft verwond aan de reeds eerder door iemand anders kapot geslagen ruit toen hij door het raam het pand is binnengegaan met de bedoeling om te kijken of iemand in dat pand was om in dat geval de politie te bellen. Voorts heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat de politie niet reeds bij proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 november 2013, maar pas bij proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 november 2013 heeft gerelateerd dat de verdachte aan de achterzijde van het genoemde pand bij een bakfiets stond, zodat onduidelijk blijft of de verdachte bij een bakfiets stond.

Het hof overweegt als volgt.1

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De heer [B], facilitair manager van [bedrijf], heeft namens [bedrijf] aangifte gedaan van diefstal/inbraak. Hij heeft het volgende verklaard.

Op donderdag 7 november 2013, omstreeks 16.30 uur, heeft hij het bedrijfspand van [bedrijf] aan de [straat] 105 te ’s-Hertogenbosch verlaten. Hij heeft toen gecontroleerd dat alle toegangsdeuren waren afgesloten en hij heeft het alarm ingeschakeld. Op dinsdag 12 november 2013 om 17.36 uur werd hij gebeld door [C] van Secuned. Deze vertelde hem dat hij gebeld was door Trigion en dat er een inbraakmelding was op de [straat] 105 te ’s-Hertogenbosch. Vervolgens heeft [B] naar Trigion gebeld. Zij vertelden hem dat de inbraakmelding daar was binnengekomen op 12 november 2013 om 16.50 uur.2

Door verbalisanten [V1] en [V2], aspirant resp. hoofdagent van politieregio Brabant-Noord, is het volgende gerelateerd.

Op dinsdag 12 november 2013, omstreeks 17.05 uur, ontvingen verbalisanten [V1] en [V2] van de gemeenschappelijke meldkamer de melding dat het inbraakalarm afging van het pand aan de [straat] 105 te ’s-Hertogenbosch. Omstreeks 17.08 uur kwamen zij bij het pand aan. Zij zagen een man, de verdachte, op het achterperceel lopen ter hoogte van pand nummer 105. De rechterhand van de verdachte zat onder het bloed; hij had verschillende snijwonden aan zijn hand. Zij hebben vervolgens de verdachte aangehouden.

De verbalisanten zagen dat een ruit aan de achterzijde van het pand ingeslagen was. Op het achtergebleven glas zagen zij een rode substantie, gelijkend op bloed. Verbalisant [V1] voelde dat de roldeur aan de achterzijde van het pand openging. Verbalisant [V2] zag dat een druppel, gelijkend op bloed, op de vloer in het pand lag. De verbalisanten zagen voorts dat aan de binnenzijde van de roldeur, op een handgreep, een rode substantie zat, gelijkend op bloed.3

Verbalisant [V1] heeft aanvullend gerelateerd dat aan de achterzijde van het pand een grasveldje ligt. De verdachte stond op dat grasveldje bij een bakfiets. De bak, die normaliter op een soortgelijke fiets aanwezig is, zat er niet op. [V1] heeft voorts gerelateerd dat het raam, waardoor de verdachte vermoedelijk het pand is binnengegaan, zich aan de achterzijde van het pand bevond en dat het raam vanaf de openbare weg niet te zien is.4

Door verbalisant [V3], brigadier van politieregio Brabant-Noord, is gerelateerd dat hij op 13 november 2013 werd gebeld door aangever [B] die hem het volgende meedeelde. De heer [B] is na het doen van zijn aangifte naar genoemd pand gegaan. Hij heeft gezien dat promotiemateriaal, een soort bakfiets die in het pand had gestaan, voor een gedeelte was gedemonteerd. Hij heeft het frame daarvan buiten het pand aangetroffen.5

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat de snijwonden en het bloed aan zijn rechterhand, geconstateerd door de politie bij de aanhouding van de verdachte, waren veroorzaakt doordat hij met het inklimmen in het pand zijn hand heeft gesneden aan het glas van de ruit. De verdachte heeft het pand verlaten via de roldeur die hij van het slot heeft gehaald. Vervolgens kwam de politie.6

Bewijsoverweging

Op grond van het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte degene is die – door middel van vernieling van een ruit en inklimming in het bedrijfspand – (het frame van) de bakfiets heeft weggenomen uit dat pand. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte kort na een inbraakmelding met snijwonden en een bebloede hand aan de achterzijde van het pand werd aangetroffen bij (het frame van) die bakfiets, (dat/)die zich daarvóór in het pand heeft bevonden. Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij door een al kapot raam is geklommen om in het pand te gaan kijken of zich daar iemand bevond, mede in aanmerking genomen dat het betreffende raam vanaf de openbare weg niet te zien was en de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor zijn aanwezigheid aan de achterzijde van het pand. Dat door aangever [B] is verklaard dat er de laatste maanden vaker is ingebroken leidt niet tot een ander oordeel.

Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het aanvullende relaas van verbalisant [V1] van 22 november 2013 dat de verdachte aan de achterzijde van het genoemde pand bij een bakfiets stond. Dat dit niet reeds is gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 november 2013 is voor het hof geen aanleiding om aan de inhoud van het aanvullend, op ambtseed opgemaakt proces-verbaal te twijfelen.

Feit 2

De raadsvrouwe heeft vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte ontkent dat hij de fiets heeft gestolen, dat er geen getuigen van de diefstal zijn en dat er evenmin technische sporen die erop duiden dat de verdachte de fiets heeft gestolen.

Het hof overweegt als volgt.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

[A] heeft aangifte gedaan van diefstal van haar fiets, merk Cortina. Zij heeft verklaard dat zij haar fiets op dinsdag 12 november 2013, omstreeks 12.30 uur, heeft geplaatst op de Markt te ’s-Hertogenbosch en met een kettingslot heeft afgesloten. Toen zij die dag omstreeks 12.40 uur terugkwam, zag zij dat haar fiets was weggenomen.7 Het gaat om een damesfiets, merk Cortina, met framenummer [nummer].8

Door verbalisanten [V1] en [V2], aspirant resp. hoofdagent van politieregio Brabant-Noord, is het volgende gerelateerd.

Op dinsdag 12 november 2013, omstreeks 17.05 uur, ontvingen verbalisanten [V1] en [V2] van de gemeenschappelijke meldkamer de melding dat het inbraakalarm afging van het pand aan de [straat] 105 te ’s-Hertogenbosch. Omstreeks 17.08 uur kwamen zij bij het pand aan. Zij zagen een man, de verdachte, op het achterperceel lopen ter hoogte van pand nummer 105. Zij hebben de verdachte aangehouden.9

Verbalisant [V2] heeft aanvullend het volgende gerelateerd. Toen hij de verdachte op 12 november 2013 omstreeks 17.10 uur aanhield, vroeg de verdachte hem de tassen mee te nemen die aan de voorzijde op de fiets stonden. Aan de voorzijde van het pand trof de verbalisant vervolgens een fiets, merk Cortina, framenummer [nummer], met twee tassen aan.10

Bewijsoverweging

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat de verdachte, toen hij werd aangehouden, in het bezit was van de eerder op die dag gestolen fiets.

Het hof stelt voorop dat aan het enkele voorhanden hebben van een gestolen goed niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat de betrokkene dat goed ook heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang.

Het hof stelt vast dat de verdachte binnen vijf uren na de diefstal de gestolen fiets voorhanden had. Gezien het korte tijdsverloop tussen de diefstal van de fiets en het voorhanden hebben van die fiets mag het ervoor worden gehouden dat de verdachte degene is geweest die de fiets heeft gestolen. Dit is anders indien de verdachte een aannemelijke verklaring geeft hoe hij aan de fiets is gekomen. De verdachte heeft een dergelijke verklaring echter niet gegeven. Hij heeft bij de politie immers slechts verklaard dat hij de betreffende damesfiets die middag had gekregen van een maat van hem, van wie hij de naam niet wil noemen, die had gezegd dat de verdachte de fiets mocht gebruiken zolang hij die nodig had (p. 37-38). Het hof acht deze verklaring niet aannemelijk. Niet alleen is zij oncontroleerbaar doordat de verdachte heeft geweigerd de naam van zijn vriend te noemen; ook acht het hof onwaarschijnlijk dat die vriend – die, uitgaande van de lezing van de verdachte, die middag zelf de fiets moet hebben gestolen, dan wel kort na de diefstal in het bezit van de fiets moet zijn geraakt – om onduidelijke reden die fiets kort daarna aan de verdachte zou uitlenen.

Onder deze omstandigheden acht het hof bewezen dat de verdachte degene is die de fiets heeft gestolen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een inbraak in een bedrijfspand en fietsendiefstal.

Ten nadele van de verdachte weegt het hof mee dat de verdachte blijkens een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 september 2014 (p. 4) voorafgaand aan het bewezen verklaarde reeds onherroepelijk werd veroordeeld ter zake van een vermogensdelict, te weten schuldheling.

Anderzijds heeft het hof gelet op de toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsvrouwe toegelichte persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Op grond van het voorgaande acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde strafoplegging passend en geboden, met dien verstande dat het hof – anders dan gevorderd – niet zal bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Ingevolge artikel 14e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is dadelijke uitvoerbaarverklaring immers slechts mogelijk indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet op de aard van het bewezen verklaarde – vermogenscriminaliteit zonder geweldpleging tegen personen – is daarvan geen sprake.

Met deze deels voorwaardelijke strafoplegging en de daaraan te verbinden bijzondere voorwaarden wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  1. dat de verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van de Reclassering Nederland, regio 's-Hertogenbosch, gevestigd aan de Eekbrouwersweg 6 te 's-Hertogenbosch, en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, door of namens deze instelling te geven;

  2. dat de verdachte verplicht is zich binnen 7 (zeven) werkdagen na het onherroepelijk worden van dit arrest te melden bij voornoemde reclasseringsinstelling.

Geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de aan het voorwaardelijk strafdeel verbonden voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Aldus gewezen door

mr. E.N. van der Spoel, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. R.M. Peters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 19 november 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. R.M. Peters is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

1 De hierna vermelde bewijsmiddelen maken onderdeel uit van het dossier van de politie Brabant Noord, registratienummer PL21X2-2013118058, sluitingsdatum 23 november 2013, bestaande uit doorgenummerde pagina’s 1-44.

2 proces-verbaal van aangifte d.d. 13 november 2013, p. 4-5

3 proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 november 2013, p. 11-12

4 proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 november 2013, p. 17

5 proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 november 2013, p. 16

6 proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 november 2013, p. 36-37

7 proces-verbaal van aangifte d.d. 13 november 2013, p. 8

8 bijlage weggenomen goederen, behorende bij de aangifte, d.d. 13 november 2013, p. 10

9 proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 november 2013, p. 11-12

10 proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 november 2013, p. 15