Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5383

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
F 200.155.631_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing. Ondertoezichtstelling.

Gronden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn nog aanwezig. De moeder en de minderjarigen hebben weliswaar een positieve ontwikkeling meegemaakt, maar de minderjarigen worden nog steeds in hun ontwikkeling bedreigd, welke bedreiging niet binnen het vrijwillige kader kan worden afgewend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 18 december 2014

Zaaknummer : F 200.155.631/01

Zaaknummers 1e aanleg: C/03/190590 / JE RK 14-856 en C/03/190592 / JE RK 14-857

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.M.B.J. Derks-Höppener,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [plaats],

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

Als belanghebbende kan worden aangemerkt:

- [de vader] (hierna te noemen: de vader).

Als betrokkene in de zin van artikel 810 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan worden aangemerkt:

- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 juni 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 september 2014, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de verzoeken van de stichting tot verlenging van de uithuisplaatsing en de ondertoezichtstelling van de hierna te noemen minderjarigen worden afgewezen.

2.2.

Bij verweerschriften met producties, beiden ingekomen ter griffie op 6 oktober 2014, heeft de stichting verzocht (naar het hof begrijpt:) de besteden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. M.E. Bischoff-Derks, waarnemend voor mr. Derks-Höppener;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger stichting], mevrouw [vertegenwoordiger stichting] en de heer [vertegenwoordiger stichting].

2.3.1.

De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.3.2.

De raad heeft bij brief d.d. 23 september 2014 het hof bericht niet ter zitting te zullen verschijnen.

2.3.3.

Het hof heeft de hierna te noemen minderjarigen [dochter 1] en [dochter 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 13 juni 2014;

  • -

    het V8-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 20 november 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn - voor zover hier van belang - geboren:

  • -

    [dochter 1] (hierna te noemen: [dochter 1]), op [geboortedatum] 1999, te [geboorteplaats];

  • -

    [dochter 2] (hierna te noemen: [dochter 2]), op [geboortedatum] 2000, te [geboorteplaats].

3.2.

[dochter 1] en [dochter 2] staan sinds 25 juni 2013 onder toezicht van de stichting.

3.3.

Bij beschikking van 21 november 2013 heeft de rechtbank een machtiging verleend aan de stichting om [dochter 1] en [dochter 2] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een zorgaanbieder voor geïndiceerde jeugdzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, derhalve tot 25 juni 2014.

[dochter 1] en [dochter 2] verblijven in een behandelgroep van Gastenhof te [plaats].

3.4.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [dochter 1] en [dochter 2] verlengd tot 25 juni 2015, alsmede de aan de stichting verleende machtiging verlengd om [dochter 1] en [dochter 2] met ingang van 25 juni 2014 voor de duur van zes maanden uit huis te plaatsen in een accommodatie van een zorgaanbieder voor geïndiceerde jeugdzorg.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissingen niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, – kort samengevat – het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat vrijwillige hulpverlening ontoereikend zal zijn om de thuissituatie voor [dochter 1] en [dochter 2] te verbeteren. De moeder stelt dat zij goed meewerkt aan de hulpverlening. De moeder heeft een bewindvoerder en is al acht jaar schuldenvrij. Zij heeft daarnaast drie à vier maal per week gespecialiseerde thuiszorg van Orbis. De moeder heeft ter zitting van het hof hieraan toegevoegd dat zij deze hulpverleners zelf heeft ingeschakeld en zij de “helicopterview” van de stichting niet noodzakelijk vindt. De moeder is van mening dat wanneer de ondertoezichtstelling in stand blijft er teveel hulpverleners bij het gezin betrokken zijn. De moeder heeft verder verklaard dat zij en [dochter 2] worden bedreigd, maar zij is voornemens de politie hiervoor in te schakelen.

De moeder was het aanvankelijk eens met de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [dochter 1] en [dochter 2], maar gelet op de positieve ontwikkeling die zij bij Gastenhof hebben doorgemaakt acht zij een verlenging van deze maatregelen niet meer noodzakelijk. De moeder is van mening dat zij momenteel voldoende in staat is om daadkrachtig en sterk tegen [dochter 1] en [dochter 2] op te treden en aan hen de nodige structuur en regelmaat te bieden. De moeder stelt daartoe dat gedurende de zomervakantie, die [dochter 1] en [dochter 2] bij de moeder hebben doorgebracht, zich geen problemen hebben voorgedaan. De moeder heeft ter zitting van het hof hieraan toegevoegd dat ook de weekenden goed verlopen en [dochter 1] en [dochter 2] tegenwoordig goed naar haar luisteren.

3.7.

De stichting voert in de verweerschriften, zoals aangevuld ter zitting, – samengevat – het volgende aan.

Er is sprake van een multi-problem gezin waarbij op verschillende gebieden zorgen bestaan. Het betreft hier zorgen rondom de huisvesting, hygiëne, pedagogische onmacht, financiën en verstandelijke beperkingen bij de gezinsleden. In de periode voor de uithuisplaatsing was sprake van een zeer verontrustende situatie waarbij [dochter 1] en [dochter 2] bijna twee jaar niet of nauwelijks naar school zijn geweest en de moeder geen enkel gezag naar hen kon uitdragen. Vanaf de plaatsing binnen Gastenhof lukt het [dochter 1] en [dochter 2] om zich aan de regels te houden binnen de groep. Binnen de groep wordt structuur en duidelijkheid geboden en [dochter 1] en [dochter 2] gedijen hier goed bij. Zij gaan ook weer naar school. [dochter 1] en [dochter 2] lijken op dit moment gemotiveerd om naar school te blijven gaan en niet meer terug te vallen in hun oude gedrag. De stichting merkt ten aanzien van het verblijf van [dochter 1] en [dochter 2] tijdens de zomervakantie bij de moeder op dat de zomervakantie een periode is zonder school en verdere verplichtingen, zodat er minder regels zijn en er een andere structuur/regelmaat heerst. Als de scholen weer beginnen worden er meer eisen gesteld aan de opvoeding; grenzen, structuur en duidelijkheid zijn dan nodig. De moeder kan dit nu nog onvoldoende bieden. Daarnaast zijn na de zomervakantie een aantal zorgmeldingen binnengekomen bij de woningbouwvereniging met betrekking tot overlast. De stichting heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat bij de rechtbank geen verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [dochter 1] en [dochter 2] is ingediend. Op 19 december 2014 wordt de uithuisplaatsing beëindigd, zodat [dochter 1] en [dochter 2] na de kerstvakantie weer op hun oude scholen kunnen starten. Na de thuisplaatsing van [dochter 1] en [dochter 2] zal een risicovolle periode volgen die goed gevolgd dient te worden. Het is van groot belang dat de ingezette hulpverlening wordt gecontinueerd en dat de schoolgang van [dochter 1] en [dochter 2] wordt gecontinueerd. De stichting heeft verder verklaard dat [dochter 1] en [dochter 2] de laatste tijd een kleine terugval in de schoolgang hebben laten zien; zij hebben zich samen ziekgemeld terwijl zij niet ziek waren. De hulpverlening binnen het vrijwillig kader is niet toereikend. De kans is aanwezig dat de moeder gaat afhaken, de hulpverlening stagneert of wordt stopgezet. De moeder ziet de hulp vooral als belastend in plaats van helpend. De stichting heeft hieraan ter zitting toegevoegd dat er drie hulpverleners betrokken zijn bij het gezin en de stichting een “helicopterview” heeft, zodat van onduidelijkheid geen sprake is.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Op grond van artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen wanneer die zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

3.8.2.

Op grond van artikel 1:261 lid 1 van het BW kan de rechter een machtiging verlenen om een onder toezicht gestelde minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.3.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van zowel artikel 1:254 BW als artikel 1:261 BW. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.

3.8.4.

Ten aanzien van de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing merkt het hof op dat zowel [dochter 1] als [dochter 2] tijdens het minderjarigenverhoor hebben verklaard dat zij veel hebben geleerd van de uithuisplaatsing in Gastenhof. [dochter 1] en [dochter 2] zien thans in dat school belangrijk is voor hun toekomst en dat zij zich moeten houden aan de regels die de moeder stelt. Het hof leidt hieruit af dat de door de rechtbank verleende verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van zes maanden in het belang van de verzorging en opvoeding van [dochter 1] en [dochter 2] noodzakelijk is (geweest).

Ter zitting van het hof is gebleken dat de stichting op dit moment geen verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [dochter 1] en [dochter 2] bij de rechtbank heeft ingediend en de uithuisplaatsing van [dochter 1] en [dochter 2] op 19 december 2014 zal worden beëindigd, wanneer de positieve ontwikkeling van [dochter 1] en [dochter 2] wordt gecontinueerd.

3.8.5.

Ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling overweegt het hof het volgende. Het hof stelt voorop dat de moeder en [dochter 1] en [dochter 2] een positieve ontwikkeling hebben doorgemaakt. Het hof acht het echter zorgelijk dat [dochter 2] tijdens het minderjarigenverhoor heeft verklaard dat zij vanwege een bedreiging, waarvan ook de moeder melding maakte op de mondelinge behandeling bij het hof, na de kerstvakantie liever niet terugkeert naar haar oude school en dat ter zitting is gebleken dat [dochter 1] en [dochter 2] de laatste weken ten onrechte zich enkele malen hebben ziek gemeld op school. Vast staat dat in de periode voorafgaand aan de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing [dochter 1] en [dochter 2] twee jaar niet of nauwelijks naar school zijn geweest. Nu de schoolgang van [dochter 1] en [dochter 2] “de rode draad” is in deze ondertoezichtstelling (en uithuisplaatsing) en de moeder en [dochter 2] nog onlangs zijn bedreigd, is het hof van oordeel dat [dochter 1] en [dochter 2] nog steeds in hun ontwikkeling worden bedreigd. Anders dan de moeder, is het hof van oordeel dat de ontwikkelingsbedreiging van [dochter 1] en [dochter 2] niet door middel van hulpverlening binnen het vrijwillige kader kan worden afgewend. Hulpverlening binnen het vrijwillige kader – is naar het oordeel van het hof – ontoereikend omdat de moeder nog niet eerder de zorg heeft gehad voor [dochter 1] en [dochter 2], alsmede hun halfzus [halfzus], in een schoolgaande situatie en het nog onvoldoende vast staat dat de moeder de positieve ontwikkeling ook in deze situatie kan vasthouden. Daarbij komt dat de moeder ter zitting van het hof heeft verklaard dat zij zich niet met de ondertoezichtstelling kan verenigen omdat dan teveel hulpverleners bij het gezin betrokken zijn. Het hof is van oordeel dat daarmee het gevaar bestaat dat de hulpverlening binnen het vrijwillige kader stagneert en/of wordt stopgezet. Het hof deelt de visie van de moeder dat er in combinatie met de ondertoezichtstelling teveel hulpverleners bij het gezin betrokken zijn overigens niet, nu de stichting ter zitting heeft verklaard dat er drie hulpverleners bij het gezin betrokken zijn, te weten: gespecialiseerde thuiszorg, een hulpverlener voor [halfzus] en een hulpverlener van Gastenhof voor [dochter 1] en [dochter 2] (intensieve thuisbegeleiding) en de stichting vooral een coördinerende positie inneemt.

Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat het nog te vroeg is om tegelijk met de uithuisplaatsing van [dochter 1] en [dochter 2] de ondertoezichtstelling te beëindigen, nu de thuisplaatsing van [dochter 1] en [dochter 2] goed moet worden begeleid en gewaarborgd.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 juni 2014;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, M.C. Bijleveld-van der Slikke en A.M.M. Hompus en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2014.