Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5381

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
F 200.143.167_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 18 december 2014

Zaaknummer: F 200.143.167/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/264154 / FA RK 13-2705

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te [woonplaats]

,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. F.C.M. Maat-Oldenhof,

tegen

[de vrouw],

wonende te

[woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.C.M. Berbée-van Koningsbruggen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 18 december 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 maart 2014, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt, voor zover het betreft de afwijzing van zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie en, in zoverre opnieuw rechtdoende, bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna nader te noemen minderjarigen per 8 februari 2013, dan wel per een datum die het hof redelijk acht, te bepalen op nihil, dan wel op een zodanig bedrag als het hof redelijk acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 mei 2014, heeft de vrouw verzocht het beroep van de man, zo nodig onder aanvulling van gronden, af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 november 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Maat-Oldenhof;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Berbée- van Koningsbruggen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 17 oktober 2014;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 20 oktober 2014;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 23 oktober 2014;

  • -

    de ter zitting door de advocaten van partijen overgelegde pleitaantekeningen.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit deze relatie zijn geboren:

- [de zoon] (hierna ook: [de zoon]), op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats],

- [de dochter] (hierna ook: [de dochter]), op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats].

De man heeft de kinderen erkend.

De kinderen wonen bij de vrouw.

3.2.

Bij beschikking van 8 mei 2002 heeft de rechtbank Middelburg bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van bovengenoemde kinderen moet voldoen een bedrag van € 272,27 per kind per maand met ingang van 1 november 2001.

De bijdrage voor de kinderen beloopt ingevolge de wettelijke indexering op dit moment

€ 343,05 per kind per maand.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - voor zover in hoger beroep aan de orde - het verzoek van de man tot wijziging van de onder 3.2. vermelde onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen afgewezen.

3.4.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De grieven van de man betreffen - zakelijk weergegeven - :

- het oordeel van de rechtbank dat de aan de man betaalde ontbindingsvergoeding als tegemoetkoming voor te derven inkomsten dient (grief 1);

- het passeren door de rechtbank van het ter zitting door de man gedane bewijsaanbod ter zake van de besteding van de ontbindingsvergoeding (grief 2);

- de vaststelling van de door de man te betalen alimentatie (grief 3).

Ingangsdatum wijziging

3.6.

De ingangsdatum van een eventuele wijziging van de eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage, zijnde 8 februari 2013, is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangspunt zal nemen.

Behoefte kinderen

3.7.

De behoefte van de kinderen aan de vastgestelde onderhoudsbijdrage ad (geïndexeerd voor 2013) € 340,- per kind per maand en (geïndexeerd voor 2014) € 343,05 per kind per maand is in hoger beroep niet in geschil.

Conform de Richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen zoals deze luidt met ingang van 1 januari 2013 dient op voormeld bedrag van € 340,- in de periode vanaf 8 februari 2013 tot 1 augustus 2013 het kindgebonden budget dat de vrouw ontving in mindering te worden gebracht. Uit de door de vrouw overgelegde voorschotbeschikking 2013 d.d. 21 augustus 2013 blijkt dat het kindgebonden budget voor 2013 € 168,-- per maand bedraagt, zodat het hof voor de betreffende periode de behoefte van de kinderen bepaalt op € 340,- minus

€ 84,- = € 256,- per kind per maand.

Draagkracht

3.8.

De man stelt dat zijn draagkracht met ingang van 8 februari 2013 ontoereikend is om de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen.

3.9.

Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens. Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

Inkomen van de man

Vaststaat dat de arbeidsovereenkomst tussen de man en Jurry Terneuzen B.V. per 7 februari 2013 is beëindigd en dat aan de man een ontbindingsvergoeding is toegekend ten bedrage van € 15.552,-- bruto, hetgeen overeenkomt met een netto bedrag van € 9.020,16.

De man stelt zich op het standpunt dat deze vergoeding buiten beschouwing dient te worden gelaten bij de vaststelling van zijn draagkracht, nu hij met het netto ontvangen bedrag de kosten van zijn arbeidsrechtadvocaat heeft voldaan en het krediet bij Interbank heeft afgelost.

De vrouw is van mening dat de gehele ontbindingsvergoeding dient te worden aangewend om het inkomensverlies van de man te compenseren.

Het hof overweegt dat een ontbindingsvergoeding in principe is bestemd om inkomensschade uit ontslag op te vangen. Dat betekent dat het hof er bij de draagkrachtbepaling in principe vanuit gaat dat het lagere inkomen wordt aangevuld tot het oude niveau. Het hof acht het evenwel onder de gegeven omstandigheden redelijk dat de kosten die de man heeft moeten maken om de ontbindingsvergoeding te verkrijgen, derhalve de kosten van zijn arbeidsrechtadvocaat, op deze vergoeding in mindering worden gebracht en zal dan ook daarvan uitgaan. De man heeft onweersproken gesteld dat na betaling van de advocaatkosten van € 5.827,- een netto bedrag van € 3.192,91 van de ontbindingsvergoeding resteerde, hetgeen rekening houdend met het gehanteerde belastingpercentage van 42%, overeenkomt met een bruto bedrag van € 5.505,-. Het hof is, gelet op het hiervoor omschreven uitgangspunt, van oordeel dat de man dit restant van de vergoeding had moeten aanwenden om zijn ziektewetuitkering vanaf 8 februari 2013 aan te vullen tot zijn laatst verdiende salaris. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat hiervoor een bedrag van

€ 1.123,- bruto per maand nodig was, zodat de man met het bedrag van € 5.505,-- bruto zijn ziektewetuitkering bijna vijf maanden had kunnen aanvullen. Grief 1 slaagt derhalve deels.

Bij grief 2 heeft de man geen belang, nu hij in hoger beroep in de gelegenheid is geweest zijn stellingen ter zake van de besteding van de ontbindingsvergoeding aannemelijk te maken en van die gelegenheid ook gebruik heeft gemaakt. Naar het oordeel van het hof hebben deze bestedingen – met uitzondering van de hierboven genoemde advocaatkosten – evenwel geen prioriteit boven de onderhoudsverplichting van de man ten opzichte van zijn kinderen, reden waarom het hof ervan uitgaat, dat de man gedurende vijf maanden zijn lagere inkomen had kunnen aanvullen tot het oude niveau.

Het hof is van oordeel dat zich op 8 juli 2013 een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan. Gelet op deze datum zijn de nieuwe normen voor de vaststelling van kinderalimentatie van toepassing.

In de periode vanaf 8 juli 2013 tot 8 april 2014 ontving de man een ziektewetuitkering van

€ 633,90 bruto per week, inclusief vakantiegeld.

De man had recht op de algemene heffingskorting.

Het hof stelt het netto besteedbaar inkomen van de man in deze periode vast op een bedrag van € 1.841,-- per maand.

De draagkracht van de man bedraagt in deze periode volgens de formule € 307,- per maand, nog te verhogen met fiscaal voordeel ad € 116,-- per maand, derhalve in totaal € 423,- per maand.

Met ingang van 8 april 2014 is de man gaan werken bij Morres Wonen Hulst B.V. Zijn inkomen bedraagt gemiddeld € 1.853,- bruto per maand, inclusief vakantiegeld. Met dit bedrag houdt het hof rekening. Daarnaast ontvangt de man een WIA-uitkering, die deels wordt verrekend met het inkomen uit arbeid van de man. Deze uitkering bedraagt na verrekening gemiddeld € 1.502,- bruto per maand, inclusief vakantiegeld. Dit bedrag neemt het hof in aanmerking.

De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

Het hof stelt het totale netto besteedbaar inkomen van de man na 8 april 2014 vast op een bedrag van € 2.326,- per maand.

De draagkracht van de man bedraagt in deze periode volgens de formule € 538,- per maand, nog te verhogen met fiscaal voordeel ad € 116,- per maand, derhalve in totaal € 654,- per maand.

Met ingang van 1 januari 2015 heeft de man geen fiscaal voordeel meer. Zijn draagkracht bedraagt met ingang van deze datum € 538,- per maand.

3.10.

Volgens de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen moet de behoefte van de kinderen tussen de ouders worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht.

3.11.

De vrouw heeft ter zitting van het hof onweersproken verklaard dat zij een netto besteedbaar inkomen heeft van € 1.400,- per maand. Vermeerderd met vakantiegeld komt dit uit op een bedrag van € 1.470,- per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de gepubliceerde tabel € 126,- per maand.

3.12.

In de periode vanaf 8 juli 2013 tot 1 augustus 2013 komt het hof tot de volgende verdeling van de kosten voor de kinderen over beide ouders:

- het eigen aandeel van de man bedraagt:

€ 423,-/€ 549,- x € 512,- = € 394,-;

- het eigen aandeel van de vrouw bedraagt:

€ 126,-/€ 549,- x € 512,- = € 118,-.

3.13.

In de periode vanaf 1 augustus 2013 tot 8 april 2014 bedraagt de gezamenlijke draagkracht van de man en de vrouw minder dan de (geïndexeerde) behoefte van de kinderen. Partijen dienen in deze periode bij te dragen in de kosten van de kinderen tot aan de grens van hun draagkracht. Een draagkrachtvergelijking kan achterwege blijven.

3.14.

In de periode vanaf 8 april 2014 tot 1 januari 2015 komt het hof tot de volgende verdeling van de kosten voor de kinderen over beide ouders:

- het eigen aandeel van de man bedraagt:

€ 654,-/€ 780,- x € 686,10 = € 575,-;

- het eigen aandeel van de vrouw bedraagt:

€ 126,-/€ 780,- x € 686,10 = € 111,-.

3.15.

In de periode vanaf 1 januari 2015 bedraagt de gezamenlijke draagkracht van de man en de vrouw minder dan de (geïndexeerde) behoefte van de kinderen. Partijen dienen in deze periode bij te dragen in de kosten van de kinderen tot aan de grens van hun draagkracht. Een draagkrachtvergelijking kan achterwege blijven.

3.16.

Het hof stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen derhalve vast op de volgende bedragen:

- in de periode vanaf 8 februari 2013 tot 8 juli 2013: € 256,- per kind per maand;

- in de periode vanaf 8 juli 2013 tot 1 augustus 2013: € 197,- per kind per maand;

- in de periode vanaf 1 augustus 2013 tot 8 april 2014: € 212,- per kind per maand;

- in de periode vanaf 8 april 2014 tot 1 januari 2015: € 288,- per kind per maand;

- in de periode vanaf 1 januari 2015: € 269,- per kind per maand.

3.17.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat indien per saldo teveel betaald is aan kinderalimentatie, dit niet door haar behoeft te worden terugbetaald, nu de ontvangen bedragen zijn besteed aan het doel waarvoor zij bestemd waren.

Tegen dit verzoek heeft de man geen verweer gevoerd, zodat het hof het verzoek zal toewijzen.

3.18.

De beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient derhalve te worden vernietigd.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 18 december 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Middelburg van 8 mei 2002 als volgt:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon], geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats], en [de dochter], geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats], zal voldoen:

- een bedrag van € 256,- per kind per maand in de periode vanaf 8 februari 2013 tot 8 juli 2013;

- een bedrag van € 197,- per kind per maand in de periode vanaf 8 juli 2013 tot 1 augustus 2013;

- een bedrag van € 212,- per kind per maand in de periode vanaf 1 augustus 2013 tot 8 april 2014;

- een bedrag van € 288,- per kind per maand in de periode vanaf 8 april 2014 tot 1 januari 2015;

- een bedrag van € 269,- per kind per maand in de periode vanaf 1 januari 2015,

voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de vrouw per saldo eventueel tot heden teveel betaalde kinderalimentatie niet behoeft terug te betalen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.E.M. Renckens, C.A.R.M. van Leuven en

A.J. van de Rakt en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2014.