Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5379

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
F 200.158.096_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 18 december 2014

Zaaknummer : F 200.158.096/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/283434 / JE RK 14/1401MZ12

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. F. Putmans-de Kok,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats],

namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

Als belanghebbende kan worden aangemerkt:

- [de vader] (hierna te noemen: de vader).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 5 september 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 oktober 2014, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het verzoek om een machtiging tot plaatsing van de hierna te noemen kinderen in een verblijf accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs voor de duur van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen en beide kinderen zullen verblijven bij de moeder, alsmede de stichting te veroordelen in de kosten van deze procedure alsook in de kosten van de procedure in eerste aanleg.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 november 2014, heeft de stichting verzocht het door de moeder ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen en voormelde beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. D. Vong, waarnemend voor mr. Putmans-de Kok;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting] en de heer [vertegenwoordiger van de stichting];

- de vader.

2.3.1.

Het hof heeft de minderjarigen [zoon 3] en [de dochter] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.

[de dochter] heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

[zoon 3] heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 14 november 2014. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen ook daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het door de raad bij brief d.d. 13 november 2014 overgelegde raadsrapport d.d. 2 januari 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren:

- [zoon 1] (hierna te noemen: [zoon 1]), op [geboortedatum] 2007, te [geboorteplaats];

- [zoon 2] (hierna te noemen: [zoon 2]), op [geboortedatum] 2003, te [geboorteplaats];

- [zoon 3] (hierna te noemen: [zoon 3]), op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats];

- [de dochter] (hierna te noemen: [de dochter]), op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats].

De onderhavige procedure betreft enkel de minderjarigen [zoon 3] en [de dochter].

3.2.

[de dochter] en [zoon 3] staan sinds 31 januari 2014 onder toezicht van de stichting. Deze ondertoezichtstelling loopt tot 31 januari 2015.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank machtiging verleend aan de stichting om [de dochter] en [zoon 3] voor de duur van de ondertoezichtstelling uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Ter zitting van het hof heeft de moeder haar verzoek in hoger beroep ingetrokken voor zover het [zoon 3] betreft. In zoverre zal het verzoek van de moeder in hoger beroep derhalve worden afgewezen en de bestreden beschikking worden bekrachtigd.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – voor zover thans nog van belang, aan dat zij de begeleiding van Oosterpoort heeft toegelaten bij haar thuis en een aantal keren op de school van de kinderen. De moeder en [de dochter] waren echter niet tevreden over de hulpverlener. Er was geen ‘klik’. Met de huidige (vrouwelijke) hulpverlener zijn de moeder en [de dochter] wel tevreden.

De moeder is van mening dat de hulpverlening wel degelijk een positief effect heeft gehad op de ontwikkeling van [de dochter]. De stelling van de stichting dat de moeder [de dochter] te zwaar zou belasten en dat onderzoek dient te worden gedaan naar de opvoedmogelijkheden en -kwaliteiten van de moeder, doet hier niet aan af.

De moeder stelt verder dat, sinds de vader de woning heeft verlaten, er meer rust is ontstaan. De uithuisplaatsing van [de dochter] zorgt er bovendien niet voor dat de hulpverlening beter zal verlopen, aldus de moeder.

De moeder is van mening dat hulpverlening in de thuissituatie de ontwikkelingsbedreiging van [de dochter] wel degelijk kan doen afnemen. [de dochter] is als gevolg van de hulpverlening niet langer verwikkeld in de strijd tussen de ouders.

De moeder wordt ondersteund door haar beschermingsbewindvoerder en zij heeft zich in oktober 2014 aangemeld bij GGZ Oost-Brabant. Zij heeft een intelligentietest gedaan en zij wordt tot op heden begeleid door de heer [medewerker GGZ]. Uit de test is gebleken dat de moeder op licht verstandelijk beperkt niveau functioneert. De kwetsbaarheid, afhankelijkheid en prikkelbaarheid van de moeder uiten zich in psychische klachten. De GGZ gaat begeleiding voor de moeder inzetten, maar het is nog niet bekend wat die begeleiding concreet zal inhouden. Uit de test blijkt eveneens dat de moeder is gebaat bij een duidelijke structuur en eenvoudig taalgebruik.

3.6.

De stichting voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat – voor zover thans nog belang, aan dat na drie gesprekken met de ambulant begeleider van Oosterpoort, de moeder en [de dochter] hebben aangegeven dat zij geen ‘klik’ hadden met die begeleider. De stichting heeft met de moeder afspraken gemaakt over de samenwerking met de hulpverlening en is voor [de dochter] en de moeder op zoek gegaan naar een vrouwelijke begeleider. Daarna heeft nog één gesprek plaatsgevonden tussen de ambulant begeleider, [zoon 3] en zijn mentor van school. Vervolgens heeft de moeder de begeleider niet meer toegelaten. De stichting heeft op 28 mei 2014 de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven en op 3 juli 2014 een herhaalbrief gestuurd. Naast de hulpverlening van Oosterpoort heeft de moeder ook de ondersteuning van Aanzet (algemeen maatschappelijk werk), MEE en GGZ niet geaccepteerd.

De hulpverlening is volgens de stichting niet tot stand gekomen en de ontwikkeling van [de dochter] is niet gestimuleerd. Er is voorts geen sprake geweest van een verbetering van hun situatie, er zijn geen doelen behaald en er zijn enkel zorgen bijgekomen. [de dochter] bevindt zich in een toenemend loyaliteitsconflict dat wordt veroorzaakt door de moeder. De moeder belast [de dochter] met haar eigen problematiek en [de dochter] raakt steeds meer geïsoleerd. Doordat de moeder alle hulp afhoudt, is er geen zicht op de veiligheid van [de dochter] in de thuissituatie. Tussen de moeder en [de dochter] is sprake van een vriendinnenrelatie. De moeder stelt dat zij de kinderen nodig heeft, maar dit behoort andersom te zijn. De intensieve ambulante ondersteuning werd volgens de stichting gezien als een laatste kans.

De stichting stelt dat de vader al ruim voor de ondertoezichtstelling, op 31 januari 2014, de echtelijke woning had verlaten. Dit heeft er niet voor gezorgd dat er structureel meer rust in de thuissituatie is gekomen. Sinds het vertrek van de vader heeft de moeder de kinderen ingezet in de strijd tegen de vader. Door zich meerdere malen per dag negatief uit te laten over de vader, horen en voelen de kinderen dat de moeder de vader afkeurt.

Sinds de uithuisplaatsing is [de dochter] tot rust gekomen. Zij voelt zich veilig in het pleeggezin. Zij heeft een tijdje moeten wennen maar langzaam maar zeker durft [de dochter] meer van

zichzelf te laten zien. [de dochter] wordt gestimuleerd in het aangaan van sociale contacten en zij krijgt begeleiding bij het organiseren van haar schoolwerk. Zij doet het goed op haar nieuwe school. Hoewel [de dochter] het liefst weer bij de moeder zou willen wonen, ervaart zij de plaatsing bij de pleegmoeder niet als negatief. [de dochter] ziet niet meer zo bleek en haar acné is nagenoeg verdwenen. Zij krijgt gezonde voeding en er is sprake van regelmaat en structuur. Voordat [de dochter] de volwassen leeftijd bereikt, dient zij een passende behandeling te ondergaan.

Om voor de moeder passende opvoedondersteuning te kunnen inzetten is het belangrijk dat bekend wordt hoe de hulpverlening moet ‘insteken’. De geringe capaciteiten van de moeder vragen om een specifieke benaderingswijze en inzet van de hulpverlening. Derhalve is het noodzakelijk dat een diagnose gesteld wordt, waarmee aanspraak kan worden gemaakt op passende zorg. De hulp die de moeder thans vanuit het GGZ aangeboden krijgt, verandert niets aan de thuissituatie; daarvoor is opvoedingsondersteuning nodig. De stichting houdt rekening met de kans dat de moeder ook dan weer zal stellen dat er geen klik is met de betreffende hulpverlener en de hulpverlening zal afhouden.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Op grond van artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een machtiging verlenen om een onder toezicht gestelde minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.7.2.

Het hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat de moeder niet in staat is gebleken [de dochter] een veilige en stabiele opvoedsituatie te bieden. Door veelvuldig tegen of in het bijzijn van [de dochter] uitspraken te doen over haar eigen problemen, belast zij [de dochter] met volwassenproblematiek. Daarnaast laat de moeder zich voortdurend negatief uit over de vader, waardoor [de dochter] – vanuit haar loyaliteit jegens de moeder – zich niet kan openstellen voor (onbelast) contact met de vader. Voorts baart het zorgen dat [de dochter] in een sociaal isolement is terechtgekomen doordat zij door de moeder werd

vrijgelaten in het invullen van haar vrije tijd en [de dochter]’s wereld niet groter was dan de contacten die zij had via internet en sociale media.

De moeder heeft tot op heden ambulante hulpverlening in de thuissituatie niet of slechts beperkt toegelaten, zodat die niet heeft kunnen leiden tot verbetering van de thuissituatie. Doordat de hulpverlening beperkt zicht had op het gezin, was voorts de veiligheid van [de dochter] in de thuissituatie bij de moeder onvoldoende gewaarborgd. Daarbij komt dat de opvoedvaardigheden en de capaciteiten van de moeder nimmer behoorlijk konden worden onderzocht, omdat zij daaraan haar medewerking niet wenste te verlenen.

3.7.3.

Het hof stelt voorts vast dat sinds de uithuisplaatsing het zichtbaar beter gaat met [de dochter]. Hoewel zij tijd nodig heeft (gehad) om te aarden in het pleeggezin, kan vastgesteld worden dat [de dochter] in de relatief korte tijd dat zij in het pleeggezin verblijft, een inhaalslag heeft gemaakt op alle ontwikkelingsgebieden. Zij maakt een gezonde indruk en stelt zelf zich minder zorgen te maken over de moeder. Zij concentreert zich nu vooral op zichzelf en haar school. Haar laatste rapport was het beste rapport van de klas. Dit alles neemt niet weg dat [de dochter], als zij zou mogen kiezen, weer bij de moeder zou willen gaan wonen.

3.7.4.

Het hof overweegt dat (volgens de advocaat van de moeder) uit het op 19 november 2014 door GGZ Oost-Brabant afgenomen intelligentieonderzoek is gebleken dat de moeder op licht verstandelijk beperkt niveau functioneert. Onderzocht gaat worden welke hulp (voor haarzelf) geïndiceerd is.

Op grond van al het voren overwogene concludeert het hof evenwel dat de moeder op dit moment niet over de opvoedingsvaardigheden beschikt die nodig zijn om aan de ontwikkelingsvragen en -behoeften van [de dochter] te beantwoorden en (met ambulante hulpverlening in de thuissituatie) de zorg voor [de dochter] weer op zich te kunnen nemen.

Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat een continuering van de uithuisplaatsing in het belang van [de dochter] dient te worden geacht en dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:261 BW.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

Proceskosten

3.9.

Het hof ziet gezien de aard van de procedure geen aanleiding om, zoals door de moeder is verzocht, de stichting te veroordelen in de proceskosten van beide instanties, temeer nu de stichting in dezen dient te worden aangemerkt als de in het gelijk gestelde partij en zal dit verzoek afwijzen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 5 september 2014, voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, E.L. Schaafsma-Beversluis en A.M.M. Hompus en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2014.