Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5349

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
HD 200.128.752_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verjaring en voeren van regie over aanneming van werk. Tekortkomingen bij plaatsen badkamerwanden door niet uitvoeren vochtwerende behandeling? Ingangsdatum verjaringstermijn jegens de beweerdelijke toezichthouder. Bekendheid met schade en met de (volgens eiser) aansprakelijke personen. Toepassing van de daarbij te hanteren maatstaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.128.752/01

arrest van 16 december 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. A.J.L.J. Pfeil te Maastricht,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

mr. R.W.E.J. Luijten te Valkenburg,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2],

op het bij exploot van dagvaarding van 7 mei 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 13 februari 2013, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/03/165520/HA ZA 11-761)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het in dezelfde zaak gewezen tussenvonnis van 4 januari 2012.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] met twee producties;

- de memorie van antwoord van [geïntimeerde 2];

- de akte van [geïntimeerde 2];

- de antwoordakte van [appellant].

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.1.

In dit hoger beroep staat onder meer het volgende vast.

  1. [appellant] heeft in 2002 en 2003 een hem in eigendom toebehorend studentenhuis laten verbouwen om het pand geschikt te maken voor de verhuur van kamers op basis van “bed & breakfast”. Bij de verbouwing zijn scheidingswanden aangebracht, waardoor het pand na de verbouwing verschillende kamers had, elk voorzien van een eigen badkamer, die volgens het bed & breakfast-concept verhuurd konden worden.

  2. Op enig moment na de realisering van de verbouwing van het pand is scheurvorming en vervorming opgetreden in alle of vrijwel alle scheidingswanden waarmee de badkamers waren gerealiseerd.

  3. Bij brief van 28 december 2005 heeft [architect], architect BNA, aan [appellant] onder meer het volgende meegedeeld:

“Naar aanleiding van het oriënterend onderzoek op 19 december j.l., naar de scheurvorming in de wandtegels van de badkamers in het pand (…) kan ik u als volgt berichten:

In diverse badkamers op de 1e, 2e en 3e verdieping is er sprake van scheurvorming in de wandtegels.

Deze gebreken doen zich met name voor in de tijdens de verbouwing geplaatste lichte scheidingswanden.

De bedoelde wanden zijn volgens uw zeggen samengesteld uit een metaalskelet met daarop cementgebonden vezelplaten, en een afwerking van gelijmde wandtegels.

Het blijkt dat de wandgedeelten waarop de scheurvorming is geconstateerd, in horizontale lijn een vervorming vertonen tot wel 15 mm. Deze vervorming van de wanden heeft op zijn beurt weer tot gevolg gehad dat de wanttegels op diverse plaatsen over nagenoeg de gehele wandhoogte zijn gescheurd.

De oorzaak van dit alles moet waarschijnlijk gezocht worden in het feit dat de cement-gebonden wandplaten niet zijn voorzien van de noodzakelijke dilatatie t.p.v. de aansluitende wanden.

Een definitief uitsluitsel kan gegeven worden aan de hand van bijv. nader onderzoek (…).”

[appellant] heeft twee rapporten overgelegd, daterend van 21 februari 2009 en van 22 maart 2010, opgesteld door [de ingenieur]. [de ingenieur] heeft in het rapport van 22 maart 2010 onder meer het volgende geconcludeerd:

“De bewerking van de platen:

De houtvezel-cementplaten zijn toegepast in badkamers, dus in een vochtige omgeving.

De platen dienen daarom afgeschermd te worden tegen de indringing van vocht.

Dit dient te worden uitgevoerd nadat de platen op maat zijn gemaakt en voordat zij tegen het raamwerk worden bevestigd.

Dit is in het geheel niet uitgevoerd.

Doordat de platen niet beschermd zijn tegen de indringing van vocht, zuigen de platen aanzienlijke hoeveelheden vocht op.

Zij zijn daardoor onderhevig aan aanzienlijke veranderingen van de afmetingen, zoals in het gemaakte werk ook blijkt.

Door de veranderingen in afmetingen “spatten” de platen bij gebrek aan vervormingsruimte uit het vlak van de wanden, mede waardoor schade ontstaat.

(…)

De bevestiging van de platen:

(…)

De platen zitten klem tussen het stijl- en regelwerk en elkaar; er is geen vervormingsruimte; mede daardoor spatten de platen loodrecht op het vlak van de wand en veroorzaken daardoor onder meer ernstige scheurvorming in het tegelwerk.

(…)

De afwerking van de naden tussen de platen:

De naden tussen de platen zijn niet voorzien van kitnaden zodat de vochtige lucht de kopse kanten van de platen kan bereiken en van daaruit de platen kan bevochtigen.

Door het ontbreken van de kitnaden kan de warme en vochtige lucht doordringen in de ruimten tussen de platen en de ander zijden van de wanden.

Daardoor worden de achterzijden van de houtvezel-cementplaten de platen bevochtigd en ondergaan mede daardoor zwellingen in lengte-, dwars- en dikterichtingen.

Daardoor vervormen de platen en in combinatie met de overige gebreken treden de eerder omschreven schaden op.

Conclusie:

(…)

De platen zijn niet aangebracht en afgewerkt overeenkomstig de normale eisen van goed en degelijk werk, vakmanschap en de eisen van het materiaal.”

De onderhavige procedure is door [appellant] aanhangig gemaakt bij inleidende dagvaarding van 27 september 2011.

3.1.2.

Het hof zal in het navolgende voor zover nodig nadere feiten vaststellen.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vorderde [appellant] in eerste aanleg, samengevat:

  1. een verklaring voor recht dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [appellant] heeft geleden als gevolg van de scheurvorming en vervorming van de scheidingswanden in de badkamers van het pand;

  2. hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot betaling van schadevergoeding aan [appellant], op te maken bij staat;

  3. hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot betaling van € 2.681,55 wegens de kosten van inschakeling van de deskundige [de ingenieur] en € 2,502,61 ter zake buitengerechtelijke kosten;

een en ander vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten zoals in de dagvaarding aangegeven.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellant], kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

 [geïntimeerde 1] heeft de platen waaruit de scheidingswanden bij de badkamers zijn opgebouwd, op ondeugdelijke wijze, zoals omschreven in de rapportages van [de ingenieur], aangebracht. [geïntimeerde 1] is dus tekort geschoten in de uitvoering van de door [appellant] met hem gesloten overeenkomst. [geïntimeerde 1] is daarom aansprakelijk voor de daardoor veroorzaakte schade.

 [geïntimeerde 2] had ingevolge een door [appellant] met hem gesloten overeenkomst de leiding over de bouw en diende toezicht op de bouwwerkzaamheden uit te oefenen. [geïntimeerde 2] is daarin tekort geschoten omdat hij niet heeft geconstateerd dat [geïntimeerde 1] de platen op ondeugdelijke wijze heeft aangebracht, althans verzuimd heeft om in te grijpen. [geïntimeerde 2] is aansprakelijk voor de schade die [appellant] daardoor heeft geleden.

3.2.3.

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben elk afzonderlijk gemotiveerd verweer gevoerd. De gevoerde verweren zullen, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.1.

In het tussenvonnis van 4 januari 2012 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

3.3.2.

In het eindvonnis van 13 februari 2013 heeft de rechtbank, kort samengevat, als volgt geoordeeld.

I. Op grond van de eigen stellingen van [appellant] moet worden aangenomen dat hij de schade uiterlijk op 30 september 2003 heeft ontdekt, zodat op dat moment de in art. 3:310 lid 1 genoemde verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen. [appellant] heeft [geïntimeerde 2] op 25 september 2008 een brief gestuurd over de scheurvorming in de badkamers maar die brief bevat geen schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling “waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt” in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW. De brief van 25 september 2008 heeft de verjaring van de vordering op [geïntimeerde 2] dus niet gestuit. De vordering van [appellant] op [geïntimeerde 2] is daarom op 1 oktober 2008 verjaard.

II. Er is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde 1] andere verbintenissen op zich heeft genomen dan de verbintenis om op uurloonbasis, volledig aangestuurd door [appellant], de door [appellant] opgedragen werkzaamheden te verrichten. Er is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde 1] in de nakoming van die werkzaamheden tekort is geschoten.

Op grond van deze oordelen heeft de rechtbank:

I. de vorderingen van [appellant] tegen [geïntimeerde 2] afgewezen en [appellant] in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde 2] veroordeeld;

II. de vorderingen van [appellant] tegen [geïntimeerde 1] afgewezen en [appellant] in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde 1] veroordeeld.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd.

Grief 1 is gericht tegen het hiervoor onder I weergegeven oordeel van de rechtbank, op grond waarvan de rechtbank de vordering tegen [geïntimeerde 2] heeft afgewezen.

Grief 2 is gericht tegen het hiervoor onder II weergegeven oordeel van de rechtbank, op grond waarvan de rechtbank de vorderingen tegen [geïntimeerde 1] heeft afgewezen.

Grief 3 is een “veeggrief” die naast de grieven 1 en 2 geen zelfstandige betekenis heeft.

Naar aanleiding van grief 1, de zaak tegen [geïntimeerde 2]

3.5.1.

Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering van [appellant] op [geïntimeerde 2] verjaard is.

3.5.2.

[appellant] betwist in de toelichting op de grief niet het oordeel van de rechtbank dat zijn brief aan [geïntimeerde 2] van 25 september 2008 geen schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling “waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt” in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW bevat. Ook in hoger beroep staat dus tussen partijen vast dat de verjaring van de vordering van [appellant] op [geïntimeerde 2] niet is gestuit door de brief van 25 september 2008.

3.5.3.

[appellant] betwist met grief 1 het oordeel van de rechtbank dat hij de schade in 2003 heeft ontdekt zodat de verjaringstermijn in 2003 is gaan lopen. In de toelichting op de grief voert [appellant] aan dat er in 2003 nog geen schade en zelfs nog geen scheurvorming van betekenis was. Volgens [appellant] was toen nog slechts sprake van allereerste scheurtjes, in verband waarmee hij zich tot [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] heeft gewend, die hem toen hebben aangeraden om voorlopig af te wachten tot het pand volledig zou zijn uitgewerkt. Volgens [appellant] was op dat moment voor hem nog niet zichtbaar dat de scheurvorming veroorzaakt werd door een onjuiste montage van het plaatmateriaal. [appellant] concludeert dat de verjaringstermijn met betrekking tot zijn vordering op [geïntimeerde 2] pas is gaan lopen op 30 september 2008 omdat [geïntimeerde 2] pas bij brief van die datum aan [appellant] duidelijk maakte dat [appellant] met zijn klachten niet meer bij [geïntimeerde 2] terecht kon. Verder stelt [appellant] zich op het standpunt, zo begrijpt het hof, dat het beroep van [geïntimeerde 2] op verjaring gelet op de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

3.5.4.

[geïntimeerde 2] heeft als reactie op de grief aangevoerd dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de verjaringstermijn al uiterlijk eind september 2003 is gaan lopen.

3.5.5.

Het hof stelt voorop dat de brief van de advocaat van [appellant] aan [geïntimeerde 2] van 1 mei 2009 die als prod. 12 bij de inleidende dagvaarding is overgelegd, wel een schriftelijke mededeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW bevat. Op enige andere stuitingshandeling, gelegen in de periode vóór 1 mei 2009, heeft [appellant] zich niet beroepen. Dit brengt mee dat de vordering verjaard is als de verjaringstermijn van vijf jaren is gaan lopen vóór 1 mei 2004.

3.5.6.

Bij de beantwoording van de vraag of de verjaringstermijn vóór 1 mei 2004 is gaan lopen, hanteert het hof de navolgende maatstaf die is neergelegd in rov. 3.5 van het arrest van de Hoge Raad van 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7041:

“Art. 3:310 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. Deze verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon.

Voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is echter niet vereist dat de benadeelde bekend is met alle componenten of de gehele omvang van zijn schade als gevolg van dat tekortschietend of foutief handelen. Voldoende is dat de benadeelde bekend is geworden met schade die hij heeft geleden of lijdt als gevolg daarvan. Die bekendheid stelt de benadeelde immers daadwerkelijk in staat om tegen de aansprakelijke persoon een vordering tot schadevergoeding in te stellen. De verjaringstermijn die vervolgens op de voet van art. 3:310 lid 1 begint te lopen geldt mede voor de vordering tot vergoeding van schade waarvan de benadeelde kon verwachten dat hij die als gevolg van datzelfde tekortschietend of foutief handelen van de aansprakelijke persoon zou kunnen gaan lijden.”

3.5.7.

Bij de toepassing van deze maatstaf neemt het hof, naast de in rov. 3.1.1 vastgestelde feiten a tot en met e, ook nog de volgende feiten in aanmerking.

Bij brief van 25 september 2008 heeft [appellant] aan [geïntimeerde 2] onder meer het volgende geschreven:

“Ik refereer hierbij aan de bijeenkomst in juni 2003 waar wij, De heer [geïntimeerde 1] en uw de heer [geïntimeerde 2] en ondergetekende, geconstateerd hebben dat er in het pand (…) in de badkamers scheurvorming zichtbaar was. Wij zijn toen overeengekomen om de zaak even te laten rusten c.q. het eindresultaat van de scheurvorming af te wachten om dan vervolgens te bepalen wat te doen. Hieraan is geen gevolg gegeven.”

Bij brief van 1 mei 2009 heeft de advocaat van [appellant] aan [geïntimeerde 2] onder meer het volgende geschreven:

“Allereerst wijs ik er namens cliënt op dat u al in een vroeg stadium (augustus/september 2003) van de problematiek in casu op de hoogte bent gesteld. U heeft toen samen met de heer [geïntimeerde 1] de scheurvorming ter plekke bekeken, doch cliënt aangeraden eerst het gebouw te laten “uitwerken”, alvorens een en ander definitief in kaart te brengen.”

Tijdens de in eerste aanleg op 13 maart 2012 gehouden comparitie van partijen heeft [appellant] onder meer het volgende verklaard:

“In september 2003 heb ik een bijeenkomst gehad samen met [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] om het probleem van de scheurende tegels te bespreken. De oorzaak en de totale omvang van dit fenomeen was toen nog niet bekend. Op aanraden van de heer [geïntimeerde 2] hebben wij vervolgens nog een tijdje afgewacht om te zien hoe dit proces zich zou ontwikkelen. Pas door het onderzoek in 2009 door [de ingenieur] is duidelijk geworden welke oorzaak heeft geleid tot een scheuring van de tegels en daardoor werd vervolgens duidelijk wie aansprakelijk kan worden gehouden voor deze schade.”

i. [appellant] heeft facturen die [geïntimeerde 1] hem vanaf medio 2003 voor de uitgevoerde werkzaamheden heeft verzonden, geheel of ten dele onbetaald gelaten. [appellant] heeft in de onderhavige procedure gesteld (punt 6 inleidende dagvaarding) dat hij zich dienaangaande op een opschortingsrecht heeft beroepen in verband met de gebreken aan de tussenwanden.

Verder neemt het hof in aanmerking dat [appellant] in de inleidende dagvaarding, na een uiteenzetting te hebben gegeven over de schade, bij randnummer 4 het volgende heeft gesteld:

“Eiser heeft beiden (hof: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2]) al medio 2003 ter zake geïnformeerd. Beiden hebben toen in het pand ook de schade (scheurvorming en vervorming) vastgesteld. Zij hebben eiser toen beiden aangeraden voorlopig af te wachten totdat het pand volledig zou zijn “uitgewerkt”, waarna definitief de oorzaak en de aansprakelijkheid zouden kunnen worden vastgesteld.”

3.5.8.

Uit hetgeen [appellant] bij inleidende dagvaarding heeft gesteld, in de bovengenoemde brieven van 25 september 2008 en 1 mei 2009 heeft geschreven en bij de comparitie van partijen heeft verklaard, kan naar het oordeel van het hof niet anders worden geconcludeerd dan dat in juni 2003, althans in elk geval in de periode augustus/september 2003, al sprake was van serieuze scheurvorming in de wanden van de badkamers die niet lang daarvoor in het pand waren gerealiseerd. [appellant] heeft immers volgens zijn eigen stellingen al medio 2003 aanleiding gezien om [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] ter plaatse te laten komen om daar de schade, bestaande uit scheurvorming en vervorming, te laten vaststellen. Verder heeft [appellant] volgens zijn eigen stellingen vanwege deze schade de betaling van de facturen van [geïntimeerde 1] opgeschort. Uit de door [appellant] bij de inleidende dagvaarding overgelegde producties 3 en 4 blijkt dat die opschorting al vanaf medio 2003 heeft plaatsgevonden. Daarom moet geoordeeld worden dat [appellant] al in het najaar van 2003 bekend was met de schade in de zin van artikel 3:310 BW. Dat geldt te meer voor het eerste kwartaal van 2004. Vast staat immers dat de schade in de loop van de tijd verder is toegenomen.

3.5.9.

Dat de schade na de op grond van rov. 3.5.5 relevante datum 1 mei 2004 nog verder is toegenomen, doet er bovendien niet aan af dat [appellant] reeds vóór 1 mei 2004 bekend was met de schade in de zin van artikel 3:310 BW. Voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is gelet op voornoemd arrest van de Hoge Raad immers niet vereist dat de benadeelde bekend is met alle componenten of de gehele omvang van zijn schade als gevolg van dat tekortschietend of foutief handelen. Voldoende is dat de benadeelde bekend is geworden met schade die hij heeft geleden of lijdt als gevolg daarvan. Die bekendheid stelt de benadeelde immers daadwerkelijk in staat om tegen de aansprakelijke persoon een vordering tot schadevergoeding in te stellen. De verjaringstermijn die vervolgens op de voet van art. 3:310 lid 1 begint te lopen geldt mede voor de vordering tot vergoeding van schade waarvan de benadeelde kon verwachten dat hij die als gevolg van datzelfde tekortschietend of foutief handelen van de aansprakelijke persoon zou kunnen gaan lijden, en derhalve ook voor de toegenomen schade als gevolg van de vanaf 1 mei 2004 nog verder toegenomen scheurvorming.

3.5.10.

Naar het oordeel van het hof moet in de gegeven omstandigheden tevens worden geoordeeld dat [appellant] reeds in het najaar van 2003 en in elk geval – hetgeen beslissend is – vóór 1 mei 2004 bekend is geworden met de (volgens hem) voor de schade aansprakelijke personen. Daarvan is volgens genoemd arrest van de Hoge Raad immers sprake als de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het hier niet om een nieuwbouwpand ging maar om een bestaand pand dat voorheen in gebruik is geweest als studentenhuis. Het heeft [appellant] dus redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de scheurvorming geen verband hield met het feit dat het pand “zich nog moest zetten”. De stelling van [appellant] in alinea 2.6 van de memorie van grieven, dat [geïntimeerde 2] hem had meegedeeld dat de constructie nog uit moest werken omdat het een oud pand betrof waarin nog werking aanwezig was, doet daar niet aan af. [geïntimeerde 2] heeft uitdrukkelijk betwist dat hij een dergelijke mededeling gedaan heeft maar zelfs al zou die mededeling wel gedaan zijn dan had [appellant], die bedrijfsmatig onroerend goed exploiteert, zich niet door die mededeling mogen laten afschepen. [appellant] heeft geen enkele andere aannemelijke oorzaak voor de schade genoemd dan gemaakte fouten bij de uitvoering van de werkzaamheden.

3.5.11.

Het hof is bij deze stand van zaken van oordeel dat het [appellant] in elk geval voor 1 mei 2004 duidelijk was of redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn, dat de schade een gevolg was van een onjuiste uitvoering van de werkzaamheden. Dienovereenkomstig heeft [appellant], zo stelt hij zelf, al medio 2003 [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] naar het pand laten komen om hen de schade te laten aanschouwen. Tevens heeft [appellant], zo stelt hij in de inleidende dagvaarding sub 6, betaling van de facturen van [geïntimeerde 1] opgeschort in verband met de problemen met de tussenwanden. Naar het oordeel van het hof had [appellant] op dat moment dus voldoende zekerheid in de zin van genoemd arrest van de Hoge Raad (die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn) dat de schade is veroorzaakt door een onjuiste uitvoering van de werkzaamheden. Dat [appellant] nog niet precies wist welke fouten bij de uitvoering waren gemaakt (fouten door [geïntimeerde 1], fouten door de tegelzetter of fouten door een ander), doet hier niet aan af. [appellant] heeft zich immers op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde 2] de verbintenis op zich heeft genomen om de hele bouw probleemloos te laten verlopen. Het standpunt dat [geïntimeerde 2] daarin tekort geschoten was, had [appellant] dus in elk geval vóór 1 mei 2004 ook al kunnen innemen.

3.5.12.

Uitgaande van het standpunt van [appellant] dat de onjuiste uitvoering van de werkzaamheden als tekortkoming aan [geïntimeerde 2] kan worden toegerekend, was [appellant] dus in elk geval in het eerste kwartaal van 2004 daadwerkelijk in staat (in de zin van genoemd arrest van de Hoge Raad) om een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen tegen [geïntimeerde 2]. Dit brengt mee dat de verjaringstermijn van de vordering van [appellant] tegen [geïntimeerde 2] ruim vóór 1 mei 2004 is aangevangen. De vordering was dus al verjaard ten tijde van de eerste stuitingshandeling die besloten lag in de brief van 1 mei 2009.

3.5.13.

Het hof acht het in de gegeven omstandigheden niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde 2] zich op verjaring beroept. [appellant] heeft voldoende gelegenheid gehad om [geïntimeerde 2] eerder aansprakelijk te stellen en/of om de verjaring van de vordering tegen [geïntimeerde 2] te stuiten. Dat [appellant] daar geen gebruik van heeft gemaakt moet voor zijn rekening worden gelaten.

3.5.14.

Grief 1 kan om bovenstaande redenen geen doel treffen. Het hof zal het beroepen vonnis bekrachtigen, voor zover gewezen tussen [appellant] en [geïntimeerde 2]. De andere verweren die [geïntimeerde 2] nog heeft gevoerd, hoeven dus niet besproken te worden. Het hof zal [appellant] veroordelen in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde 2]. Bij de begroting van de kosten wordt de akte van [geïntimeerde 2] buiten beschouwing gelaten. De kostenveroordeling wordt, zoals door [geïntimeerde 2] gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Naar aanleiding van grief 2, de zaak tegen [geïntimeerde 1]

3.6.1.

In de zaak van [appellant] tegen [geïntimeerde 1] heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde 1] andere verbintenissen op zich heeft genomen dan de verbintenis om op uurloonbasis, volledig aangestuurd door [appellant], de door [appellant] opgedragen werkzaamheden te verrichten en dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde 1] in de nakoming van die werkzaamheden tekort is geschoten. Grief 2 is tegen deze oordelen gericht.

3.6.2.

In de toelichting op de grief voert [appellant] aan dat [geïntimeerde 1] als aannemer “de betreffende verbouwingen van het pand” op zich heeft genomen. Naar het hof begrijpt bedoelt [appellant] hiermee te stellen dat [geïntimeerde 1] jegens [appellant] de verbintenis op zich heeft genomen om in het pand op vakbekwame wijze badkamerwanden te plaatsen. Volgens [appellant] bracht dit voor [geïntimeerde 1] de verbintenis mee om het daarvoor gekozen plaatmateriaal vóóraf te voorzien van een coating waardoor de platen zouden worden beschermd tegen de indringing van vocht. [appellant] stelt dat [geïntimeerde 1] deze voorbehandeling achterwege heeft gelaten en dusdoende tekort geschoten is in de nakoming van zijn verbintenissen. In alinea 3.2.7 van de memorie van grieven stelt [appellant] dat de schade zich niet zou hebben voorgedaan als [geïntimeerde 1] de voorbehandeling wel zou hebben uitgevoerd.

3.6.3.

[geïntimeerde 1] heeft reeds in eerste aanleg betwist dat hij de verbintenis op zich heeft genomen om op zelfstandige wijze in het pand badkamerwanden te realiseren en daartoe het plaatmateriaal te voorzien van een coating ter bescherming tegen de indringing van vocht. Volgens [geïntimeerde 1] heeft hij slechts de verbintenis op zich genomen om:

 het door [appellant] en/of [geïntimeerde 2] uitgekozen plaatmateriaal te leveren;

 in het pand op uurloonbasis in opdracht van [appellant] en geheel aangestuurd door [appellant], bepaalde werkzaamheden te verrichten zoals het bevestigen van het genoemde plaatmateriaal op regelwerk, waardoor de badkamerwanden ontstonden.

Volgens [geïntimeerde 1] heeft hij die werkzaamheden bij slechts vijf van de in het pand gerealiseerde badkamers uitgevoerd en heeft hij daarbij geen fouten gemaakt. Volgens [geïntimeerde 1] is hem niet opgedragen de platen te voorzien van een coating en mocht hij ervan uitgaan dat de tegelzetter, die na de plaatsing van de platen de wanden zou betegelen, daarbij zo nodig een vochtwerende voorbehandeling zou uitvoeren.

3.6.4.

De partijen verschillen dus van mening over de inhoud van de verbintenissen die zij op zich hebben genomen. Volgens [geïntimeerde 1] waren dat slechts beperkte verbintenissen. De rechtbank heeft dat standpunt gevolgd en op die grond de vordering van [appellant] tegen [geïntimeerde 1] afgewezen. [appellant] betoogt met zijn grief dat [geïntimeerde 1] verder strekkende verbintenissen op zich heeft genomen. Omdat [appellant] zich erop beroept dat [geïntimeerde 1] zich ertoe heeft verbonden om op vakbekwame wijze badkamerwanden te realiseren waartegen de tegelzetter zonder vochtwerende voorbehandeling tegels zou kunnen aanbrengen, rust op [appellant] de bewijslast van die stelling.

3.6.5.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] het bewijs van zijn stelling niet geleverd. Een schriftelijk contract is niet beschikbaar. Ook uit andere gedingstukken is het bewijs niet af te leiden. [appellant] heeft in dit verband gewezen op de procedure die [geïntimeerde 1] in 2006 tegen [appellant] is begonnen om betaling van zijn facturen te verkrijgen. In die procedure heeft [geïntimeerde 1] gesteld dat tussen hem en [geïntimeerde 1] een overeenkomst van aanneming van werk is gesloten. Naar het oordeel van het hof is daaruit slechts af te leiden dat [geïntimeerde 1] zich ertoe heeft verbonden om voor [appellant] een of meer werken van stoffelijke aard tot stand te brengen. Dat kan ook inhouden: het aangestuurd door [appellant] bevestigen van platen op regelwerk. Het hof concludeert dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde 1] de door [appellant] gestelde verder strekkende verbintenissen op zich heeft genomen. [appellant] heeft dienaangaande in hoger beroep geen voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan.

3.6.6.

In het oordeel van de rechtbank ligt besloten dat van een tekortkoming van [geïntimeerde 1] ter zake het niet of onvoldoende aanbrengen van dilataties tussen de wandplaten geen sprake is. Dat oordeel heeft [appellant] in hoger beroep niet met een voldoende duidelijke grief bestreden. Grief 2 spitst zich toe op het verwijt van het niet voorbehandelen van de platen.

3.6.7.

Naar het oordeel van het hof is ook niet komen vast te staan dat [geïntimeerde 1] een waarschuwingsplicht heeft geschonden. [geïntimeerde 1] heeft dienaangaande gesteld dat hij ervan uitging dat de tegelzetter voor zover nodig vochtwerende voorzieningen zou aanbrengen alvorens de tegels te plaatsen. Er zijn geen feiten of omstandigheden komen vast te staan die meebrengen dat [geïntimeerde 1] daar destijds niet in redelijkheid van heeft mogen uitgaan.

3.6.8.

Grief 2 kan om bovenstaande redenen geen doel treffen. Het hof zal het beroepen vonnis bekrachtigen, voor zover gewezen tussen [appellant] en [geïntimeerde 1]. De andere verweren die [geïntimeerde 1] nog heeft gevoerd, hoeven dus niet besproken te worden. Het hof zal [appellant] veroordelen in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde 1]. De kostenveroordeling wordt, zoals door [geïntimeerde 1] gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Naar aanleiding van grief 3

3.7.

Grief 3 heeft naast de grieven 1 en 2 geen zelfstandige betekenis en hoeft dus verder niet besproken te worden.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het onder zaaknummer C/03/165520/HA ZA 11-761 door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, tussen partijen gewezen vonnis van 13 februari 2013:

 voor zover gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde 2] als gedaagde, en:

 voor zover gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde 1] als gedaagde;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde 2] en begroot die kosten op € 299,-- aan vast recht en op € 894,-- aan salaris advocaat;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde 1] en begroot die kosten op € 299,-- aan vast recht en op € 894,-- aan salaris advocaat;

verklaart beide kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en J.H.C. Schouten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 december 2014.

griffier rolraadsheer