Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5336

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
20-000232-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 6 WVW 1994. 1. Vrijspraak van roekeloosheid. 2. De rechtbank heeft in de kwalificatie ten onrechte opgenomen dat verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in art. 8 lid 2 sub b WVW 1994. Die toestand houdt in dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed. De tenlastelegging houdt omtrent het alcoholgebruik van verdachte slechts in dat verdachte “na gebruik van alcoholhoudende drank” het nader in de tenlastelegging omschreven verkeersgedrag heeft vertoond. Overeenkomstig de tenlastelegging heeft de rechtbank “na gebruik van alcoholhoudende drank” bewezen verklaard. Nu die bewezenverklaring niet inhoudt dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek hoger bleek te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed, heeft de rechtbank in de kwalificatie van het bewezen verklaarde ten onrechte de - aan art. 175 lid 3 WVW 1994 ontleende - wettelijke strafverhogingsgrond opgenomen.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 6, 175
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000232-14

Uitspraak : 9 december 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 24 september 2013 in de strafzaak met parketnummer

04-850063-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

wonende te [adres],

thans uit anderen hoofde verblijvende in PI Limburg Zuid - Gev. De Geerhorst te Sittard.

Hoger beroep

Bij het beroepen vonnis is de verdachte ter zake van:

1. primair: ‘overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van deze wet’ veroordeeld tot:

 een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest;

 een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaren;

2. ‘ ‘overtreding van artikel 107 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994’ veroordeeld tot een geldboete van € 200,=, subsidiair 4 dagen hechtenis.

De rechtbank heeft voorts de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van € 3.000,=, subsidiair 40 dagen hechtenis, opgelegd ten behoeve van [slachtoffer].

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van:

 het onder 1 primair ten laste gelegde (zonder schuldvorm roekeloosheid) zal veroordelen tot:

 een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest;

 een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren;

 het onder 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een geldboete van € 200,=, subsidiair 4 dagen hechtenis.

De vordering van de advocaat-generaal houdt voorts in dat het hof de schadevergoedings-maatregel tot een bedrag van € 3.000,=, subsidiair 40 dagen hechtenis, zal opleggen ten behoeve van [slachtoffer].

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 primair ten laste gelegde schuldvorm roekeloosheid en een strafmaatverweer gevoerd. Bepleit is dat het hof de verdachte zal veroordelen tot:

 een gevangenisstraf voor de duur van een jaar met aftrek van voorarrest, waarvan 364 dagen voorwaardelijk, zijnde een vrijheidsstraf waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte (één dag) gelijk is aan de duur van het voorarrest;

 een taakstraf voor de duur van 240 uren;

 een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van tien jaren.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde – onder meer ten aanzien van de schuldvorm – dan de rechtbank.

Het vonnis zal voorts worden vernietigd, omdat de rechtbank in de kwalificatie van het onder 1 bewezen verklaarde ten onrechte heeft opgenomen dat de verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994).

De toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, WVW 1994 houdt in dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed.

De tenlastelegging onder 1 primair houdt omtrent het alcoholgebruik van de verdachte slechts in dat de verdachte “na gebruik van alcoholhoudende drank” het nader in de tenlastelegging omschreven verkeersgedrag heeft vertoond. Overeenkomstig de tenlastelegging heeft de rechtbank “na gebruik van alcoholhoudende drank” bewezen verklaard.

Nu die bewezenverklaring niet inhoudt dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek hoger bleek te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed, heeft de rechtbank in de kwalificatie van het bewezen verklaarde ten onrechte de – aan artikel 175, derde lid, WVW 1994 ontleende – wettelijke strafverhogingsgrond opgenomen.

Het hof merkt hierbij op dat de officier van justitie ter terechtzitting van 10 september 2013 heeft gevorderd dat de tenlastelegging zou worden gewijzigd, (onder meer) in die zin dat, kort gezegd, genoemde wettelijke strafverhogingsgrond in de tenlastelegging zou worden opgenomen. De rechtbank heeft die vordering echter afgewezen, overwegende dat “in de tenlastelegging reeds is opgenomen dat er alcohol door de verdachte is genuttigd en de rechtbank overigens evenmin een meerwaarde in de wijziging van de tenlastelegging ziet.”

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

primair:

hij op of omstreeks 30 mei 2011 te Echt, in elk geval in de gemeente Echt-Susteren, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A2 (ter hoogte van hectometerpaal 226.9), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, althans door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - na gebruik van alcoholhoudende drank, zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs en/of met een onverzekerd voertuig voorzien van een vals kenteken – met hoge snelheid, in elk geval een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 90 km/u, een vóór hem, verdachte, op die Rijksweg (A2), in dezelfde richting als hij, verdachte, rijdende personenauto (merk: Volvo, [kenteken]), van achteren te naderen met een snelheid van ongeveer 175 km/u, in elk geval met een veel hogere snelheid dan de ter plaatste toegestane maximumsnelheid van 90 km/u, en/of de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en niet voldoende te verminderen en/of niet behoorlijk uit te wijken om een aanrijding of botsing met die vóór hem, verdachte, rijdende personenauto te voorkomen en/of door op zodanige wijze te sturen, althans te rijden, althans te remmen, dat hij, verdachte, het door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, ten gevolge waarvan hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing of aanrijding is gekomen met die vóór hem, in dezelfde richting als hem, verdachte, rijdende personenauto, door welk verkeersongeval [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken rib en/of een hersenkneuzing met bloedingen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;



subsidiair:

a)

hij op of omstreeks 30 mei 2011 te Echt, in elk geval in de gemeente Echt-Susteren, als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, 1,56 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

b)

hij op of omstreeks 30 mei 2011 te Echt, gemeente Echt-Susteren, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, A2 (hectometerpaal 226.9), – na gebruik van alcoholhoudende drank, zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs en/of met een onverzekerd voertuig voorzien van een vals kenteken – met hoge snelheid, in elk geval een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 90 km/u, een vóór hem, verdachte, op die Rijksweg (A2), in dezelfde richting als hij, verdachte, rijdende personenauto (merk: Volvo, [kenteken]), van achteren is genaderd met een snelheid van ongeveer 175 km/u, in elk geval met een veel hogere snelheid dan de ter plaatste toegestane maximumsnelheid van 90 km/u, en/of de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en niet voldoende heeft verminderd en/of niet behoorlijk is uitgeweken om een aanrijding of botsing met die vóór hem, verdachte, rijdende personenauto te voorkomen en/of op zodanige wijze heeft gestuurd althans gereden althans geremd dat hij, verdachte, het door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, ten gevolge waarvan hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing of aanrijding is gekomen met die vóór hem, in dezelfde richting als hij, verdachte, rijdende personenauto, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op de weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op de weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;


2.

hij op of omstreeks 30 mei 2011 te Echt, in elk geval in de gemeente Echt-Susteren, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, A2 (ter hoogte van hectometerpaal 226.9), zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 30 mei 2011 in de gemeente Echt-Susteren als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A2, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend – na gebruik van alcoholhoudende drank, zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs en met een onverzekerd voertuig voorzien van een vals kenteken – met hoge snelheid, in elk geval een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 90 km/u, een vóór hem, verdachte, op die Rijksweg (A2), in dezelfde richting als hij, verdachte, rijdende personenauto (merk: Volvo, [kenteken]), van achteren te naderen met een veel hogere snelheid dan de ter plaatste toegestane maximumsnelheid van 90 km/u en de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en niet voldoende te verminderen en niet behoorlijk uit te wijken om een aanrijding met die vóór hem, verdachte, rijdende personenauto te voorkomen en door op zodanige wijze te sturen, althans te rijden, dat hij, verdachte, het door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, ten gevolge waarvan hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in aanrijding is gekomen met die vóór hem, in dezelfde richting als hem, verdachte, rijdende personenauto, door welk verkeersongeval [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken rib en een hersenkneuzing met bloedingen, werd toegebracht;

2.

hij op 30 mei 2011 in de gemeente Echt-Susteren als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, A2, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders onder 1 primair en 2 is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De rechtbank heeft geoordeeld dat het rijgedrag van de verdachte is aan te merken als roekeloos in de zin van artikel 175, tweede lid, WVW 1994.

Dienaangaande overweegt het hof, in navolging van de jurisprudentie van de Hoge Raad dienaangaande, dat van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zal zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" – in de betekenis van "onberaden" – wordt verstaan. Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. In dit verband volstaat doorgaans niet de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in artikel 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen.

Toetsend aan deze maatstaf, is het hof – met de advocaat-generaal en de verdediging en anders dan de rechtbank – van oordeel dat het rijgedrag van de verdachte, hoe roekeloos ook in de betekenis die in het algemeen spraakgebruik aan dat woord wordt gegeven, in juridische zin niet is aan te merken als de zwaarste vorm van schuld – roekeloosheid –, maar als zeer onvoorzichtig en onoplettend.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd als:

1.

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

2.

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto door zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag, na het gebruik van alcohol (verkerend onder invloed van alcohol, met een bloedalcoholgehalte van 1,56 promille), een verkeersongeval veroorzaakt waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en met de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting, waarin het gebruikelijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden.

Op grond van genoemde oriëntatiepunten voor de straftoemeting kan bij het door een grove verkeersfout, met een bloedalcoholgehalte van meer dan 1,30 promille, veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel voor een ander tot gevolg, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren passend worden geacht.

In aanmerking genomen dat de verdachte heeft gereden zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs, in een onverzekerd voertuig voorzien van een vals kenteken, met een veel hogere snelheid dan de ter plaatste in verband met wegwerkzaamheden geldende maximumsnelheid van 90 km/uur, acht het hof – in afwijking van genoemde oriëntatiepunten – een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren aangewezen.

Gelet op de ernst van het onder 1 bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, en de gevolgen van het onder 1 bewezen verklaarde voor het slachtoffer [slachtoffer], kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die vrijheidsbeneming van genoemde duur met zich brengt.

Het hof is dan ook van oordeel dat niet kan worden volstaan met de door de raadsman bepleite strafoplegging. Bij dit oordeel heeft het hof tevens in aanmerking genomen dat de door de raadsman bepleite langdurige rijontzegging de verdachte slechts beperkt zou treffen, nu de verdachte al niet tot rijden bevoegd is omdat hij niet in het bezit is van een rijbewijs.

Het hof heeft ambtshalve een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting geconstateerd. Tussen de aanhouding en inverzekeringstelling van de verdachte (30 mei 2011) en het vonnis van de rechtbank (24 september 2013) is immers een periode van bijna 28 maanden verstreken, derhalve bijna vier maanden langer dan de in beginsel redelijk te achten termijn van twee jaren. Het hof acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen. Ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof één maand in mindering brengen op de duur van de op te leggen gevangenisstraf.

Ter zake van de onder 2 bewezen verklaarde overtreding acht het hof een geldboete ter hoogte van € 200,= passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Schadevergoedingsmaatregel

Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer] d.d. 13 februari 2013 en uit diens verklaring ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 25 november 2014 is het hof gebleken dat door verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade aan het slachtoffer is toegebracht, die door het hof wordt begroot op een bedrag van (ten minste) € 3.000,=. De verdachte is voor deze schade naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Met de advocaat-generaal en de rechtbank ziet het hof daarom aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel tot dat bedrag op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 36f, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 107, 175, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders onder 1 primair en 2 is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

- ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van

3 (drie) jaren.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

- ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. H. Harmsen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 9 december 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Harmsen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.