Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5315

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
20-000044-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De politie treedt in de nachtelijke uren zonder toestemming van verdachte binnen in zijn woning ter aanhouding van verdachte wegens burengerucht. Vervolgens beledigt verdachte één van de binnentredende politieambtenaren en bedreigt hij een andere, niet bij het binnentreden aanwezige politieambtenaar.

De stelling van de raadsman dat het binnentreden onrechtmatig was, kan -indien juist- niet de gevolgtrekking dragen dat zulks een vormverzuim oplevert in het kader van het voorbereidend onderzoek ex art. 359a Sv naar de in deze zaak ten laste gelegde en bewezen verklaarde belediging en bedreiging.

In strijd met art. 7 lid 1 Awbi bepaalt de machtiging tot binnentreden niet dat tussen middernacht en 6 uur ’s morgens zonder toestemming van de bewoner kan worden binnengetreden. Dit leidt tot vrijspraak van het aan art. 267 Sr ontleende bestanddeel dat de ambtenaar werd beledigd “gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 266, 267, 285, geldigheid: 2014-12-09
Wetboek van Strafvordering 359a, geldigheid: 2014-12-09
Algemene wet op het binnentreden 7, geldigheid: 2014-12-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000044-14

Uitspraak : 9 december 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 7 januari 2014 in de strafzaak met parketnummer 01-100159-13 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij het beroepen vonnis is de verdachte ter zake van – kort gezegd – belediging van een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (feit 1) en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (feit 2) veroordeeld tot een geldboete van € 500,=, subsidiair 10 dagen hechtenis, desgewenst te voldoen in 5 termijnen van elk € 100,= per maand.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 9 juli 2014 en 25 november 2014.

Op 23 juli 2014 heeft het hof een tussenarrest gewezen.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van – kort gezegd – belediging van een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (feit 1) en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (feit 2) zal veroordelen tot een geldboete van € 500,=, subsidiair 10 dagen hechtenis.

Door en namens de verdachte is primair niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, subsidiair integrale vrijspraak en meer subsidiair schuldigverklaring zonder oplegging van straf bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat de politierechter kon volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Bovendien is in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – gewijzigd.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging

Ter terechtzitting van 9 juli 2014 heeft de toenmalige raadsvrouwe van de verdachte niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de voorafgaande machtiging tot binnentreden en een achteraf gemaakte verslaglegging van het politieoptreden na het binnentreden ontbreken. Het ontbreken van de mogelijkheid tot toetsing raakt het verdedigingsbelang in de kern en zodoende is ook sprake van een schending van artikel 6 van het EVRM. Er is sprake van een eenzijdige visie van de opsporingsambtenaren met als enkel doel belastende zaken naar voren te brengen, waarbij de naleving van strafvorderlijke regels en beginselen uit het oog zijn verloren en met voeten zijn getreden.

Het hof overweegt als volgt.

Machtiging tot binnentreden

Nu de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 november 2014 de machtiging tot binnentreden in het geding heeft gebracht, is dit onderdeel van het verweer achterhaald.

Ten overvloede overweegt het hof dat, voor zover het verweer de eis stelt dat de machtiging tot binnentreden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, Algemene wet op het binnentreden (Awbi) zich bij de stukken van het geding dient te bevinden, het een eis stelt die geen steun vindt in het recht.1

Verslaglegging van het politieoptreden

Daargelaten de vraag of de stukken – zoals die zich bevinden in het dossier van de politieregio Brabant Noord, registratienummer PL21XO 2013055344, sluitingsdatum 1 juli 2013, doorgenummerde pagina’s 1-28 – een adequate verslaglegging bevatten van het politieoptreden voor en na het binnentreden, is ook dit onderdeel van het verweer achterhaald. Na het tussenarrest van 23 juli 2014 heeft de advocaat-generaal immers twee processen-verbaal van bevindingen in het geding gebracht, te weten een proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 mei 2013, nr. PL21X2 2013055339-2, van verbalisanten [A] en [B] en een proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 september 2014, nr. PL2100 2013055339-11, van verbalisant [A]. Die processen-verbaal bevatten naar het oordeel van het hof in ieder geval een adequate verslaglegging van het politieoptreden voor en na het binnentreden in de woning van de verdachte. Derhalve is geen sprake van het ontbreken van de mogelijkheid tot toetsing van het politieoptreden en evenmin van een schending van artikel 6 van het EVRM.

Naar het oordeel van het hof is voorts niet gebleken van een eenzijdige visie van de opsporingsambtenaren met als enkel doel belastende zaken naar voren te brengen, waarbij de naleving van strafvorderlijke regels en beginselen uit het oog zijn verloren en met voeten zijn getreden.

Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging wordt daarom verworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juli 2014 – ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 31 mei 2013 te 's-Hertogenbosch opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [C] (hoofdagent van de Politieregio Brabant-Noord), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Belachelijk, dat ik in mijn eigen woning word gearresteerd. En al helemaal door een Turk." en/of "Die kut islamiet heeft niets te zoeken hier. Hij moet zeker niet aan mijn lijf komen die kut Turk." en/of "Het is niet te verteren dat een kut islamiet in mijn huis is." en/of "Die Turk hoort hier helemaal niet.", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;


2.
hij op of omstreeks 31 mei 2013 te 's-Hertogenbosch [D] (wijkagent van de Politieregio Oost-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend verbalisant [B] en/of verbalisant [C] de woorden toegevoegd "Die [D] en jij gaan hangen.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, van welke bedreiging die [D] (middels een e-mailbericht) kennis heeft genomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hieronder opgenomen bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.2

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 mei 2013, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisant [B] (p. 6-7):

Op vrijdag 31 mei 2013, omstreeks 01.40 uur, was ik, verbalisant [B], in politie-uniform gekleed en ook als zodanig herkenbaar. Ik was in het gezelschap van drie andere collega’s, genaamd [E], [C] en [A]. Door de centralist van het gemeenschappelijk meldcentrum te ‘s-Hertogenbosch werd ik op bovenstaande datum en tijdstip naar de [straat] 125 te ’s-Hertogenbosch gestuurd. Aldaar zou de bewoner geluidsoverlast veroorzaken voor de rest van de bewoners van het appartementencomplex. Wij hielden [verdachte] in de woning aan voor artikel 431 van het Wetboek van Strafrecht. Ik en de drie collega’s betraden de woning en er werd aan meneer [verdachte] medegedeeld waarvoor wij kwamen.

Ik hoorde dat [verdachte] zei over collega [C] dat hij een kut Turk was en een kut islamiet. Ik hoorde dat hij zei dat hij geen vieze kut islamieten in zijn woning wilde, of woorden van gelijke strekking. Ik hoorde dat hij deze woorden minimaal vijftien keer heeft herhaald. Ik zag dat hij bij het uitspreken van deze woorden in de richting keek van collega [C].

Ik hoorde dat [verdachte] zich erg bedreigend uitliet over collega [D]. Ik hoorde dat hij zei dat hij nog niet klaar was met collega [D]. Ik hoorde dat hij meerdere malen zei dat hij er eigenhandig voor ging zorgen dat zij ‘zou gaan hangen’. Ik hoorde dat hij zei dat hij dit ook daadwerkelijk zou gaan doen. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat er doden zouden gaan vallen. Ik hoorde dat hij zei dat hij met deze doden collega [D] bedoelde.

De uitlatingen die meneer [verdachte] deed kwamen bij mij als schokkend en overtuigend over. Mede doordat ik hoorde dat hij collega [D] meerdere malen met naam en toenaam noemde.

2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 mei 2013, nr. PL21X2 2013055339-2, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisanten

[A] en [B] (niet in het doorgenummerde politiedossier opgenomen document):

Door de centralist van het gemeenschappelijk meldcentrum werden wij naar de [straat] 125 te ‘s-Hertogenbosch gestuurd. Op vrijdag 31 mei 2013, om 02.05 uur, hebben wij, verbalisanten [A] en [B], vergezeld van twee collega’s van een andere eenheid, de woning betreden.

Wij hoorden dat de verdachte zei: “Die [D] hangt.” Wij, verbalisanten, hoorden vervolgens dat de verdachte zei: “Jullie zijn fascisten, jullie nemen gewoon een islamiet mee voor mijn aanhouding. Ik ga niet mee met die vuile Turk.” Wij zagen dat de verdachte bij het doen van deze uitspraak in de richting keek van de collega van de andere eenheid, welke van Turkse afkomst is (het hof begrijpt: verbalisant [C]). Wij hoorden dat de verdachte zei: “Ik ga er eigenhandig voor zorgen dat er doden gaan vallen. Er gaan hier mensen hangen”.

Verdachte : [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats]

3. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 31 mei 2013, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [C] (p. 17-18):

Ik doe aangifte van belediging. Op vrijdag 31 mei 2013 was ik belast met de aanhouding van de verdachte [verdachte]. Tijdens deze aanhouding heeft hij mij beledigd. Voor meer informatie verwijs ik naar mijn proces-verbaal van bevindingen (hof: bewijsmiddel 4). Door de beledigingen voelde ik mij in mijn eer en goede naam aangetast.

4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 mei 2013, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisant [C] (p. 8-9):

Ik, verbalisant [C], hoofdagent van Politieregio Brabant-Noord, verklaar het volgende.

Op vrijdag 31 mei 2013, omstreeks 01.30 uur, was ik tezamen met [E] belast met de algehele surveillance binnen de gemeentegrenzen van ‘s-Hertogenbosch. Op genoemde dag en tijdstip hoorden wij over de ether dat de surveillance-eenheid met roepnummer 10.02 van een medewerker van het Gemeenschappelijk Meld Centrum de opdracht kreeg om te gaan naar de [straat] te ‘s-Hertogenbosch vanwege overlast van geluid. Na enkele ogenblikken werd de opdracht aangevuld met informatie dat de veroorzaker een zekere de heer [verdachte] betrof. Omstreeks 02.00 uur werden wij, [E] en [C], door collega [A] van de surveillance-eenheid 10.02 portofonisch verzocht om ondersteuning te verlenen, daar zij de veroorzaker van de overlast, de heer [verdachte], zouden aanhouden. [verdachte] is dezelfde dag, omstreeks 02.07 uur, met ondersteuning van ons, [E] en [C], aangehouden in zijn woning.

Na de aanhouding heeft de verdachte mij, verbalisant, voortdurend gekwetst en beledigd. Hieronder citeer ik wat de verdachte zei/riep:

"Belachelijk, dat ik in mijn eigen woning word gearresteerd. En al helemaal door een Turk. Die [D] en jij gaan hangen."

"Die kut islamiet heeft niets te zoeken hier. Hij moet zeker niet aan mijn lijf komen die kut Turk."

"Het is niet te verteren dat een kut islamiet in mijn huis is. Die Turk hoort hier helemaal niet."

Deze uitingen raakten mij diep en ik voelde ik mij beledigd. In mijn carrière van bijna elf jaar is het vaker voorgevallen dat ik beledigd ben geweest. Echter nog geen één keer had een persoon en/of verdachte mij zo diep geraakt waardoor ik sprakeloos raakte. Ik heb geen enkele keer respons gegeven, beter gezegd, kunnen geven. Tot het moment dat de verdachte plaatsnam in het dienstvoertuig zocht de verdachte met enige regelmaat oogcontact met mij op, waarna hij mij beledigde. Ik voelde me beledigd, boos, vernederd en gekwetst. Woorden/zinnen met kut Turk en kut islamiet heeft de verdachte meer dan tien keer geroepen.

5. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 31 mei 2013, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [D] (p. 15-16):

Ik doe aangifte van bedreiging met de dood. Ik ben werkzaam als wijkagent binnen de politie Oost-Brabant, basiseenheid ‘s-Hertogenbosch, van de bewoners van het cluster centrum ‘s-Hertogenbosch. Op 31 mei 2013, om 10:00 uur, las ik een werkmail over een bewoner in mijn wijk. Ik had deze mail ontvangen van een collega die gisteren, 30 mei, 22:00 uur, tot en met 31 mei 2013, 07:00 uur, dienst had en een melding had ontvangen over nachtrumoer bij een bewoner in mijn toegewezen wijk/werkgebied. Ik kan u verklaren dat dit om [verdachte] gaat, geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats], woonachtig op de [straat] 125 te ‘s-Hertogenbosch. Ik las dat in deze mail een mutatie stond over een aanhouding voor artikel 431 Wetboek van Strafrecht, zijnde nachtrumoer. Ik kan u tevens verklaren dat intern ik veel op de hoogte word gehouden over meldingen in mijn wijk/werkgebied om zo mijn werkzaamheden te vergemakkelijken. Op vrijdag 31 mei 2013, omstreeks 10:00 uur, las ik in deze mail dat verdachte [verdachte] mij woordelijk had bedreigd met de dood. Ik las, verwoord door collega [E], de zinnen: “Ook liet [verdachte] zich uit ten opzichte van collega [D]. Hij zei dat zij zou gaan hangen en dat hij daar zelf voor zou zorgen. Hij vertelde dat hij eigenhandig ervoor ging zorgen dat er doden zouden vallen. Hiermee bedoelde hij ook collega [D] die hij meerdere malen met naam en toenaam noemde.” Ik voel me erg door [verdachte] bedreigd. Ik denk dat [verdachte] zijn woorden daadwerkelijk ten uitvoer kan gaan brengen. Ik fiets geregeld alleen door de wijk om mijn werk te doen. Dit geeft een extra naar gevoel.

6. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juli 2014, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Mij wordt verweten dat ik op 31 mei 2013 hoofdagent [C] opzettelijk zou hebben beledigd doordat ik het volgende tegen hem zou hebben gezegd: “Belachelijk, dat ik in mijn eigen woning wordt gearresteerd. En dat al helemaal door een Turk” en/of “Die kut islamiet heeft niets te zoeken hier. Hij moet zeker niet aan mijn lijf komen die kut Turk” en/of “Het is niet te verteren dat een kut islamiet in mijn huis is” en/of “Die Turk hoort hier helemaal niet”. U vraagt mij of ik die woorden heb gebezigd. Ik heb woorden van dergelijke strekking jegens [C] geuit.

U vraagt mij voorts of ik op 31 mei 2013 tegen anderen heb gezegd dat ‘wijkagent [D] en jij gaan hangen’. Ik heb dat gezegd.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Feiten 1 en 2: bewijsuitsluiting?

Ter terechtzitting van 9 juli 2014 heeft de toenmalige raadsvrouwe van de verdachte subsidiair bewijsuitsluiting bepleit op de gronden als hiervoor weergegeven onder het kopje “Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging”. Het hof verwerpt dit verweer op de gronden als onder dat kopje weergegeven.

Ter terechtzitting van 25 november 2014 heeft de raadsman van de verdachte integrale vrijspraak bepleit, omdat het bewijsmateriaal onrechtmatig zou zijn verkregen en daarom van het bewijs zou moeten worden uitgesloten. Daartoe is – verkort weergegeven – het volgende aangevoerd.

( a) De politie is binnengetreden ter aanhouding op verdenking van overtreding van artikel 431 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), te weten nachtrumoer/burengerucht, maar er was geen sprake van een heterdaadsituatie.

( b) Er is tussen middernacht en 6 uur ’s morgens zonder toestemming van de verdachte binnengetreden in zijn woning. Daarbij is gehandeld in strijd met artikel 7, eerste lid, Awbi omdat het binnentreden gedurende de nachtelijke uren niet dringend noodzakelijk was en voorts de machtiging tot binnentreden niet uitdrukkelijk bepaalt dat gedurende deze nachtelijke uren zonder toestemming van de bewoner mag worden binnengetreden.

Het hof overweegt als volgt.

De onder (a) en (b) genoemde stellingen kunnen, indien juist, niet de gevolgtrekking dragen dat zulks een vormverzuim oplevert dat is begaan in het kader van het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) naar de in deze zaak ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten.

De gestelde vormverzuimen zijn immers begaan in het kader van het onderzoek naar een overtreding van artikel 431 Sr. Nadat werd binnengetreden ter aanhouding van de verdachte ter zake van dat feit, heeft de verdachte de onder 1 ten laste gelegde belediging en de onder 2 ten laste gelegde bedreiging geuit. In dit verband overweegt het hof dat de verdachte in de nacht van 31 mei 2013 in zijn woning is aangehouden ter zake van artikel 431 Sr, die dag om 12.18 uur voor dit feit in vrijheid is gesteld en vervolgens direct buiten heterdaad op last van een officier van justitie is aangehouden op verdenking van artikel 285 Sr, zo blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 september 2014 van verbalisant [A] en het proces-verbaal van aanhouding op pagina’s 10-11 van het politiedossier.

Buiten het kader van artikel 359a Sv is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats voor bewijsuitsluiting op grond van vormverzuimen. Aan de in dit geval gestelde vormverzuimen – zouden die zich hebben voorgedaan – kan niet de gevolgtrekking worden verbonden dat daardoor in de onderhavige strafprocedure een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in zodanig aanzienlijke mate is geschonden dat er grond is voor bewijsuitsluiting.

Feit 1: rechtmatige uitoefening van de bediening?

De raadsman heeft aangevoerd dat de door hem gestelde en hiervoor onder (a) en (b) genoemde verzuimen in ieder moeten leiden tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde, nu door die verzuimen geen sprake is van het bestanddeel “gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”.

Het hof overweegt als volgt.

Artikel 7, eerste lid, Awbi luidt als volgt:

“Tussen middernacht en 6 uur ’s morgens kan slechts zonder toestemming van de bewoner worden binnengetreden, voor zover dit dringend noodzakelijk is en, indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt.”

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 mei 2013, nr. PL21X2 2013055339-2, van verbalisanten [A] en [B] houdt, voor zover hier relevant, het volgende in.

“Op vrijdag 31 mei 2013, omstreeks 01.40 uur, waren wij, verbalisanten [A] en [B], in politie-uniform gekleed en ook als zodanig herkenbaar. Door de centralist van het gemeenschappelijk meldcentrum te ‘s-Hertogenbosch werden wij op bovenstaande datum en tijdstip naar de [straat] 125 te ’s-Hertogenbosch gestuurd. Aldaar zou de bewoner geluidsoverlast veroorzaken voor de rest van de bewoners van het appartementencomplex. Wij, verbalisanten, hoorden dat de centralist doorgaf dat wij ons bij nummer 103 konden melden van de [straat]. Vanuit dat appartement zou de overlast waargenomen kunnen worden. Ter plaatse in de woning, [straat] 103 te ‘s-Hertogenbosch, deelde de bewoner ons mede dat er veelvuldig met een voorwerp op de vloer van het appartement schuin boven hem geslagen werd. Dit zou al ongeveer 2 uur gaande zijn met onvoorspelbare tussenpauzes. Ook hoorden wij van de bewoner van nummer 103 dat dit in het verleden ook al een aantal keer was gebeurd. Tijdens ons gesprek hoorden wij dat er meerdere malen met een voorwerp op de vloer werd geslagen. Wij hoorden dat dit schuin boven ons gebeurde. Hierop hebben wij het appartement verlaten van de bewoner van 103 en zijn wij richting het appartement, [straat] 125, gelopen welke zich op de 4e etage van het complex bevond. Terwijl wij in de richting van dit appartement liepen, werden wij door meerdere bewoners van het appartementencomplex aangesproken. Deze bewoners gaven allen te kennen dat het niet normaal was dat de bewoner van appartement 125 zoveel overlast veroorzaakte. Wij, verbalisanten, zagen op elke verdieping van het appartementencomplex bewoners in hun pyjama of ochtendjas staan. Toen wij op de 4e etage kwamen, zagen wij dat de bewoonster van het eerste appartement aan de linkerzijde, nummer 123, in de deuropening stond. Zij deelde ons mede dat we het appartement naast haar moesten hebben. Wij hoorden dat ze zei dat het niet meer normaal was dat haar buurman van 125 steeds met een voorwerp op de muur sloeg welke gevestigd was tussen de appartementen 123 en 125. Nog voordat wij konden aanbellen bij appartement 125, werden wij aangesproken door een man welke aangaf een aantal appartementen verder te wonen. Wij hoorden dat hij ons mededeelde dat hij gek werd van de geluidsoverlast van de bewoner van 125. Wij hoorden dat hij ons mededeelde dat de overlast bestond uit het tikken met een voorwerp op muren en vloer en dat dit al sinds 23.45 uur aan de gang was. Ik, [A], belde aan bij het appartement 125, om de bewoner aan te spreken over de overlast die hij produceerde. Na meerdere malen aanbellen werd de deur niet geopend. Hierbij hebben wij ons bij de voordeur ook nog kenbaar gemaakt als politie. Vervolgens hebben wij overleg gehad met hulpofficier van justitie [F], welke een machtiging heeft opgemaakt voor het binnentreden van de woning en de aanhouding van de bewoner. Op vrijdag 31 mei 2013, om 02.05 uur, hebben wij, verbalisanten [A] en [B], vergezeld van 2 collega’s van een andere eenheid, de woning betreden.”

Het hof is van oordeel dat uit dit proces-verbaal volgt dat – anders dan de raadsman heeft gesteld – er een dringende noodzaak bestond tot binnentreden tussen middernacht en 6 uur ’s morgens en voorts dat, gelet op het bepaalde in artikel 128 Sv, er sprake was van een heterdaadsituatie ter zake van artikel 431 Sr. In zoverre wordt het verweer verworpen.

De machtiging tot binnentreden houdt in dat verbalisant [A], met de door deze aangewezen [B], gemachtigd is op 31 mei 2013 zonder toestemming van de bewoner binnen te treden in de woning van de verdachte en voorts dat degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner binnen te treden zich door anderen kan doen vergezellen, voor zover dit voor het doel van het binnentreden redelijkerwijs is vereist.

De raadsman heeft terecht erop gewezen dat de machtiging niet uitdrukkelijk bepaalt dat tussen middernacht en 6 uur ’s morgens zonder toestemming van de bewoner kan worden binnengetreden. Nu in zoverre niet krachtens machtiging is binnengetreden, is het binnentreden naar het oordeel van het hof in zoverre niet rechtmatig geweest.3

Aangezien verbalisant [C] de verbalisanten [A] en [B] bij dit – in zoverre niet rechtmatige – binnentreden heeft vergezeld, zal het hof de verdachte vrijspreken van het aan artikel 267, aanhef en onder 2°, Sr ontleende bestanddeel dat [C] werd beledigd “gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”.

Dit laat echter onverlet dat een bewezenverklaring kan volgen van de impliciet subsidiair ten laste gelegde eenvoudige belediging in de zin van artikel 266, eerste lid, Sr.

Feit 2: bedreiging in de zin van artikel 285 Sr?

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte zijn uitlating dat de wijkagent [D] zou gaan hangen in overdrachtelijke zin heeft bedoeld, in die zin dat de verdachte niet bedoelde dat [D] het leven zou laten, maar dat zij de juridische gevolgen van haar handelen zou ondervinden. In dit verband is aangevoerd dat de verdachte bij een eerdere gelegenheid een beklag als bedoeld in artikel 12 Sv heeft gedaan tegen [D]. Er is daarom geen sprake van een bedreiging als bedoeld in artikel 285 Sr, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat:

( i) de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij/zij het leven zou kunnen verliezen,

(ii) de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en

(iii) het opzet van de verdachte, al dan niet in de vorm van voorwaardelijk opzet, op het voorgaande was gericht.

Nu de uitlating van de verdachte dat [D] zou gaan hangen werd gedaan in combinatie met de uitlating dat hij eigenhandig ervoor ging zorgen dat er doden zouden vallen en dat hij met deze doden [D] bedoelde, is deze bedreiging van dien aard is en is zij onder zodanige omstandigheden geschied dat bij [D] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen. Gelet op de uitlating dat er doden zouden vallen en dat hij daarmee [D] bedoelde, hecht het hof geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij de uitlating dat [D] zou gaan hangen slechts in overdrachtelijke zin heeft bedoeld.

[D] is middels een e-mailbericht van verbalisant [E] van deze bedreiging op de hoogte geraakt. Naar het oordeel van het hof was het opzet van de verdachte, ten minste in voorwaardelijke vorm, erop gericht dat [D] op de hoogte zou geraken van die bedreiging en dat bedoelde vrees bij haar zou worden teweeggebracht. De verdachte heeft immers bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat ten minste één van de verbalisanten tegen wie hij de bedreiging heeft geuit, waarbij hij [D] meerdere malen met naam en toenaam heeft genoemd, die bedreiging ter kennis van [D] zou brengen, zijnde de wijkagent in het werkgebied waar de verdachte woonachtig is.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 31 mei 2013 te 's-Hertogenbosch opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [C] (hoofdagent van de Politieregio Brabant-Noord), in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Belachelijk, dat ik in mijn eigen woning word gearresteerd. En al helemaal door een Turk." en "Die kut islamiet heeft niets te zoeken hier. Hij moet zeker niet aan mijn lijf komen die kut Turk." en "Het is niet te verteren dat een kut islamiet in mijn huis is." en "Die Turk hoort hier helemaal niet.", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;


2.
hij op 31 mei 2013 te 's-Hertogenbosch [D] (wijkagent van de Politieregio Oost-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend verbalisant [B] en verbalisant [C] de woorden toegevoegd "Die [D] en jij gaan hangen.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, van welke bedreiging die [D] middels een e-mailbericht kennis heeft genomen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd als:

1 eenvoudige belediging;

2 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van een politieambtenaar en voorts aan een verbale bedreiging van een andere politieambtenaar.

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, acht het hof de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde geldboete van € 500,= passend en geboden.

Evenals de politierechter zal het hof bepalen dat de geldboete mag worden voldaan in vijf maandelijkse termijnen van € 100,=.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Gelet de op aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten zal het hof niet, zoals door de verdediging ter terechtzitting van 9 juli 2014 is bepleit, volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24a, 24c, 57, 63, 266 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders onder 1 en 2 is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 5 (vijf) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 100,00 (honderd euro).

Aldus gewezen door

mr. A.R. Hartmann, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. H. Harmsen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 9 december 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Harmsen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

1 HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9929

2 De vermelde pagina’s verwijzen naar de paginanummering van het dossier van de politieregio Brabant Noord, registratienummer PL21XO 2013055344, sluitingsdatum 1 juli 2013, doorgenummerde pagina’s 1-28.

3 Vgl. HR 6 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4339 ten aanzien van artikel 7, tweede lid, Awbi en HR 17 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP0169 ten aanzien van artikel 5, eerste lid, Awbi.