Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5272

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2014
Datum publicatie
14-01-2015
Zaaknummer
14-00235 en 14-00236
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Hof ’s-Hertogenbosch heeft in de verwijzingszaken van de Hoge Raad van 24-01-2014 uitspraak gedaan. Na verwijzing moest het Hof beoordelen of (1) de inspecteur voor elk van de boeten het bewijs heeft geleverd dat belanghebbende het feit waarvoor de boete is opgelegd, heeft begaan, en (2) (voor zover het verwijzingshof beslist dat het bewijs van beboetbare feiten is geleverd) of elk van de opgelegde boeten gelet op de omstandigheden van het geval een passende en ook geboden sanctie voor de begane vergrijpen is. In een aantal zaken heeft belanghebbende tijdens de procedure opening van zaken gegeven. Met betrekking tot de in geding zijnde jaren van deze bekenners heeft het Hof geoordeeld dat de inspecteur aan de voorwaarde (1) heeft voldaan. Bij de ontkenners heeft het Hof ter beoordeling van (1) getoetst aan de criteria zoals vermeld in het arrest Hoge Raad, 28 juni 2013, nr. 11/04152, ECLI:NL:HR:2013:63. Voor de jaren waarin is beslist dat het bewijs van beboetbare feiten is geleverd, is het Hof van oordeel dat gelet op de ernst van de gedraging een boete van 100% als uitgangspunt gerechtvaardigd is. Het Hof heeft ter beoordeling van (2) de boete van 100% verminderd met 20% ter compensatie van de omstandigheid dat de aanslag met omkering van de bewijslast tot stand is gekomen en daarmee het risico bestaat dat de aanslag te hoog is vastgesteld. Voorts is de boete verder gematigd met 20% wegens undue delay. Het Hof acht de aldus vastgestelde boete van 64% van de onherroepelijk vaststaande navorderingsaanslagen een passende en geboden sanctie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-0214
V-N Vandaag 2015/115
V-N 2015/13.22.4
Mr. P.G.M. Jansen annotatie in NTFR 2015/785

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/00235 en 14/00236

Uitspraak op het beroep van

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraken van de inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam,

hierna: de Inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn over de jaren 1991 tot en met 2000 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, alsmede (kwijtscheldings)beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en beschikkingen inzake heffingsrente gegeven. Voorts zijn aan belanghebbende over de jaren 1992 tot en met 2000 navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd, alsmede (kwijtscheldings)beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en beschikkingen inzake heffingsrente gegeven.

1.2.

De in 1.1 bedoelde navorderingsaanslagen en beschikkingen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.3.

Het Gerechtshof Amsterdam (nummers 04/02852 en 10/00765) heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de navorderingsaanslagen, de boeten en de heffingsrente verminderd, de verhogingen gedeeltelijk kwijtgescholden, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 505 en de Inspecteur gelast het griffierecht van € 37 aan belanghebbende te vergoeden.

1.4.

De uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam zijn bij arrest van de Hoge Raad van 2 december 2011, nr. 10/04800, ECLI:NL:HR:2011:BU6501 (hierna: het eerste IB/PVV verwijzingsarrest) en nr. 11/01395, ECLI:NL:HR:2011:BU6515 (hierna: het eerste VB verwijzingsarrest) vernietigd uitsluitend wat betreft de verhogingen voor de jaren 1992 tot en met 1998 en de opgelegde boeten voor de jaren 1999 en 2000, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

1.5.

Het Gerechtshof Den Haag (nummers 11/00956 en 11/00955) heeft de uitspraken op bezwaar die zien op een verhoging of een boete vernietigd, de kwijtscheldingsbesluiten vernietigd, de navorderingsaanslagen verminderd, de boetebeschikkingen vernietigd en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 708.

1.6.

De uitspraken van het Gerechtshof Den Haag zijn bij arresten van de Hoge Raad van 24 januari 2014, nr. 13/02862, ECLI:NL:HR:2014:121 en nr. 13/02863, ECLI:NL:HR:2014:120 (hierna: de tweede verwijzingsarresten) vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

1.7.

De griffier van het Hof heeft belanghebbende en de Inspecteur in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het tweede verwijzingsarrest. Belanghebbende heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief ontvangen op 21 februari 2014 en de Inspecteur bij brief ontvangen op 24 februari 2014.

1.8.

De zitting heeft plaatsgehad op 18 september 2014 te ‘s‑Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A], als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, mevrouw [B] tot bijstand vergezeld van [C].

1.9.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.10.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.11.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

2.1.

Het Hof neemt de door Gerechtshof Amsterdam in zijn uitspraak van 23 september 2010, nummer 04/02852, vastgestelde feiten over. Deze feiten zijn thans in beroep bij het Hof niet bestreden door partijen.

2.2

Het Hof voegt hier nog het volgende aan toe.

2.3.

Op de afdruk van het microfiche komen onder meer de volgende regels voor:

“[nummer 1] TER LDO [belanghebbende] 150.000,00

[nummer 2] VUE [belanghebbende] -1,48”.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

De Hoge Raad heeft in de tweede verwijzingsarresten, voor zover van belang, het volgende overwogen:

“3.4. In verband met het voorgaande dient het verwijzingshof te beoordelen:

(i) of de Inspecteur voor elk van de boeten het bewijs heeft geleverd dat belanghebbende het feit ter zake waarvan de boete is opgelegd, heeft begaan, en

(ii) (voor zover het verwijzingshof van oordeel is dat het bewijs van beboetbare feiten is geleverd) of elk van de opgelegde boeten gelet op de omstandigheden van het geval een passende en ook geboden sanctie voor de begane vergrijpen is.”.

De Hoge Raad verstaat hierbij onder boeten: opgelegde verhogingen en boeten. Het Hof sluit bij deze terminologie aan.

Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de navorderingsaanslagen en vernietiging van de beschikkingen. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Ten aanzien van vraag i

4.1.

De Inspecteur heeft in zijn conclusie na (tweede) verwijzing erkend dat hij ten aanzien van de boeten betreffende de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1991 en 1992 en VB voor de jaren 1992 en 1993 niet het bewijs kan leveren dat belanghebbende het feit heeft begaan ter zake waarvan de boeten zijn opgelegd. Deze boeten dienen derhalve te worden vernietigd. In zoverre is belanghebbendes beroep gegrond.

4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of de Inspecteur voor elk van de boeten betreffende de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1993 tot en met 2000 en VB voor de jaren 1994 tot en met 2000 het bewijs heeft geleverd dat belanghebbende het feit heeft begaan ter zake waarvan de boete is opgelegd, heeft het navolgende te gelden.

4.3.

Het beboetbare feit bestaat in het in de in 4.2 bedoelde jaren niet aangeven van bepaalde inkomsten en vermogens.

4.4.

Uit het arrest Hoge Raad, 28 juni 2013, nr. 11/04152, ECLI:NL:HR:2013:63 (hierna: het arrest van 28 juni 2013) volgt dat, óók voor beboetingsdoeleinden, voor de jaren 1993 en later een bewijsvermoeden kan worden aangenomen dat ter zake van inkomsten uit tegoeden op de rekeningen te weinig IB/PVV is geheven. Het betreft dan een geval waarin vaststaat (i) dat de belanghebbende op 31 januari 1994 rekeninghouder was van een of meer bankrekeningen bij KB-Lux, (ii) dat die rekening(en) op 31 januari 1994 een aanzienlijk positief saldo vertoonde(n), (iii) dat belanghebbende het saldo en de rente-inkomsten die op die rekening(en) zijn ontvangen niet in de aangifte over het desbetreffende jaar heeft betrokken, en (iv) hij de rentevrijstelling voor dat jaar reeds volledig had benut met de rente die in de aangifte is vermeld, dan wel de resterende ruimte van de rentevrijstelling niet toereikend is voor de rente waarvan kan worden aangenomen dat die is ontvangen op die KB-Lux-rekening(en). Een dergelijk vermoeden is gerechtvaardigd, in aanmerking genomen (a) dat een aanzienlijk tegoed op een bankrekening niet uit het vermogen van een belastingplichtige pleegt te verdwijnen en (b) een bank, naar van algemene bekendheid is, rente pleegt te vergoeden over een zodanig tegoed. Ook het bewijs dat van de belastingplichtige te weinig VB is geheven ter zake van tegoeden bij KB-Lux, kan blijkens het arrest van 28 juni 2013 worden ontleend aan een dergelijk niet-ontzenuwd bewijsvermoeden.

4.5.

Voorwaarde i

4.5.1.

Gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende gedurende de door de Inspecteur gestelde periode rekeningen heeft aangehouden bij KB-Lux. Het Hof neemt dit oordeel en de door Hof Amsterdam daartoe gegeven motivering over.

4.5.2.

Het Hof acht derhalve aannemelijk dat belanghebbende op 31 januari 1994 houder was van de in 2.3 bedoelde bankrekeningen bij KB-Lux.

4.5.3.

Aan voorwaarde i is aldus voor elk van de boeten voldaan.

4.6.

Voorwaarde ii

4.6.1.

Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende op 31 januari 1994 gerechtigd was tot de op de microfiches vermelde bedragen groot f 150.000 en negatief f 1,48. Het saldo op de rekeningen bedroeg derhalve in totaal f 149.998,52 en is aan te merken als een aanzienlijk saldo.

4.6.2.

Ook aan voorwaarde ii is aldus voor elk van de boeten voldaan.

4.7.

Voorwaarde iii

4.7.1.

De Inspecteur heeft gesteld dat in de aangiften van belanghebbende de tegoeden bij KB-Lux en rente-inkomsten daaruit niet zijn opgenomen. Belanghebbende heeft dit niet weersproken. Daarmee staat vast dat dat belanghebbende het saldo en de rente-inkomsten die op die rekeningen zijn ontvangen niet heeft aangegeven.

4.7.2.

Aan voorwaarde iii is aldus ook voor iedere boete voldaan.

4.8.

Voorwaarde iv

4.8.1.

Naar het oordeel van het Hof brengt een redelijke uitleg van het arrest van 28 juni 2013 mee dat in het kader van de VB bij de toets van voorwaarde iv dient te worden onderzocht of belanghebbende de belastingvrije som voor het desbetreffende jaar reeds volledig had benut met vermogen dat in de aangifte VB is vermeld, dan wel de resterende ruimte van de belastingvrije som niet toereikend is voor het vermogen waarvan kan worden aangenomen dat het heeft gestaan op de KB-Lux-rekeningen.

4.8.2.

In het kader van de IB/PVV heeft de Inspecteur gesteld dat uit de overgelegde aangiftegegevens blijkt dat belanghebbende de rentevrijstelling in de jaren 1995 tot en met 1997 deels en vanaf het jaar 1998 volledig heeft benut. Voorts is volgens de Inspecteur aannemelijk dat belanghebbende in de jaren 1993 en 1994 de rentevrijstelling voor een deel heeft benut. Bovendien heeft de Inspecteur gesteld dat, uitgaande van een minimaal rendement van 3% ofwel f 4.500 per jaar, zelfs na aftrek van de volledige rentevrijstelling meer dan 75% van de rente in alle in geschil zijnde jaren tot belastingheffing leidt.

4.8.3.

In het kader van de VB heeft de Inspecteur gesteld dat uit de overgelegde aangiftebiljetten IB/PVV voor de jaren vanaf 1995 blijkt dat belanghebbende een reeds bekend vermogen had dat (a) ongeveer f 100.000 of meer positief was en (b) in de jaren 1995 tot en met 1998 ten minste even groot was als de belastingvrije som. Gelet op de aanwezigheid van een (vrijwel) geheel schuldenvrij pand kan volgens de Inspecteur worden aangenomen dat ook in voorgaande jaren het bekende vermogen ongeveer van vergelijkbare omvang is geweest als blijkt uit de aangifte IB/PVV 1995. Ten slotte heeft de Inspecteur gesteld dat over alle in geschil zijnde jaren over het minimaal in het buitenland aangehouden vermogen altijd belasting verschuldigd was; immers, zo stelt de Inspecteur, het minimaal in het buitenland aangehouden saldo is groter dan de voor belanghebbende geldende belastingvrije som.

4.8.4.

In reactie op de in 4.8.2 en 4.8.3 weergegeven stellingen van de Inspecteur heeft belanghebbende uitsluitend gesteld dat uit het arrest van de Hoge Raad van 27 april 1934, NJ 1934, 1233, voortvloeit dat het de Inspecteur thans, na (tweede) verwijzing, niet meer is toegestaan om dergelijke stellingen in te nemen.

4.8.5.

Het Hof is van oordeel dat het de Inspecteur na (tweede) verwijzing is toegestaan ter uitvoering van het uit de verwijzingsopdracht volgende onderzoek, nieuwe feiten aan te voeren ter ondersteuning van zijn reeds eerder aangevoerde stelling dat belanghebbende het feit ter zake waarvan de boeten zijn opgelegd, heeft begaan. Daarmee is de Inspecteur naar het oordeel van het Hof niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd na tweede cassatie getreden. Vgl. de arresten HR 6 maart 1946, B 8200, HR 20 oktober 1954, nr. 11.902, BNB 1954/348 en HR 8 juni 1976, nr. 17.910, BNB 1976/169.

4.8.6.

Ten aanzien van de rentevrijstelling in de IB/PVV oordeelt het Hof als volgt. Met zijn onweersproken stelling dat bij een minimaal rendement van 3% ofwel f 4.500 per jaar, zelfs na aftrek van de volledige rentevrijstelling meer dan 75% van de rente in alle in geschil zijnde jaren tot belastingheffing leidt, heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof aannemelijk gemaakt dat de resterende ruimte van de rentevrijstelling voor de jaren 1993 tot en met 2000 niet toereikend is voor de rente waarvan kan worden aangenomen dat die is ontvangen op de KB-Lux-rekeningen (f 4.500).

4.8.7.

Ten aanzien van de belastingvrije som in de VB oordeelt het Hof als volgt. Met zijn onweersproken stelling dat het minimaal in het buitenland aangehouden saldo groter is dan de voor belanghebbende geldende belastingvrije som, heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof aannemelijk gemaakt dat de resterende ruimte van de belastingvrije som voor de jaren 1994 tot en met 2000 niet toereikend is voor het saldo waarvan kan worden aangenomen dat dat heeft gestaan op de KB-Lux-rekeningen.

4.8.8.

Aldus is ook voor iedere boete aan voorwaarde iv voldaan.

4.9.

Nu aan alle voorwaarden van het arrest van 28 juni 2013 is voldaan, kan een bewijsvermoeden worden aangenomen, dat ter zake van tegoeden op de in 2.3 bedoelde rekeningen en de inkomsten daaruit te weinig IB/PVV en VB is geheven.

4.10.

Belanghebbende is er naar het oordeel van het Hof niet in geslaagd het bewijsvermoeden te ontzenuwen.

4.11.

Gelet op het vorenstaande is het Hof van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende de tegoeden op de KB-Lux-rekening en de rente-inkomsten daaruit niet heeft begrepen in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 1993 tot en met 2000 en VB voor de jaren 1994 tot en met 2000.

4.12.

Volgens het arrest van 28 juni 2013 kan voorts in een geval als het onderhavige, waarin een belastingplichtige een bankrekening aanhoudt in een land met een bankgeheim en aanzienlijke tegoeden daarop en de rente-inkomsten daaruit ten onrechte niet in zijn aangifte heeft vermeld, in het algemeen reeds op grond daarvan worden aangenomen dat hij die aangifte opzettelijk onjuist heeft gedaan. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat het voor jaren als de onderhavige van algemene bekendheid was dat banktegoeden en rente-inkomsten daaruit die de vrijgestelde bedragen te boven gaan, waren onderworpen aan heffing van IB/PVV dan wel VB en daarom aangegeven moesten worden als inkomsten uit vermogen respectievelijk vermogen.

4.13.

Gelet op het arrest van 28 juni 2013 is het Hof van oordeel dat belanghebbende opzettelijk onjuiste aangifte heeft gedaan.

4.14.

Gelet op het vorenstaande beantwoordt het Hof vraag i bevestigend.

Ten aanzien van vraag ii

4.15.

Vervolgens is de vraag of de boeten passende en ook geboden sancties voor de begane vergrijpen zijn.

4.16.

Het Hof is met de Inspecteur van oordeel dat een boete van 100% wegens de ernst van de gedraging als uitgangspunt gerechtvaardigd is.

4.17.

Belanghebbende heeft erover geklaagd dat zowel voor de IB/PVV als voor de VB boeten zijn opgelegd en dat hij om deze reden tweemaal wordt bestraft en tweemaal in zijn vermogen wordt getroffen. Belanghebbende stelt dat het proportionaliteitsbeginsel meebrengt dat de boeten om deze reden dienen te worden gematigd. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Indien voor meer belastingen of premies onjuist aangifte wordt gedaan, is sprake van evenzovele beboetbare feiten. Dit is niet anders indien de te verstrekken gegevens met betrekking tot de verschillende belastingen of premies op één aangiftebiljet moeten worden vermeld, ongeacht of de verschillende aanslagen worden verenigd op één aanslagbiljet. (vgl. HR 13 augustus 2004, nr. 37920, ECLI:NL:HR:2004:AL7045 en 18 februari 2005, nr. 39605, ECLI:NL:HR:2005:AS6581). Omdat de zwaarte van het vergrijp in het onderhavige geval mede wordt bepaald door de hoogte van de verzwegen bedragen, en belanghebbende zowel inkomen als vermogen heeft verzwegen, faalt belanghebbendes beroep op het proportionaliteitsbeginsel. De boete is namelijk in zoverre proportioneel aan de zwaarte van het vergrijp. Het Hof is voorts van oordeel dat, los van de louter cijfermatige benadering, de zwaarte van de straf (c.q. de hoogte van de boete) niet onevenredig is in verhouding tot de zwaarte van het vergrijp.

4.18.

Wel dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de aldus bepaalde boete gebaseerd is op een heffingsgrondslag die is komen vast te staan met toepassing van de zogenoemde ‘omkering van de bewijslast’, waardoor het risico bestaat dat de boete is gebaseerd op een hoger bedrag dan de ‘werkelijk’ verschuldigde belasting. Het Hof volgt de Inspecteur in diens standpunt dat een vermindering met 20% om die reden op haar plaats is.

4.19.

Het bepalen van de gegrondheid van de aan belanghebbende opgelegde boeten dient voorts, ingevolge artikel 6 van het EVRM, te geschieden binnen een redelijke termijn. Het is aan het Hof om te onderzoeken of deze termijn in acht is genomen. Deze termijn vangt aan op het moment dat de Inspecteur jegens belanghebbende een handeling verrichtte, waarop belanghebbende in redelijkheid de verwachting kon baseren dat hem een boete zou worden opgelegd. Het Hof is, in navolging van Gerechtshof Amsterdam, van oordeel dat de redelijke termijn is aangevangen op 4 december 2002, toen de Inspecteur bij brief de mededeling als bedoeld in artikel 67k (oud) van de AWR heeft gedaan. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan aannemelijk is geworden dat de redelijke termijn eerder is aangevangen. Belanghebbendes stelling dat het moment waarop de eerste brief aan belanghebbende is verstuurd, moet worden aangemerkt als de aanvang van de redelijke termijn, vindt geen steun in het recht. Aan die brief kon belanghebbende immers niet redelijkerwijs de verwachting ontlenen dat aan hem een boete zou worden opgelegd.

4.20.

Hof Amsterdam heeft in 5.7.3.6 van zijn uitspraak geoordeeld dat voor de berechting van de zaken aldaar de redelijke termijn is overschreden met meer dan twee jaar. Het Hof sluit aan bij het oordeel van Gerechtshof Amsterdam.

4.21.

Gelet op de in 4.20 aangenomen termijnoverschrijding en gelet op de door de Hoven geformuleerde uitgangspunten, welke meebrengen dat een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twee jaar niet tot een verdere vermindering van boeten dan met 20 percent leidt, zal het Hof de boeten verder kwijtschelden dan wel verminderen met 20 percent. Gelet hierop kan het Hof in het midden laten in welke mate de redelijke termijn sinds de uitspraak van Hof Amsterdam is overschreden.

4.22.

Belanghebbende heeft voorts, voor het eerst ter zitting van het Hof, een tweetal verweren aangevoerd die naar zijn mening tot een verdere matiging van de boete zouden moeten leiden. Het eerste verweer betreft een beroep op zijn hoge leeftijd. De zaak sleept al zo lang, stelt hij, en hangt hem als een molensteen om de nek. Het Hof verwerpt dit verweer. Hoge leeftijd acht het Hof op zichzelf een onvoldoende reden voor vermindering van een straf die uitsluitend bestaat uit betaling van een bedrag in geld.

4.23.

Het tweede verweer betreft een draagkrachtverweer. Belanghebbende stelt slechts over een AOW-uitkering te beschikken. De Inspecteur acht dit verweer tardief ingebracht, nu het een stelling van feitelijke aard betreft die nader feitelijk onderzoek van zijn kant vergt. Bovendien bestrijdt hij de stelling dat belanghebbende onvoldoende draagkrachtig zou zijn, omdat belanghebbende immers beschikt over tot op heden nog immer verzwegen buitenlands inkomen en vermogen.

4.24.

Het Hof verwerpt belanghebbendes draagkrachtverweer. De Inspecteur heeft, zoals hiervóór overwogen, het bewijs van het bestaan van buitenlands inkomen en vermogen geleverd. Het Hof kan belanghebbendes draagkracht niet beoordelen zonder dat hij volledige openheid van zaken geeft in zijn financiële aangelegenheden, waaronder het verzwegen buitenlands inkomen en vermogen.

4.25.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, acht het Hof boeten tot 64% van de onherroepelijk vaststaande navorderingsaanslagen IB/PVV en VB passende en geboden sancties.

Slotsom

4.26.

De slotsom is dat het beroep gegrond is.

Ten aanzien van de proceskosten

4.27.

Aangezien de door belanghebbende ingestelde beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij wordt uitgegaan van twee samenhangende zaken waarin belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld. Dit betreft de zaken met kenmerk 14/00235 en 14/00236.

Het Hof stelt de tegemoetkoming voor de kosten van het geding voor het Hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 1,5 punten (1/2 punt voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen, 1 punt voor de zitting) x € 487 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is in totaal € 1.095,75.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

4.28.

De Hoge Raad heeft in de tweede verwijzingsarresten geoordeeld dat door het Hof moet worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor Gerechtshof ’s‑Gravenhage een vergoeding dient te worden toegekend. Nu de door belanghebbende ingestelde beroepen bij Hof ’s‑Hertogenbosch gegrond zijn, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten van het geding bij Gerechtshof ’s‑Gravenhage.

4.29.

Het Hof stelt de tegemoetkoming voor de kosten van het geding voor Gerechtshof ’s‑Gravenhage, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 punten (2 keer een ½ punt voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen, 1 punt voor de zitting) x € 487 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is in totaal € 1.461.

4.30.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende in het geding voor Gerechtshof ’s‑Gravenhage overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

4.31.

Het Hof zal in de zaken met kenmerk 14/00235 en 14/00236 elk een proceskostenvergoeding toekennen van (totaalbedrag : aantal zaken =) € 1.278,37.

5 Beslissing

5.1.

Beslissing in de zaak met kenmerk 14/00235:

Het Hof:

vernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de bij de navorderingsaanslagen in de IB/PVV voor de jaren 1991 tot en met 1997 behorende kwijtscheldingsbesluiten;

vernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de bij de navorderingsaanslagen in de IB/PVV voor de jaren 1998 tot en met 2000 behorende boetebeschikkingen;

vernietigt de verhogingen voor de jaren 1991 en 1992;

scheldt de verhogingen voor de jaren 1993 tot en met 1997 gedeeltelijk kwijt, in die zin dat de verhogingen na kwijtschelding 64% van de onherroepelijk vaststaande navorderingsaanslagen IB/PVV bedragen;

vermindert de boeten voor de jaren 1998 tot en met 2000 tot 64% van de belasting- en premiebedragen zoals die overeenkomstig de vermindering zoals beslist door Gerechtshof Amsterdam zijn komen te luiden; en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van de gedingen bij het Hof en bij Gerechtshof ’s‑Gravenhage aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 1.278,37.

5.2.

Beslissing in de zaak met kenmerk 14/00236:

Het Hof:

vernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de bij de navorderingsaanslagen in de VB voor de jaren 1992 tot en met 1997 behorende kwijtscheldingsbesluiten;

vernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de bij de navorderingsaanslagen in de VB voor de jaren 1998 tot en met 2000 behorende boetebeschikkingen;

vernietigt de verhogingen voor de jaren 1992 en 1993;

scheldt de verhogingen voor de jaren 1994 tot en met 1997 gedeeltelijk kwijt, in die zin dat de verhogingen na kwijtschelding 64% van de onherroepelijk vaststaande navorderingsaanslagen VB bedragen;

vermindert de boeten voor de jaren 1998 tot en met 2000 tot 64% van de belastingbedragen zoals die overeenkomstig de vermindering zoals beslist door Gerechtshof Amsterdam zijn komen te luiden; en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van de gedingen bij het Hof en bij Gerechtshof ’s‑Gravenhage aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 1.278,37.

Aldus gedaan op 12 december 2014 door J.W.J. Huige, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en P.C. van der Vegt, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.