Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5263

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2014
Datum publicatie
09-01-2015
Zaaknummer
13-01002 tot en met 13-01011
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:6220, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft beroepen ingesteld vóórdat de Inspecteur uitspraken op bezwaar heeft gedaan of belanghebbende kon menen dat die uitspraken reeds tot stand zijn gekomen en voordat sprake is van het niet-tijdig doen van die uitspraken. Belanghebbende heeft voortijdig bij de Rechtbank beroepen ingesteld en die beroepen zal het Hof niet-ontvankelijk verklaren. De tussen belanghebbende en de Inspecteur gevoerde correspondentie toont aan dat tussen hen geen misverstand bestond op dit punt. De omstandigheid dat belanghebbende niettemin voortijdig beroep heeft ingesteld en de Inspecteur ter zitting bij de Rechtbank heeft verklaard ermee in te kunnen stemmen, dat belanghebbende een passage in een bepaalde brief als uitspraak had kunnen opvatten, maakt dat niet anders. Het hoger beroep van de Inspecteur is gegrond, maar op andere dan door hem aangevoerde gronden. Daarom wordt toch van hem griffierecht geheven. Ook heeft belanghebbende recht op een proceskostenvergoeding, omdat de einduitkomst (de Inspecteur moet alsnog uitspraak op bezwaar doen) dezelfde is als de uitspraak van de Rechtbank, zij het op andere gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/76
V-N 2015/13.22.1
FutD 2015-0140
mr. A. Fase annotatie in NTFR 2015/642
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 13/01002 tot en met 13/01011

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst Zuidwest,

hierna: de Inspecteur,

tegen de in één geschrift vervatte uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 23 augustus 2013, nummers AWB 12/6309, 12/6311, 12/6312, 12/6314 tot en met 12/6319 en 13/4367, inzake het geding tussen:

[belanghebbende] Ltd, domicilie kiezende te [plaats 1],

hierna: belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslagen en de daarbij genomen beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Ten aanzien van belanghebbende zijn tussen 23 mei 2012 tot en met 2 augustus 2012 over in de periode 1 april 2011 tot en met 31 mei 2012 gelegen maandtijdvakken een negental naheffingsaanslagen loonheffing vastgesteld en zijn gelijktijdig met elke naheffingsaanslag bij beschikking een boete wegens een aangifteverzuim (artikel 67b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, hierna: AWR), alsmede een boete wegens een betalingsverzuim (artikel 67c van de AWR) vastgesteld, volgens onderstaand overzicht:

Dagtekening Tijdvak Aanslagnummer Loonheffing Aangifte- Betalings-

verzuim verzuim

23-05-2012 april 2011 [aanslagnummer 1] € 300 € 61 € 50

20-06-2012 mei 2011 [aanslagnummer 2] € 500 € 61 € 50

16-07-2012 juni 2011 [aanslagnummer 3] € 1.000 € 61 € 50

01-08-2012 juli 2011 [aanslagnummer 4] € 1.000 € 61 € 50

04-07-2012 januari 2012 [aanslagnummer 5] € 1.800 € 61 € 50

20-06-2012 februari 2012 [aanslagnummer 6] € 2.750 € 61 € 55

05-07-2012 maart 2012 [aanslagnummer 7] € 5.500 € 61 € 110

19-07-2012 april 2012 [aanslagnummer 8] € 5.500 € 61 € 110

02-08-2012 mei 2012 [aanslagnummer 9] € 5.500 € 61 € 110

Voorts is ten aanzien van belanghebbende, met dagtekening 29 mei 2012 en onder aanslagnummer [aanslagnummer 10], voor de periode 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2012 een naheffingsaanslag omzetbelasting naar een bedrag van € 15.000 vastgesteld en is gelijktijdig met deze naheffingsaanslag bij beschikking een boete wegens een aangifteverzuim van € 61, alsmede wegens een betalingsverzuim van € 300 vastgesteld.

Na daartegen, in één geschrift, gemaakte bezwaren, heeft de Inspecteur in de brief van 23 oktober 2012 medegedeeld dat de bezwaarschriften niet zijn ontvangen binnen de wettelijke termijn van zes weken en daarom niet-ontvankelijk zijn en deze mededeling herhaald in zijn brief van 8 november 2012.

1.2.

Belanghebbende is tegen de in de brieven van 23 oktober en 8 november 2012 gedane mededeling omtrent de niet-ontvankelijkheid van de bezwaarschriften bij brief van 13 november 2012 in beroep gekomen bij de Rechtbank. Dit beroep heeft de Rechtbank aangemerkt als tien zaken en geregistreerd onder de nummers AWB 12/6309, 12/6311, 12/6312, 12/6314 tot en met 12/6319 en 13/4367. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende eenmaal, in de zaak met nummer AWB 12/6309, een bedrag van € 310 aan griffierecht geheven.

1.3.

De Rechtbank heeft de beroepen bij in één geschrift vervatte uitspraken gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de zaken teruggewezen naar de Inspecteur om, na het onherroepelijk worden van haar uitspraken, opnieuw te beslissen op de bezwaren met in achtneming van de uitspraken van de Rechtbank en vergoeding van griffierecht en van proceskosten gelast.

1.4.

Tegen deze uitspraken heeft de Inspecteur in één geschrift verenigd hoger beroep ingesteld. Dit hoger beroep heeft het Hof aangemerkt als tien zaken en geregistreerd onder de kenmerken 13/01002 tot en met 13/01011. Belanghebbende heeft verenigd in één geschrift verweer gevoerd.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de Inspecteur bij zijn brief van 2 juli 2014 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan belanghebbende.

1.6.

Het onderzoek ter zitting (van de zaken bij het Hof bekend onder de kenmerken 13/01002 tot en met 13/01011) heeft plaatsgehad op 9 oktober 2014 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, de heer [A] en mevrouw [B]. Belanghebbende en zijn gemachtigde, de heer [C], zijn met bericht niet verschenen.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van het onderzoek ter zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaken de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is een zogenoemde “limited” en opgericht naar het recht van het Verenigd Koninkrijk (hierna: VK). Belanghebbende is volgens “the Registrar of Companies for England and Wales” op 28 april 2011 ingeschreven bij Companies House te Cardiff, VK.

[bedrijf 1] Ltd houdt één aandeel in belanghebbende en er zijn 100 toonderaandelen.

Bij de inschrijving van belanghebbende is als “Proposed Registered Office Adress” vermeld

“[adres], [plaats 2], United Kingdom, [nummer]” en als “Company director” de heer [X] (hierna: [X]). [X] is woonachtig op het adres [a-straat] 242 te [plaats 3].

2.2.

Bij overeenkomst van 28 april 2011 hebben belanghebbende en [bedrijf 2] Ltd (hierna: [bedrijf 2]) een commanditaire vennootschap (hierna: de CV) opgericht, waarbij belanghebbende commanditaire vennoot is en [bedrijf 2] beherend vennoot. De CV exploiteert een boekhoud- en advieskantoor. De CV is na de oprichting bij de Kamer van Koophandel voor Zuidwest-Nederland ingeschreven met als vestigingsadres het woonadres van [X] en per 10 mei 2011 is dat adres gewijzigd naar [b-straat] 23 - A, te [plaats 4].

2.3.

In verband met de inschrijving van de CV verzoekt de Belastingdienst Zuidwest in meerdere brieven gericht aan [X] en geadresseerd aan zijn woonadres om informatie over de CV, [bedrijf 2] en belanghebbende en om een afspraak voor een startersbezoek bij deze rechtspersonen en eventueel andere onderdelen van de structuur. Bij brief van 22 maart 2012 gericht aan en geadresseerd aan [X] deelt de Inspecteur mee dat belanghebbende wordt aangemerkt en geregistreerd als inhoudingsplichtige voor de loonheffingen. Op 16 februari 2012 heeft de Inspecteur belanghebbende in het zogenaamde Bestand van Relaties van de belastingdienst opgenomen met als vestigingsadres het woonadres van [X].

2.4.

De Inspecteur heeft de onder 1.1 vermelde naheffingsaanslagen vastgesteld en gericht aan belanghebbende verzonden aan voornoemd geregistreerd vestigingsadres. In de periode van 11 juli 2012 tot en met 12 september 2012 zijn betreffende deze naheffingsaanslagen dwangbevelen uitgevaardigd gericht aan belanghebbende op voornoemd vestigingsadres.

Op 16 augustus 2012 is een exploot van een hernieuwd bevel tot betaling van twee naheffingsaanslagen loonheffing en de naheffingsaanslag omzetbelasting uitgereikt, welk exploot door de Belastingdienst Zuidwest retour afzender is ontvangen onder vermelding van “Bedrijf is niet in Nederland gevestigd”. Op 26 september 2012 is, met eenzelfde adressering en gericht aan belanghebbende, een exploot van een hernieuwd bevel tot betaling van de tien naheffingsaanslagen uitgereikt onder vermelding van een voorgenomen beslaglegging.

2.5.

Bij brief van 5 oktober 2012 deelt - de heer [C] van [kantoor] als gemachtigde van - belanghebbende de Inspecteur mee dat belanghebbende niet bekend is met de in het exploot van 26 september 2012 opgenomen naheffingsaanslagen of beschikkingen, noch met de daarvoor uitgevaardigde dwangbevelen. Voorts wordt in deze brief bezwaar gemaakt tegen de betreffende naheffingsaanslagen, verzocht om toezending van die naheffingsaanslagen en van de daaraan ten grondslag liggende bescheiden, alsmede verzocht om uitstel van betaling en om de voorgenomen beslaglegging niet uit te voeren.

2.6.

In de brief van 23 oktober 2012, die betreft “Datum binnenkomst bezwaarschriften”, deelt de Inspecteur belanghebbende onder meer het volgende mee:

“Ik ontving uw bezwaarschriften niet binnen de wettelijke termijn van zes weken. Deze bezwaren zijn daarom niet ontvankelijk. Ik zal deze bezwaren daarom behandelen als een verzoek.

Omdat deze bezwaren onvoldoende gemotiveerd zijn kan ik deze nog niet in behandeling nemen. [toevoeging Hof; Ik] geef u de gelegenheid tot 9 november 2012 om uw bezwaarschriften inhoudelijk nader te motiveren.”

2.7.

In de reactie bij brief van 26 oktober 2012 wijst (de gemachtigde van) belanghebbende de Inspecteur erop dat de gevraagde bescheiden niet zijn verstrekt en herhaalt het verzoek om toezending. Verder is in deze brief opgenomen:

“In uw brief stelt u zich op het standpunt dat de bezwaren niet ontvankelijk zouden zijn doch u verzuimt het bezwaarschrift niet ontvankelijk te verklaren. Een beroepsclausule ontbreekt ook. Omdat cliënte meent dat zij redelijkerwijs niet in verzuim geweest kan zijn (…), lijkt me dat cliënte belang heeft bij de vaststelling dat wel tijdig in bezwaar is gekomen. Ik verzoek u dan ook hetzij aan te geven dat het bezwaar ontvankelijk is, hetzij aan te geven dat het bezwaar niet ontvankelijk is, bij voor beroep vatbare beschikking. Voor zover deze reeds zou zijn vervat in uw schrijven van 23 oktober 2012 wilt u dit schrijven wel als beroep tegen die beslissing doorleiden aan de rechtbank.”

2.8.

Bij zijn brief van 8 november 2012, die blijkens het opschrift betreft “Datum binnenkomst bezwaarschriften : 10 oktober 2012 Verzoek : 26 oktober 2012” doet de Inspecteur belanghebbende kopieën van de naheffingsaanslagen en van de dwangbevelen toekomen. Onder herhaling van zijn mededeling in het schrijven van 23 oktober 2012, merkt de Inspecteur op dat hij duidelijk heeft aangegeven dat de ingediende bezwaarschriften niet ontvankelijk zijn en vermeldt dat:

“Een beroepsclausule nog niet aan de orde is, omdat pas na de uitspraak op deze bezwaarschriften [toevoeging Hof; u] de mogelijkheid heeft om in beroep te gaan tegen het niet ontvankelijk verklaren van uw bezwaarschriften.

Ik geef u de gelegenheid tot 23 november 2012 om uw bezwaarschriften inhoudelijk nader te motiveren.”

2.9.

Belanghebbende stelt bij brief van 13 november 2012 beroep in bij de Rechtbank en verwijst naar de in de brieven van 23 oktober 2012 en 8 november 2012 van de Inspecteur vermelde beslissingen, welke brieven worden bijgevoegd. In deze brief is verder opgenomen:

“Tegen het in die beslissingen vervatte besluit het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren richt zich dit beroep.”

2.10.

In de brief van 19 november 2012 van belanghebbende aan de Inspecteur is vermeld:

“Hierbij motiveer ik het op 5 oktober jongstleden ingediend bezwaar tegen de u bekende naheffingsaanslagen, dit naar aanleiding van uw brieven van 23 oktober 2012 en 8 november 2012.

(…)

(…) wordt verzocht de bestreden naheffingsaanslagen te vernietigen en aan belanghebbende een vergoeding toe te kennen voor de in het kader van deze bezwaarprocedure gemaakte (advocaat) kosten,”

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende ontvankelijk is in het tegen de naheffingsaanslagen gemaakte bezwaar?

Belanghebbende is van mening, dat deze vraag bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft de Inspecteur zijn standpunt als volgt toegelicht:

(Desgevraagd) De brieven van 23 oktober 2012 en 8 november 2012 zijn verwarrend. Belanghebbende kon die brieven aldus opvatten dat de bezwaarschriften niet-ontvankelijk zouden worden verklaard. Dat is ook zo bij de Rechtbank met partijen besproken en de brief van 23 oktober 2012 is dan als uitspraak op bezwaar te beschouwen.

Het vervolg van de behandeling van de brieven van belanghebbende door de Inspecteur is dan aan te merken als een verzoek om ambtshalve vermindering van de naheffingsaanslagen. Op dit verzoek om ambtshalve vermindering heeft de Inspecteur nog niet beslist.

(Desgevraagd) Als het Hof van oordeel is dat bij de brief van 23 oktober 2012 of van 8 november 2012 geen uitspraak op bezwaar is gedaan, zal de Inspecteur die beslissing opvatten als een opdracht aan hem om alsnog uitspraak op bezwaar te doen, nadat hij belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord.

(Desgevraagd) Uit onze systemen blijkt dat er vele limiteds zijn opgericht en gevestigd in Nederland. Onze werkwijze is niet de limited aan te schrijven, maar direct de in Nederland woonachtige directeur als vertegenwoordiger van de limited. Het is wellicht beter eerst de brief met het inlichtingenverzoek zowel aan de limited als de vertegenwoordiger te zenden.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de Rechtbank en vergoeding van de door haar in hoger beroep gemaakte proceskosten. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

In artikel 26, eerste lid, van de AWR is bepaald dat in afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld, indien het, voor zover hier van belang, betreft: een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking. De AWR kent hiermee een gesloten stelsel van rechtsbescherming. Dit betekent dat alleen beroep openstaat tegen uitspraken op bezwaar betreffende belastingaanslagen, alsmede inzake andere voor bezwaar vatbare beschikkingen. Op de voet van artikel 6:2, aanhef en onderdeel b, van de Awb kan eveneens beroep worden ingesteld tegen het niet-tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar door de inspecteur.

4.2.

In verband met het gesloten stelsel van rechtsbescherming van de AWR dient het Hof eerst te beoordelen of belanghebbende beroep heeft ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar. De Inspecteur heeft aangevoerd dat de bewoording in zijn brief van 23 oktober 2012 en ook die van 8 november 2012 bij belanghebbende voor verwarring kunnen hebben gezorgd op zodanige wijze dat belanghebbende kon en mocht menen dat uitspraak op bezwaar is gedaan en beroep kon worden ingesteld. De Inspecteur is van mening dat daarvan sprake was en dat belanghebbende ontvankelijk is in beroep.

4.3.

Naar het oordeel van het Hof zijn de brieven van de Inspecteur van 23 oktober 2012 en 8 november 2012 noch naar vorm, noch naar inhoud als uitspraak op bezwaar aan te merken. Hierbij acht het Hof het volgende van belang.

4.4.1.

De brief van 23 oktober 2012 betreft, blijkens het opschrift, de (datum van) ontvangst van de bezwaarschriften. De Inspecteur doet in die brief de mededeling dat deze bezwaarschriften, kort gezegd, wegens termijnoverschrijding niet‑ontvankelijk zijn. Verder stelt de Inspecteur dat hij de bezwaarschriften nog niet in behandeling kan nemen omdat zij onvoldoende gemotiveerd zouden zijn en biedt hij belanghebbende de gelegenheid tot 9 november 2012 om de bezwaarschriften inhoudelijk nader te motiveren. In deze brief is geen rechtsmiddelverwijzing als bedoeld in artikel 3:45 van de Awb opgenomen.

4.4.2.

Reeds omdat de brief van 23 oktober 2012 vermeldt dat de bezwaren pas na nadere motivering in behandeling zullen worden genomen, en belanghebbende tot die nadere motivering uitnodigt, kan de brief niet als uitspraak op bezwaar worden gekwalificeerd. Belanghebbende heeft dan ook, terecht, deze brief in eerste instantie niet als zodanig aangemerkt. Hij doet daarvan zelfs mededeling aan de Inspecteur: hij merkt immers, bij schrijven van zijn professionele gemachtigde, in zijn reactie van 26 oktober 2012 op, dat de Inspecteur in diens brief verzuimt de niet-ontvankelijkverklaring uit te spreken en wijst op het ontbreken van een beroepsclausule in dit schrijven. Vervolgens verzoekt (de gemachtigde van) belanghebbende de Inspecteur een eventuele niet-ontvankelijkheid van het bezwaar bij voor beroep vatbare beschikking (alsnog) te geven. Hieruit volgt naar het oordeel van het Hof dat belanghebbende heeft onderkend dat de passage in de brief van 23 oktober 2012 omtrent de ontvankelijkheid niet de uitspraak op bezwaar vormde, en dat derhalve de uitspraak op bezwaar waartegen beroep kon worden ingesteld, nog moest volgen.

4.5.

De Inspecteur reageert per brief van 8 november 2012. Deze brief betreft, blijkens het opschrift, wederom de ontvangst van de bezwaarschriften, alsmede het verzoek van belanghebbende om toezending van bescheiden. De Inspecteur herhaalt weliswaar zijn eerdergenoemde mededeling over de niet-ontvankelijkheid van de bezwaarschriften, maar voegt daaraan toe dat de mogelijkheid om in beroep te gaan tegen het niet-ontvankelijk verklaren van de bezwaarschriften pas na de uitspraak op bezwaar aan de orde komt. Voorts geeft de Inspecteur belanghebbende (wederom) de gelegenheid tot 23 november 2012 om de bezwaarschriften inhoudelijk nader te motiveren. Hieruit is naar het oordeel van het Hof af te leiden, dat de Inspecteur belanghebbende mededeelt dat hij het met hem eens is, dat de eerdere brief van 23 oktober 2012 inderdaad niet de (voor beroep vatbare) uitspraak op bezwaar vormde, en tevens dat het schrijven van 8 november 2012 zelf evenmin een zodanige uitspraak was. Belanghebbende heeft van de gelegenheid tot het nader motiveren van de bezwaren gebruik gemaakt door in zijn brief van 19 november 2012, nadat hij beroep bij de Rechtbank had ingesteld, het ingediende bezwaar te motiveren.

4.6.

Gelet op de door partijen met elkaar gevoerde correspondentie kan bezwaarlijk worden geoordeeld dat zij in verwarring verkeerden over de aard van de brieven van de Inspecteur. Integendeel, zij waren het geheel eens. Van een zodanige verwarring zoals de Inspecteur betoogt over de bewoording en passages in de brieven van 23 oktober 2012 en 8 november 2012 dat belanghebbende een van deze of beide brieven naar vorm en inhoud redelijkerwijs heeft kunnen en mogen opvatten als de uitspraak op bezwaar, is dan ook geenszins sprake. Belanghebbende is in zijn reacties op beide brieven aan de Inspecteur met de bezwaarprocedure voortgegaan. De door belanghebbende bij zijn brief van 13 november 2012 bij de Rechtbank ingediende beroepen heeft belanghebbende ingesteld vóórdat uitspraken op bezwaar waren gedaan en deze beroepen zijn derhalve voortijdig ingesteld.

4.7.

Vervolgens dient het Hof na te gaan of belanghebbende gelet op artikel 6:2, aanhef en onderdeel b, van de Awb, beroep heeft kunnen en willen instellen tegen het niet-tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar door de Inspecteur. Het Hof overweegt hierbij als volgt.

4.8.

Op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, doet de inspecteur, kort gezegd en behoudens afwijkingen die hier niet van belang zijn, binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak. Belanghebbende heeft bij zijn brief van 5 oktober 2012 bezwaar gemaakt. De termijn van zes weken voor het doen van uitspraak eindigt daarmee op 16 november 2012. De beroepen zijn ingesteld op 13 november 2012. Op deze datum was de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar nog niet verstreken. De brief van 13 november 2012 van belanghebbende kan dus niet worden aangemerkt als beroepschrift ingediend tegen het niet-tijdig beslissen, daarvoor is die brief te vroeg ingediend en het daarbij ingestelde beroep is in beginsel niet-ontvankelijk. Ingevolge artikel 6:10 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring echter achterwege indien ten tijde van het indienen van het beroep de uitspraak op bezwaar wel reeds tot stand was gekomen, of nog niet tot stand was gekomen, maar belanghebbende redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. Ter zitting bij het Hof heeft de Inspecteur verklaard dat nog geen uitspraken op bezwaar zijn gedaan, noch dat door hem is beslist op de verzoeken om ambtshalve vermindering. Evenmin kan, gelet op hetgeen hiervóór is overwogen, worden geoordeeld dat belanghebbende redelijkerwijs kon menen dat de uitspraak reeds was gedaan. Naar het oordeel van het Hof is van de in artikel 6:10 van de Awb genoemde situaties geen sprake, zodat het beroep ook in zoverre niet-ontvankelijk is.

4.9.

Gelet op het vorenoverwogene heeft belanghebbende bij brief van 13 november 2012 beroepen ingesteld vóórdat de Inspecteur uitspraken op bezwaar heeft gedaan of belanghebbende kon menen dat die uitspraken reeds tot stand zijn gekomen en voordat sprake is van het niet-tijdig doen van die uitspraken. Belanghebbende heeft voortijdig bij de Rechtbank beroepen ingesteld en die beroepen zal het Hof niet-ontvankelijk verklaren.

4.10.

Ter zitting bij het Hof heeft de Inspecteur verklaard dat hij het oordeel, zoals onder 4.9 is overwogen, zal opvatten als een opdracht aan hem om alsnog uitspraken op bezwaar te doen, nadat hij belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord.

Ten aanzien van het geschil

4.11.

Gelet op hetgeen onder 4.9 is overwogen komt het Hof niet toe aan een beoordeling van de vraag of belanghebbende ontvankelijk is in het tegen de naheffingsaanslagen gemaakte bezwaar, zoals de Rechtbank heeft beslist.

Slotsom

4.12.

De slotsom is dat het hoger beroep van de Inspecteur gegrond is, maar op andere gronden dan de Inspecteur heeft aangevoerd, dat de uitspraken van de Rechtbank, waarbij de beroepen gegrond verklaard zijn en vergoeding van griffierecht en proceskosten is gelast, dienen te worden vernietigd en dat de Inspecteur alsnog uitspraken op bezwaar moet doen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.13.

Alhoewel de uitspraken van de Rechtbank worden vernietigd, is het Hof van oordeel dat ter zake van de door de Inspecteur ingestelde hoger beroepen een griffierecht dient te worden geheven. Voor het achterwege laten van het heffen van griffierecht is geen plaats in het geval waarin de uitspraken van de Rechtbank vernietigd worden op andere dan de door de Inspecteur aangevoerde gronden. Zie in dit verband Hoge Raad 15 april 2011, nr. 10/00692, ECLI:NL:HR:2011:BP6600. Voor de heffing van griffierecht wordt uitgegaan van tien samenhangende zaken met de kenmerken 13/01002 tot en met 13/01011, waarin eenmaal, in de zaak met kenmerk 13/01002, een griffierecht van € 478 verschuldigd is.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14.

Hoewel het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de hoger beroepen bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat de Inspecteur hoger beroepen heeft ingesteld tegen de uitspraken van de Rechtbank, waarin de Rechtbank de Inspecteur heeft opgedragen (alsnog) uitspraken op bezwaar te doen. Belanghebbende heeft bij het Hof ook verzocht om die uitspraken van de Inspecteur. Tijdens de procedure bij het Hof heeft de Inspecteur verklaard dat hij uitspraak op bezwaar zal doen. Dit rechtvaardigt naar het oordeel van het Hof een vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten in hoger beroep. Daarbij wordt uitgegaan van tien samenhangende zaken waarin belanghebbende kosten heeft moeten maken. Dit betreft de zaken ten name van belanghebbende met de kenmerken 13/01002 tot en met 13/01011.

4.15.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 1 (punt) x € 487 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is € 730,50.

4.16.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraken van de Rechtbank;

  • -

    verklaart de bij de Rechtbank ingestelde beroepen niet-ontvankelijk;

  • -

    bepaalt dat van de Inspecteur ter zake van de door hem ingestelde hoger beroepen door tussenkomst van de griffier een griffierecht wordt geheven van € 478; en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 730,50.

Aldus gedaan op 12 december 2014 door W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, voorzitter, J.W.J. Huige en P. Fortuin, leden, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.