Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5231

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
18-12-2014
Zaaknummer
F 200.153.724-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 11 december 2014

Zaaknummer : F 200.153.724/01

Zaaknummers 1e aanleg: 192601 / JE RK 14-1269 en 192599 / JE RK 14-1268

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder],

wonende te [woonplaats], in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van haar advocaat;

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E.R.T.A. Luijten,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Limburg, locatie Maastricht,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

  • -

    [de vader] (hierna te noemen: de vader), in deze procedure bijgestaan door mr. S.L.G.M. Roebroek;

  • -

    Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, locatie Heerlen (hierna te noemen: de stichting).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 11 juli 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 augustus 2014, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen op grond van:

  • -

    rechtsweigering door de rechtbank Limburg op de voet van de artikelen 11, 12 en 13 Wet Algemene Bepalingen van 15 mei 1829;

  • -

    het schenden van het recht op hoor en wederhoor van de moeder en het schenden van het verdrag inzake de rechten van het kind jo artikelen 2 en 3 EVRM en strijdigheid met artikel 1:254 lid 1 BW.

Tevens heeft de moeder verzocht alle overige beslissingen aan te houden totdat de klachten tegen de Mutsaersstichting en de raad zijn afgewikkeld.

Tot slot heeft de moeder het hof verzocht de werking van de uitvoerbaarheid bij voorraad te schorsen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 augustus 2014, heeft de vader verzocht de moeder in haar verzoeken in hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken van de moeder te schorsen dan wel te vernietigen en de bestreden beschikking (naar het hof begrijpt) te bekrachtigen.

2.3.1.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 november 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de advocaat van de moeder;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad];

  • -

    de vader;

  • -

    de stichting, vertegenwoordigd door haar advocaat mr. C.M. van den Eerdweg en in aanwezigheid van de gezinsvoogden mevrouw [gezinsvoogd 1] en mevrouw [gezinsvoogd 2].

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.3.2.

Het hof heeft de toegang tot de mondelinge behandeling aan mevrouw [grootmoeder moederszijde] (grootmoeder moederszijde) geweigerd, nu het een besloten zitting betreft en zij in de onderhavige procedure niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv.

De door de moeder ondertekende volmacht aan mevrouw [grootmoeder moederszijde] om haar, moeder, te vertegenwoordigen bij de mondelinge behandeling, is in strijd met het bepaalde in artikel 279 lid 3 Rv, inhoudende dat in zaken waarin het verzoekschrift door een advocaat moet worden ingediend, de opgeroepene in persoon of bij advocaat verschijnt.

2.4.1.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brieven van de stichting d.d. 31 oktober 2014;

  • -

    de producties 37 tot en met 66, in het geding gebracht door de advocaat van de moeder bij V-formulier d.d. 11 november 2014;

  • -

    het V-formulier van de advocaat van de vader d.d. 20 november 2014;

  • -

    de ter zitting door de advocaat van de moeder overgelegde pleitnota.

Het hof heeft ambtshalve kennisgenomen van de beschikking van dit hof van 20 november 2014 met zaaknummer HV 200.140.855/01 tussen de moeder als appellante en de vader als verweerder.

2.4.2.

De door mr. Luijten bij V-formulier d.d. 11 november 2014 overgelegde pleitnota is aan hem geretourneerd bij brief van de griffier van 12 november 2014, nu het conform artikel 1.4.4. van het Procesreglement Verzoekschriftenprocedures Familiezaken niet is toegestaan om op voorhand een pleitnotitie in het geding te brengen.

2.4.3.

Bij V-formulier van 4 december 2014 heeft mr. Luijten ingediend een brief van mevrouw dr. mr. [grootmoeder moederszijde] van 3 december 2014 met bijlagen. Voor toezending van deze brief na de mondelinge behandeling heeft het hof geen toestemming gegeven. Niet is aangegeven welke gevolgen deze brief voor de beslissing in deze zaak volgens appellante heeft. Bovendien hebben de andere belanghebbenden niet meer op voormelde brief gereageerd en behoefden zij dat redelijkerwijs ook niet te doen. Voormelde brief wordt dus als zijnde in strijd met een goede procesorde buiten beschouwing gelaten.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren:

  • -

    [dochter 1] (hierna ook: [dochter 1]), op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats];

  • -

    [dochter 2] (hierna ook: [dochter 2]), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats].

De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de moeder. De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.

Uit de inhoud van de stukken is gebleken dat de vader en de kinderen elkaar sinds juni 2008 niet meer hebben gezien.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank [dochter 1] en [dochter 2] onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar.

3.3.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar beroepschrift voert zij – kort samengevat voor zover relevant in het kader van de ondertoezichtstelling – aan dat er geen sprake is geweest van een feitenonderzoek. De heer [vertegenwoordiger van de raad] van de raad sprak zich louter positief uit over de kinderen na een huisbezoek aan de moeder medio 2013. De rechtbank is voorbijgegaan aan de positieve geluiden van één van de onderwijzers van de kinderen, de schooldirecteur (de heer [schooldirecteur]), de huisarts (dr. [huisarts]) en de speltherapeute van [dochter 1] (mevrouw [speltherapeute]). Volgens de moeder is het advies tot ondertoezichtstelling door de raad in het rapport van 13 maart 2014 genomen naar aanleiding van de bevindingen van de speltherapeute die door de raad zijn verdraaid en uit hun context zijn gehaald. De raad heeft hiervoor bij brief van 6 juni 2014 zijn excuses aangeboden en de speltherapeute heeft protest aangetekend tegen de conclusie van de raad. Volgens de moeder zijn de verkeerde feiten dan ook een eigen leven gaan leiden en wordt ten onrechte gesteld dat de moeder nergens aan zou meewerken.

Uit de rapporten van de raad van 27 juni 2013/juli 2013 en 19 maart 2014 blijkt dat de kinderen sociaal-emotioneel uitstekend functioneren, dat zij op geen enkele manier zijn meegezogen in de strijd, dat zij nergens vanaf weten en dat zij zich onder leiding van de moeder tot evenwichtige volwassenen ontwikkelen. De raad heeft de rechtbank geadviseerd om de moeder het eenhoofdig gezag toe te kennen.

De moeder acht het voorts van belang om naar voren te brengen, onder indiening van veelvuldige producties in hoger beroep teneinde dit te bewijzen, dat de vader zich schuldig heeft gemaakt aan het hebben van kinderporno op zijn computer. De moeder merkt op dat zij haar bewijsdossier thans voor de negende keer in het geding brengt, maar dat de rechtbank en de raad er niets van willen weten en dat het tevens onvoldoende is om de vader strafrechtelijk te vervolgen.

Verder voert de moeder aan dat de artikelen 11, 12 en 13 van de Wet Algemene Bepalingen van 15 mei 1829 zijn geschonden. Zij verwijst daarvoor onder meer naar de regels van de Kinderombudsman – bij wie zij overigens een klacht heeft ingediend over de handelwijze van de raad – waaraan een raadsonderzoek strekkende tot het instellen van een kinderbeschermingsmaatregel zou moeten voldoen. De raad is volgens de moeder niet toegekomen c.q. heeft niet willen toekomen aan alle vereiste kwaliteitswaarborgen.

De moeder stelt voorts dat het recht op hoor en wederhoor is geschonden. Al het door de moeder in het geding gebrachte bewijs wordt stelselmatig genegeerd terwijl de onbewezen stellingen van de vader worden gevolgd.

De moeder is vervolgens van mening dat de artikelen 2 en 3 EVRM en verscheidene artikelen in het IVRK zijn geschonden door zowel de raad als de rechtbank. Er wordt van twee goed functionerende kinderen zoals [dochter 1] en [dochter 2] probleemkinderen gemaakt. Er is op geen enkele manier voldaan aan alle internationale en Nederlandse regels die kinderen beogen te beschermen tegen seksueel misbruik. Verder wijst de moeder erop dat de bestreden beschikking in schril contrast staat tot hetgeen het hof in de beschikking van 22 mei 2014 (hoger beroep inzake omgang en gezag) heeft overwogen, namelijk dat de eigen mening en de gevoelens van [dochter 1] en [dochter 2] benadrukt moeten worden.

Tot slot voert de moeder aan dat de rechtbank artikel 1:254 BW heeft geschonden, nu de ondertoezichtstelling van de kinderen juist leidt tot een bedreigende opvoedsituatie. De huidige leefomgeving is voor de kinderen vertrouwd en bekend en hierin functioneren zij uitstekend. De beslissing om [dochter 1] en [dochter 2] onder toezicht te stellen, is met een gebrek aan zorgvuldigheid en een gebrekkig feitenonderzoek tot stand gekomen, aldus de moeder.

3.4.

In zijn verweerschrift stelt de vader, kort samengevat, dat er geen sprake is van rechtsweigering in de zin van de Algemene Wet Bepalingen 1829. Er is uitdrukkelijk beslist op het verzoek van de raad en de moeder is in de gelegenheid gesteld om haar standpunt kenbaar te maken. De vader betwist dat de ondertoezichtstelling een risico voor de kinderen met zich brengt waardoor zij in hun ontwikkeling worden bedreigd. Deze stelling van de moeder is op niets gebaseerd.

De vader betwist uitdrukkelijk dat hij ooit kinderpornografisch materiaal, van welke aard dan ook, in zijn bezit heeft gehad. De bewuste laptop was door de werkgever beschikbaar gesteld en de thuiscomputer was gebouwd en werd beheerd door de partner van mevrouw Keulers, de moeder van de moeder.

De kinderen en de vader hebben elkaar sinds juni 2008 niet meer gezien. Vanwege de extreme reactie, met name van de moeder, blijft de vader bewust op afstand ten opzichte van de kinderen. De moeder heeft op ondeugdelijke, niet steekhoudende, eenzijdig bepaalde argumenten de contacten met de Mutsaersstichting afgebroken en is zelfs niet bereid gebleken om de adviezen en ondersteuning die geboden werd, te aanvaarden.

Volgens de vader heeft de raad terecht een beschermingsonderzoek geëntameerd en heeft de rechtbank op goede gronden [dochter 1] en [dochter 2] onder toezicht gesteld. De vader ziet niet dat de bestreden beschikking de beschikking van het hof van 22 mei 2014 doorkruist; de ondertoezichtstelling is eerder supplementair dan contrair hieraan.

Ten aanzien van het beroep van de moeder op de Wet Algemene Bepalingen 1829 stelt de vader dat al het materiaal dat zij in het geding heeft gebracht telkens in de beoordeling en overwegingen van de rechter is betrokken. Van het negeren van ‘bewijzen’ is geen sprake geweest. De vader merkt op dat hij nimmer als verdachte is aangemerkt.

Verder betwist de vader dat het recht op hoor en wederhoor van de moeder is geschonden, nu zowel door de raad als door de rechtbank de moeder alle ruimte is geboden om haar standpunten en visies toe te lichten en te onderbouwen.

Dat de raad niet zou voldoen aan haar basistaak is een onjuiste bewering van de moeder. Naast alle goede dingen in de opvoeding, waarover de raad in zijn rapportage spreekt, zijn er ook wezenlijke pijn- en zorgpunten die zodanig ernstig zijn dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is in het belang van de kinderen. De moeder is niet in staat om te zien dat de positie van de vader c.q. de non-positie van de vader in de opvoeding van beide kinderen een essentieel hiaat vormt en een ernstig pijnpunt oplevert in de ontwikkeling van [dochter 1] en [dochter 2]. De moeder streeft ernaar om te voorkomen dat de kinderen de vader leren kennen. Het is dan ook juist de moeder die de belangen en de gerechtvaardigde aanspraken van de kinderen uit hoofde van internationale verdragen schendt.

Tot slot merkt de vader op dat, in tegenstelling tot wat de moeder beweert, op grond van de bestreden beschikking een uithuisplaatsing van [dochter 1] en [dochter 2] in een internaat of pleeggezin niet aan de orde is.

3.5.

De raad heeft ter zitting verweer gevoerd en gesteld dat de gronden voor de ondertoezichtstelling nog onverminderd aanwezig zijn, maar dat de moeder de uitvoering van de ondertoezichtstelling op dit moment onmogelijk maakt vanwege het feit dat zij met de kinderen ondergedoken is op een niet te traceren locatie in Duitsland. Volgens de raad is er bij de kinderen een zeer negatief vaderbeeld ontstaan, terwijl de kinderen zich tijdens het eerste raadsonderzoek in 2013 nog onbevangen en vrij gedroegen. De vader dient een kans te krijgen, hetgeen door de moeder feitelijk onmogelijk wordt gemaakt. Binnen het kader van de ondertoezichtstelling dient gewerkt te worden aan het veranderen van het negatieve beeld dat de kinderen van hun vader hebben alsmede dient er gekeken te worden naar de mogelijkheden van begeleide contacten tussen de vader en de kinderen. De raad heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de moeder in een vrijwillig kader zal meewerken aan het realiseren van bovenstaande doelen, nu de moeder zeer volhardend is in haar standpunt dat er geen contacten meer tussen de vader en de kinderen dienen plaats te vinden.

3.6.

De stichting heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij de moeder en de kinderen tot op heden nimmer heeft gezien, waardoor de stichting niet toekomt aan het verlenen van hulp. De stichting heeft daarom in november jl. de moeder een tweetal schriftelijke aanwijzingen gegeven met de opdracht zich met de kinderen te melden op het kantoor van de stichting. Nu de moeder dit heeft nagelaten, heeft de stichting zich gewend tot de politie. Er zal een opsporingsbevel uitgaan teneinde de moeder en de kinderen te traceren. Zodra de moeder en/of de kinderen zijn gevonden, zullen zij naar hun onderkomen worden gebracht en zal door de politie contact worden opgenomen met de stichting. De stichting is voornemens de moeder en de kinderen alsdan te bezoeken.

Voor nu ligt de prioriteit van de stichting bij het vinden van de moeder en de kinderen opdat de stichting zelf kan beoordelen hoe het met de kinderen gaat. De stichting heeft tot slot verklaard dat er op dit moment nog geen sprake is van een verzoek tot uithuisplaatsing van de kinderen.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Op grond van artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen wanneer die zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

Het hof is van oordeel dat hiervan sprake is en overweegt daartoe het volgende.

3.7.2.

Uit beide raadsrapportages van medio 2013 blijkt dat de kinderen zich leeftijdsadequaat ontwikkelden en dat zij nauwelijks uit balans raakten als de vader ter sprake kwam. Hoewel het algemene vaderbeeld van de kinderen negatief was gekleurd, werden zij inhoudelijk niet meegezogen in de strijd tussen hun ouders en werden zij door de raad gezien als opgewekte, sociale, ondernemende en op school goed functionerende kinderen. Naar aanleiding van deze rapportages is door de rechtbank bij beschikking van 29 oktober 2013 een begeleide omgangsregeling opgelegd tussen de vader en de kinderen met een verwijzing naar de Mutsaersstichting. Deze begeleide omgangsregeling is echter niet van de grond gekomen nu de kinderen, volgens de moeder, door een medewerker van de Mutsaersstichting zijn getraumatiseerd in het kennismakingsgesprek omdat de mogelijkheid van contact met de vader ter sprake kwam. Vanwege deze traumatiserende ervaring is [dochter 1] thans nog onder behandeling in de vorm van speltherapie.

De kinderen hebben zich sindsdien, zo blijkt uit het raadsrapport van 10 juni 2014, zeer ongenuanceerd en negatief uitgelaten over de vader, hetgeen opmerkelijk is te achten nu het laatste feitelijke contact tussen de vader en de kinderen in juni 2008 heeft plaatsgevonden. Het hof acht het zorgelijk dat het vaderbeeld van de kinderen binnen een jaar zo is verslechterd. Eveneens zorgelijk is te noemen dat de kinderen zo’n extreme reactie laten zien, de moeder spreekt over getraumatiseerd, wanneer het idee van contact met de vader slechts wordt geopperd. Dit geldt temeer nu is gebleken dat de kinderen één jaar geleden nog onbevangen waren en onbelast over hun vader konden spreken.

Het hof is van oordeel dat het feitelijk verdwijnen van de vader uit hun leven en de houding die de kinderen thans innemen tegenover de vader, met als gevolg vervreemding van de vader, in de onderhavige situatie een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor hen inhoudt.

Hierbij overweegt het hof voorts dat de houding van de moeder hierin zeer zorgelijk is. De moeder lijkt geen besef te hebben van de gevolgen van het ontbreken van elk contact met de vader en het negatieve beeld dat inmiddels ten aanzien van de vader is ontstaan voor de ontwikkeling van de kinderen en zij wekt de indruk dat zij alles in werking zal stellen om de vader buiten het leven van de kinderen te houden.

3.7.3.

Verder is gebleken dat de kinderen niet meer naar school zijn gegaan sinds de start van het nieuwe schooljaar 2014-2015. De grootmoeder van de kinderen komt wekelijks naar school om huiswerk en opdrachten voor de kinderen op te halen. De moeder en de grootmoeder geven aan dat sprake is van legaal schoolverzuim en dat de angst voor een uithuisplaatsing de reden is dat zij zich in deze situatie bevinden. Het hof wijst de moeder erop dat de bestreden beschikking inzake de ondertoezichtstelling geen machtiging tot uithuisplaatsing inhoudt en dat daar in deze procedure dan ook geen sprake van is en kan zijn. Maar ook indien sprake zou zijn geweest van een uithuisplaatsing is het gedrag van de moeder in deze onaanvaardbaar.

Het hof overweegt dat de moeder de kinderen, door hen niet naar school te laten gaan, onttrekt aan het onderhouden van sociale contacten met leeftijdsgenoten en dat zij de kinderen hierdoor in een uitzonderingspositie plaatst, terwijl daarvoor – naar het oordeel van het hof – geen enkele aanleiding is. Het hof acht alleen deze feiten al op zichzelf genomen voldoende zorgwekkend om [dochter 1] en [dochter 2] onder toezicht te stellen, waarbij het hof opmerkt dat de moeder eigenhandig een situatie creëert die de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen in stand houdt en doet toenemen.

3.7.4.

Tot slot overweegt het hof dat de stichting ter zitting van het hof heeft benadrukt dat zij zicht wil hebben op de kinderen en hun leefsituatie. Uit de brief van de stichting d.d. 31 oktober 2014 is gebleken dat sinds de ondertoezichtstelling van kracht is, zijnde vanaf 11 juli 2014, er slechts één gesprek met de grootmoeder van de kinderen heeft plaatsgevonden en één gesprek met de vader. De moeder geeft de gezinsvoogden geen toestemming om contact te leggen met de kinderen en alle contacten tussen de moeder en de stichting verlopen via de grootmoeder, zodat de stichting er niet in slaagt om uitvoering aan de opdracht van de rechtbank te geven. Het hof concludeert dat de moeder de uitvoering van de taken van de gezinsvoogden frustreert door de kinderen te onttrekken aan het toezicht van de stichting. De moeder stelt de stichting niet in staat zelfstandig en vanuit de eigen verantwoordelijkheid te beoordelen hoe het met de kinderen gaat en onder welke omstandigheden zij leven. Het hof is, alles overziende, van oordeel dat de moeder er blijk van heeft gegeven niet in het belang van de kinderen te denken en handelen en het hof acht dan ook professionele hulp van de stichting binnen het kader van de ondertoezichtstelling noodzakelijk. De gezinsvoogden kunnen de regie over de situatie rond de kinderen overnemen, waardoor een positieve ontwikkeling teweeggebracht kan worden teneinde, in het belang van [dochter 1] en [dochter 2], de huidige patronen te doorbreken.

3.7.5.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat sprake is van een dermate zorgwekkende situatie die het uitspreken van een ondertoezichtstelling rechtvaardigt. Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:254 BW. Van een schending van de artikelen 2 en 3 EVRM en verscheidene artikelen in het IVRK door zowel de raad als de rechtbank door de ondertoezichtstelling te verzoeken dan wel uit te spreken is geen sprake. Het belang van de kinderen staat in deze voorop. Het hof heeft, op grond van de inhoud van de stukken en de algehele proceshouding van de moeder, er onvoldoende vertrouwen in dat de moeder haar toezegging gestand zal doen om in een vrijwillig kader hulpverlening te accepteren, zeker indien deze hulpverlening zou zijn gericht op nuancering van het vaderbeeld van de kinderen en het (eventuele) contactherstel tussen de vader en de kinderen.

Al het overige dat door de moeder is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden, nu het hof van oordeel is dat er in de onderhavige zaak sprake is van een voor de kinderen zodanige ernstige ontwikkelingsbedreiging dat daarmee al voldoende aanleiding bestaat om de onderhavige kinderbeschermingsmaatregel op te leggen.

In dit verband merkt het hof nog op dat de door de vrouw geuite beschuldiging dat de vader in het bezit van kinderporno is geweest, niet aannemelijk is geworden. Hierbij verwijst het hof naar haar uitspraak van 18 december 2012. De thans door de moeder overgelegde stukken leiden niet tot een ander oordeel.

De door de moeder naar voren gebrachte positieve geluiden van de onderwijzeres van de kinderen, de schooldirecteur, de huisarts en de speltherapeute, nemen de hierboven geschetste bedreigingen niet weg. In haar brief van 9 september 2014 rept de speltherapeute weliswaar van groei, maar geeft zij tevens aan dat er zeker een schaduwzijde is, namelijk het contact met de vader, zij het dat dit niet alles overschaduwt.

3.7.6.

Tot slot overweegt het hof dat er geen sprake is van een situatie waarin de raad het uitgezette traject van dit hof – conform de beschikking van 22 mei 2014 – blokkeert of doorkruist, nu de raad eigen wettelijke bevoegdheden en verantwoordelijkheden heeft en te allen tijde, als de raad hiervoor in het belang van het kind aanleiding ziet, ambtshalve een raadsonderzoek kan instellen. Van enige schending bij de totstandkoming van het rapport van de raad van de artikelen 11, 12 en 13 van de Wet Algemene Bepalingen van 15 mei 1829 zoals door de moeder is gesteld, is het hof overigens niet gebleken. Voorts is het hof van oordeel dat haar beslissing in deze zaak om de ondertoezichtstelling te bekrachtigen niet de beslissing van het hof, zoals vermeld in haar beschikking van 22 mei 2014, doorkruist of belemmert.

3.8.

Het hof komt aan een inhoudelijke beoordeling van het schorsingsverzoek niet toe nu tijdens de mondelinge behandeling van 25 november jl. de hoofdzaak (F 200.153.724/01) en het schorsingsverzoek (F 200.153.724/02) tegelijkertijd zijn behandeld en de uitspraak in beide zaken is bepaald op 11 december 2014.

De moeder heeft, nu het hof op 11 december 2014 ook een beslissing in de hoofdzaak neemt, geen belang meer bij een beslissing op het schorsingsverzoek.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. O.G.H. Milar, J.H.J.M. Mertens-Steeghs en

M.C. Bijleveld-van der Slikke en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2014.