Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5227

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
18-12-2014
Zaaknummer
F 200.148.396-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen laten man eerste kind erkennen en partijen kiezen voor achternaam van de man. Rechtbank verleent vervangende toestemming aan man om tweede en derde kind van partijen te erkennen. Vrouw in hoger beroep. Wil erkenning ongedaan maken, nu de achternaam van het tweede en derde kind daarmee wordt gewijzigd in de achternaam van de man.

Hof wijst af. Artikel 1:204 lid 3 BW juncto artikel 5 lid 8 boek 1 BW is dwingend recht, zodat de door partijen gekozen achternaam van eerste kind (in deze casus de achternaam van de man) geldt voor alle navolgende kinderen na erkenning.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 204
Burgerlijk Wetboek Boek 1 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0388
RFR 2015/36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 11 december 2014

Zaaknummer : F 200.148.396/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/264764 / FA RK 13-3300

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E. Geerings,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.M. de Kool-van Eerdenburg,

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- mr. C.F.L.M. van Beukering-Michielsen in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna nader te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

Als betrokken in de zin van artikel 810 Rv wordt aangemerkt:

- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 februari 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 april 2014, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het de verlening van de vervangende toestemming van de moeder aan de vader tot erkenning van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betreft en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de vader tot het verlenen van vervangende toestemming aan hem tot erkenning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 18 juni 2014, heeft de vader verzocht de moeder in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het beroep van de moeder af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 19 juni 2014, heeft de bijzondere curator verzocht voormelde beschikking te bekrachtigen op voorwaarde dat het hof beslist dat de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de geslachtsnaam "[geslachtsnaam van de moeder]" behouden.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 november 2014. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, gehoord.

Tevens is de bijzondere curator gehoord.

De raad is, met bericht van verhindering d.d. 28 oktober 2014, niet ter zitting verschenen.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van partijen is geboren:

- [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3]), op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats].

[minderjarige 3] is erkend door de vader en partijen hebben er destijds voor gekozen om [minderjarige 3] de geslachtsnaam van de vader te geven.

3.2.

Voorts zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]), op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats];

  • -

    [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2]), op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats].

Tussen partijen is niet in geschil dat de vader de verwekker is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn niet erkend door de vader en hebben de achternaam “[geslachtsnaam van de moeder]”.

Alle kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.

Het hof merkt op dat wanneer het hof spreekt over “de kinderen”, het hof hierbij uitsluitend doelt op [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

3.3.

Bij beschikking van 10 september 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant mr. C.F.L.M. van Beukering-Michielsen benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, vervangende toestemming verleend aan de vader tot erkenning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar beroepschrift voert zij, kort samengevat, aan dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al hun hele leven de achternaam “[geslachtsnaam van de moeder]” dragen. De kinderen ontlenen hun identiteit voor een deel aan hun achternaam. Ook op diploma’s en andere belangrijke stukken staan zij vermeld met deze achternaam.

De kinderen ondervinden er geen hinder van dat zij een andere achternaam hebben dan hun oudste zus [minderjarige 3]. Zij vinden het daarentegen erg bezwaarlijk wanneer hun achternaam nu zou worden veranderd. De kinderen zijn in augustus 2013 op een nieuwe school en nieuwe sportclubs gestart, waar zij hun plaats nog moeten zien te vinden. De kinderen willen geen onnodige aandacht krijgen door een achternaamswijziging, waardoor zij het nodige zouden moeten uitleggen.

Verder stelt de moeder dat de kinderen gebukt gaan onder de uitspraak van de rechtbank nu deze een achternaamswijziging tot gevolg heeft. De kinderen willen geen andere achternaam en het maakt hen onzeker. De moeder kan het oordeel van rechtbank, dat niet is gebleken dat de kinderen zullen worden gestoord in hun sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling als hun achternaam zal wijzigen, dan ook niet volgen.

De moeder is van mening dat de vaststelling van de achternaam uitgesteld dient te worden totdat de kinderen de leeftijd van zestien jaar hebben bereikt, zodat zij zelf de achternaam mogen kiezen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben tot aan de onderhavige procedure de vader altijd als hun vader gezien. Zij hebben nooit beseft dat de vader enkel hun biologische vader is en niet hun juridische vader, zoals bij [minderjarige 3] wel het geval is. De kinderen wensen de band met hun vader juridisch te laten vastleggen, maar zij willen niet dat dit ten koste van hun achternaam gaat.

3.6.

De vader voert in het verweerschrift, kort samengevat, aan dat de wijziging van de achternaam onvoldoende zwaarwegend is om op die grond geen toestemming te verlenen voor de erkenning en aldus om het ontstaan van de familierechtelijke betrekkingen tussen de vader en de kinderen te verhinderen. De vader acht het onwenselijk om de erkenning uit te stellen tot de kinderen zestien jaar oud zijn. Dat staat in emotionele zin gelijk aan de vraag of de kinderen een keuze willen maken tussen hun vader of hun moeder. Dit is volledig in strijd met de belangen van de kinderen omdat zij dan nog verder in het loyaliteitsconflict worden geduwd.

De vader wijst erop dat het hem er niet om te doen is dat de kinderen zijn achternaam moeten krijgen. Als de kinderen de achternaam van de moeder willen behouden, zal hij daaraan meewerken wanneer de kinderen in de toekomst een verzoek tot wijziging van hun geslachtsnaam overeenkomstig artikel 1:7 lid 1 BW zouden indienen.

3.7.

De bijzondere curator voert, kort samengevat, aan dat zij het in het belang van de kinderen acht dat zij worden erkend door de vader, maar ook dat die erkenning in het belang van de kinderen niet tot een wijziging van hun geslachtsnaam dient te leiden. Het belang van de kinderen dient te prevaleren boven een eenheid van naam in het gezin.

De rechtbank gaat volgens de bijzondere curator eraan voorbij dat het wijzigen van de geslachtsnaam tegen de wens van beide kinderen ingaat en aan hetgeen de wijziging voor hen betekent. Daarnaast hebben partijen de situatie waarin de kinderen een andere geslachtsnaam dragen dan hun oudste zus nimmer bezwaarlijk bevonden en liet zij die situatie in het gezin bestaan. De situatie is voor de vader kennelijk nimmer aanleiding geweest om de rechtbank eerder te verzoeken om vervangende toestemming tot erkenning en de bijzondere curator is van mening dat de gevolgen hiervan niet voor rekening van de kinderen dienen te komen.

Het belang van de kinderen bij het behoud van de geslachtsnaam “[geslachtsnaam van de moeder]” dient zwaar te wegen en wel zodanig zwaar dat hierop positief beslist dient te worden, met dien verstande dat de erkenning intact dient te blijven.

Voor zover het hof hierin niet meegaat, is de bijzondere curator van mening dat een raadsonderzoek op zijn plaats is om te laten onderzoeken of en zo ja welke invloed een geslachtsnaamswijziging voor de kinderen zal hebben in het kader van hun evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Het hof acht zich op grond van de stukken voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen geven en ziet geen noodzaak voor een onderzoek, zoals door de bijzondere curator is geopperd.

3.8.2.

Ingevolge artikel 1:204 lid 3 BW kan de toestemming (tot erkenning) van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, op verzoek van de man, die het kind wil erkennen door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zouden schaden en man de verwekker is van het kind.

Het hof overweegt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat zowel het kind als de verwekker er recht op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang en het recht van de man op erkenning van het kind moeten worden afgewogen tegenover de belangen van de moeder en het kind bij niet-erkenning. Het belang van de erkenner bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de kinderen of die van de moeder geschaad zouden worden als de toestemming zou worden vervangen.

3.8.3.

Het hof stelt voorop dat de wet geen ruimte biedt voor de vader om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te erkennen zónder dat dit tot gevolg heeft dat de geslachtsnaam van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt gewijzigd in ‘[geslachtsnaam van de vader]’.

Uit de stukken is immers gebleken dat de vader [minderjarige 3], de oudste dochter van partijen, heeft erkend en dat partijen toentertijd gezamenlijk hebben gekozen om [minderjarige 3] de geslachtsnaam van de vader te geven, zijnde ‘[geslachtsnaam van de vader]’. Op grond van het bepaalde in artikel 5 lid 8 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek geldt deze naam ook voor alle volgende kinderen van de ouders. De ratio van deze bepaling is, zo blijkt uit de toelichting, de eenheid van naam binnen een gezin.

Aangezien deze bepaling van dwingendrechtelijke aard is, is het niet aan de rechter om hiervan af te wijken in bijzondere gevallen, in tegenstelling tot hetgeen de moeder en de bijzondere curator hieromtrent hebben aangevoerd. Het hof kan dan ook niet anders dan de gevolgtrekking maken dat de erkenning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door de vader tot gevolg heeft dat de geslachtsnaam van deze kinderen wordt gewijzigd van ‘[geslachtsnaam van de moeder]’ in ‘[geslachtsnaam van de vader]’.

3.8.4.

Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de vader de verwekker is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat, zo is gebleken ter zitting en uit de inhoud van de stukken, zowel de moeder als de kinderen, afgezien van de geslachtsnaamwijziging van de kinderen die het gevolg zal zijn van de erkenning door de vader, geen inhoudelijke bezwaren hebben tegen de erkenning door de vader. Immers, alle betrokkenen, inclusief de bijzondere curator, wensen in beginsel de band tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met de vader juridisch te laten vastleggen. De afweging waarvoor het hof zich gesteld ziet betreft aldus uitsluitend de vraag of het door de moeder gestelde risico dat de kinderen worden belemmerd in hun evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling wanneer hun geslachtsnaam wordt gewijzigd, eraan in de weg staat dat aan de vader vervangende toestemming tot erkenning wordt verleend.

3.8.5.

Het hof overweegt dat de vader – toen partijen nog samenleefden – altijd, samen met de moeder, de kinderen heeft verzorgd en opgevoed en dat de vader en de kinderen, ook nadat partijen uiteen zijn gegaan, een hechte band met elkaar hebben gehouden. Van enige weerstand van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar de vader toe is niet gebleken. Naar het oordeel van het hof is het in het belang van de kinderen (en de vader) dat de vader, ook juridisch gezien, een plaats krijgt in het leven van de kinderen, zodat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke werkelijkheid.

Het hof realiseert zich dat dit voor de kinderen met zich brengt dat hun geslachtsnaam wordt gewijzigd en dat dit wellicht enige aandacht van de buitenwereld zal trekken. Het hof is echter van oordeel dat de moeder en de bijzondere curator, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vader, onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat door die wijziging de kinderen in hun evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling zullen worden belemmerd. Het hof is dan ook van oordeel dat het belang van zowel de kinderen als de vader dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking zwaarder weegt dan het mogelijk (tijdelijk) ongemak dat voor de moeder en de kinderen te verwachten is van de wijziging van de geslachtsnaam van de kinderen als gevolg van de erkenning. Het hof wijst partijen erop dat zij de kinderen hierin dienen te begeleiden en te ondersteunen, zodat zij van de wijziging van de geslachtsnaam zo min mogelijk hinder ondervinden. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de rechtbank aan de vader terecht vervangende toestemming heeft verleend om over te gaan tot erkenning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

3.8.6.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, M.C. van Dijkhuizen en A.M.M. Hompus en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2014.