Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5219

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-12-2014
Datum publicatie
15-12-2014
Zaaknummer
20-004175-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:BY4525
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernieling van een hekwerk op vliegbasis Volkel.

Verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie worden verworpen.

Het hof is van oordeel dat de stelling van de raadsman dat de Hoge Raad in het zogenoemde kernwapenarrest (LJN ZC3693) niet heeft getoetst aan de beginselen van het oorlogsrecht, berust op een onjuiste lezing van dit arrest. Immers, de Hoge Raad heeft in bedoeld arrest uiteengezet hoe hij onder meer op grond van de Advisory Opinion inzake kernwapens van 8 juli 1996 van het Internationaal Gerechtshof tot zijn oordeel is gekomen.

Het Internationaal Gerechtshof heeft zich gebogen over de vraag naar rechtmatigheid of onrechtmatigheid van de bedreiging met of het gebruik van kernwapens. In bedoeld advies heeft het Internationaal Gerechtshof diverse standpunten ten aanzien van het gebruik van kernwapens nader beschouwd. Daarbij heeft het hof, naast het Handvest van de Verenigde Naties, het internationaal gewoonte- en verdragsrecht, alsmede de beginselen en regels van internationaal humanitair recht en neutraliteitsrecht betrokken.

Alles overziende en met verwijzing naar het internationaal recht en naar het feitenmateriaal dat het Internationaal Gerechtshof ter beschikking stond, is het Internationaal Gerechtshof niet tot het oordeel kunnen komen of de bedreiging met en het gebruik van kernwapens rechtmatig of onrechtmatig zou zijn in een extreme situatie van zelfverdediging waarin het overleven als zodanig van een staat op het spel zou staan. Vervolgens heeft het Internationaal Gerechtshof bovenstaande vraag over de rechtmatigheid of onrechtmatigheid van de bedreiging met of het gebruik van kernwapens, in 6 stappen beantwoord (A t/m F).

Nu de Hoge Raad de Advisory Opinion ten grondslag heeft gelegd aan zijn beslissing van 21 december 2001, is het hof van oordeel dat wel degelijk een toetsing aan de regels van het internationale recht (waaronder het oorlogsrecht) heeft plaatsgevonden. Dat de Hoge Raad een deelconclusie (genoemd onder E) van het Internationaal Gerechtshof malicieus zou hebben geïnterpreteerd, is een opvatting van de verdediging welke door het hof niet wordt gedeeld. Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat voornoemde conclusies van de Advisory Opinion handelen over kernwapens in het algemeen, dus zowel over kernwapens die onderscheid maken tussen burger- en militaire doelen als over kernwapens die een dergelijk onderscheid uitsluiten. Het hof kan uit voornoemd advies niet afleiden dat de conclusie van het Internationaal Gerechtshof als genoemd onder 97 (of E) slechts ziet op onderscheidend geweld, zoals door de verdediging naar voren is gebracht.

Opgelegd wordt een geldboete van EUR 500,-.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004175-12

Uitspraak : 15 december 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 november 2012 in de strafzaak met parketnummer 01-153745-10 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde en is hij ter zake van – kort gezegd – vernieling van een hekwerk (feit 1) veroordeeld tot een geldboete van € 500,--, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.

Namens verdachte is de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof het vonnis - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover thans nog van belang, ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 3 april 2010 te Volkel, gemeente Uden, opzettelijk en wederrechtelijk een hekwerk, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het Ministerie van Defensie, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Door de raadsman van de verdachte is het volgende aangevoerd:

“Hoewel het hof in zijn beslissing van 31 maart 2014 het preliminair verweer inzake de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie heeft verworpen, houdt de verdediging (…) onverkort vast aan de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.”

Vervolgens is de raadsman inhoudelijk ingegaan op voornoemde beslissing van het hof en heeft hij aangevoerd op welke gronden deze beslissing, inhoudende de verwerping van het preliminair verweer, onjuist zou zijn. De beslissing is in strijd met de (strekking van de) artikelen 11, 12 en 13 van de Wet algemene bepalingen en gaat voorts lijnrecht in tegen de artikelen 3, 5 en 7 van de Wet internationale misdrijven en de verdragen waarnaar die bepalingen verwijzen. Het hof heeft zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd en blijft vasthouden aan de juistheid van het oordeel van de Hoge Raad in het zogenaamde Kernwapenarrest dat een rechtstreekse aanval tegen de burgerbevolking gerechtvaardigd en dus rechtmatig kan zijn, dit terwijl de Hoge Raad in het geheel niet heeft getoetst aan de beginselen van het oorlogsrecht en een deelconclusie van de Advisory Opinion van het Internationaal Gerechtshof malicieus heeft geïnterpreteerd, aldus de raadsman van de verdachte.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof is van oordeel dat de stelling van de raadsman dat de Hoge Raad in het zogenoemde kernwapenarrest (LJN ZC3693) niet heeft getoetst aan de beginselen van het oorlogsrecht, berust op een onjuiste lezing van dit arrest, zoals door het hof reeds uitvoerig is besproken bij tussenbeslissing van 31 maart 2014. Immers, de Hoge Raad heeft in bedoeld arrest uiteengezet hoe hij onder meer op grond van de Advisory Opinion inzake kernwapens van 8 juli 1996 van het Internationaal Gerechtshof tot zijn oordeel is gekomen.

Het Internationaal Gerechtshof heeft zich gebogen over de vraag naar rechtmatigheid of onrechtmatigheid van de bedreiging met of het gebruik van kernwapens. In bedoeld advies heeft het Internationaal Gerechtshof diverse standpunten ten aanzien van het gebruik van kernwapens nader beschouwd. Daarbij heeft het hof, naast het Handvest van de Verenigde Naties, het internationaal gewoonte- en verdragsrecht, alsmede de beginselen en regels van internationaal humanitair recht en neutraliteitsrecht betrokken.

Zo heeft het Internationaal Gerechtshof het volgende overwogen:

90. Ofschoon de toepasselijkheid van de beginselen en regels van humanitair recht en van het beginsel van neutraliteit op kernwapens nauwelijks wordt bestreden, zijn aan de andere kant de conclusies die uit deze toepasselijkheid worden getrokken controversieel.

91. Volgens het ene standpunt betekent het feit dat het gebruik van kernwapens onderworpen is aan en gereguleerd wordt door het oorlogsrecht niet noodzakelijkerwijs dat zulk gebruik als zodanig is verboden. (…)

92. Een andere opvatting is dat het gebruik van kernwapens nooit verenigbaar kan zijn met de beginselen en regels van humanitair recht en derhalve verboden is. In geval van hun gebruik zouden kernwapens in geen enkele omstandigheid onderscheid kunnen maken tussen de burgerbevolking en combattanten, of tussen civiele objecten en militaire doelen, en hun effecten, die grotendeels onbeheersbaar zijn, zouden niet beperkt kunnen worden, in tijd noch in ruimte tot geoorloofde militaire doelen. Zulke wapens zouden op een noodzakelijkerwijze niet-onderscheidende manier doden en verwoesten. (…)

93. Een soortgelijke opvatting is tot uitdrukking gebracht met betrekking tot de uitwerking van het neutraliteitsbeginsel. (…)

Het Internationaal Gerechtshof heeft echter ten aanzien van beide standpunten (te weten:

1. het standpunt dat de rechtmatigheid van het gebruik van kernwapens in bepaalde omstandigheden, met inbegrip van het schone gebruik van kleinere lichte tactische kernwapens, bepleit en 2. het standpunt dat het gebruik van kernwapens in iedere omstandigheid onrechtmatig acht vanwege de inherente en volledige onverenigbaarheid van deze wapens met het recht dat van toepassing is gedurende het gewapend conflict) niet de conclusie kunnen trekken dat deze geldig zijn (zie overwegingen 94 en 95 van de Advisory Opinion).

Alles overziende en met verwijzing naar het internationaal recht en naar het feitenmateriaal dat het Internationaal Gerechtshof ter beschikking stond, is het Internationaal Gerechtshof niet tot het oordeel kunnen komen of de bedreiging met en het gebruik van kernwapens rechtmatig of onrechtmatig zou zijn in een extreme situatie van zelfverdediging waarin het overleven als zodanig van een staat op het spel zou staan (overweging 97). Vervolgens heeft het Internationaal Gerechtshof bovenstaande vraag over de rechtmatigheid of onrechtmatigheid van de bedreiging met of het gebruik van kernwapens, in 6 stappen beantwoord (A t/m F).

  1. Er bestaat noch in het internationaal gewoonterecht, noch in het internationaal verdragsrecht enigerlei uitdrukkelijke machtiging tot de bedreiging met of het gebruik van kernwapens.

  2. Er bestaat noch in het internationaal gewoonterecht, noch in het internationaal verdragsrecht een alomvattend en universeel verbod van de bedreiging met of het gebruik van kernwapens als zodanig.

  3. Een bedreiging met of het gebruik van geweld door middel van kernwapens dat in strijd is met artikel 2, lid 4, van het Handvest van de Verenigde Naties en dat niet voldoet aan alle vereisten van artikel 51 is onrechtmatig.

  4. Een bedreiging met of het gebruik van kernwapens moet zowel verenigbaar zijn met de vereisten van internationaal recht dat van toepassing is gedurende een gewapend conflict, in het bijzonder de vereisten van de beginselen en regels van internationaal humanitair recht, als ook met specifieke verplichtingen op grond van verdragen en andere toezeggingen die uitdrukkelijk handelen over kernwapens.

  5. Uit de bovenstaande vereisten volgt dat de bedreiging met of het gebruik van kernwapens in het algemeen in strijd zou zijn (onderstreping hof) met de regels van internationaal recht die van toepassing zijn gedurende een gewapend conflict en in het bijzonder met de beginselen en regels van humanitair recht.

Echter (onderstreping hof), gezien de huidige stand van het internationaal recht en het feitenmateriaal dat het hof ter beschikking staat, kan het hof geen definitieve conclusie trekken met betrekking tot de vraag of de bedreiging met of het gebruik van kernwapens rechtmatig of onrechtmatig zou zijn in een extreme situatie van zelfverdediging waarin het overleven als zodanig van een staat op het spel zou staan.

(…)

Nu de Hoge Raad de Advisory Opinion ten grondslag heeft gelegd aan zijn beslissing van 21 december 2001, is het hof van oordeel dat wel degelijk een toetsing aan de regels van het internationale recht (waaronder het oorlogsrecht) heeft plaatsgevonden. Dat de Hoge Raad een deelconclusie (genoemd onder E) van het Internationaal Gerechtshof malicieus zou hebben geïnterpreteerd, is een opvatting van de verdediging welke door het hof niet wordt gedeeld. Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat voornoemde conclusies van de Advisory Opinion handelen over kernwapens in het algemeen, dus zowel over kernwapens die onderscheid maken tussen burger- en militaire doelen als over kernwapens die een dergelijk onderscheid uitsluiten. Het hof kan uit voornoemd advies niet afleiden dat de conclusie van het Internationaal Gerechtshof als genoemd onder 97 (of E) slechts ziet op onderscheidend geweld, zoals door de verdediging naar voren is gebracht.

Door de raadsman zijn geen nieuwe feiten en/of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het hof anders zou moeten oordelen dan in zijn beslissing van 31 maart 2014. De omstandigheid dat voornoemd standpunt door de verdediging niet wordt gedeeld, maakt nog niet dat door het hof de artikelen 11, 12 en 13 van de Wet algemene bepalingen dan wel de bepalingen van de Wet internationale misdrijven zijn geschonden.

Voorts is het hof van oordeel dat voornoemde artikelen en bepalingen de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet raken.

Overige feiten en/of omstandigheden op grond waarvan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou zijn, zijn door de raadsman niet aangevoerd dan wel onvoldoende onderbouwd.

Het hof verwerpt het verweer.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden, die zouden moeten leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 3 april 2010 te Volkel, gemeente Uden, opzettelijk en wederrechtelijk een hekwerk, toebehorende aan het Ministerie van Defensie, heeft vernield.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen1

1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 13 april 2010 voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [aangever] (dossierpagina 15-17):

Ik doe namens het Ministerie van defensie aangifte van vernieling van het harmonicagaas van het buitenhekwerk van de vliegbasis Volkel. Meerdere verdachten hebben een goed dat geheel in eigendom toebehoort aan het Ministerie van Defensie zonder enig recht of toestemming vernield. Ik ben werkzaam als medewerker binnen de Chef Staf Organisatie op de vliegbasis Volkel. Ik ben gerechtigd om deze aangifte te doen.

Op 3 april 2010 vond er een demonstratie plaats aan de buitenzijde van de hoofdpoort van de vliegbasis Volkel. De vliegbasis Volkel is gelegen aan de Zeelandsedijk te Volkel, gemeente Uden. Op dit terrein is de Koninklijke Luchtmacht gevestigd.

Tussen 12.30 uur en 17.00 uur zijn op 3 april 2010 in totaal vijf gaten geknipt in het harmonicagaas van het buitenhekwerk van de vliegbasis Volkel. Het betreft hier het hekwerk aan de rechterzijde van de hoofdpoort van de vliegbasis Volkel, gezien vanaf de binnenzijde van voornoemde vliegbasis.

2. Een proces-verbaal d.d. 7 april 2010 voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van eigen waarneming en bevindingen van [verbalisant], wachtmeester 1e klasse der Koninklijke Marechaussee (dossierpagina 274):

Op 3 april 2010 bevond ik, verbalisant, mij op de militaire luchtmachtbasis Volkel in de gemeente Uden. Omstreeks 14.45 uur zag ik, verbalisant, dat twee voor mij onbekende mannelijke personen een gat in het hekwerk, rechts van de hoofdpoort, aan het knippen waren. Ik, verbalisant zag dat deze twee voor mij onbekende personen allebei in het bezit waren van een kniptang. Ik stond op een afstand van ongeveer 7 meter van deze twee onbekende personen. Ik, verbalisant, ben er naar toe gelopen. Op het moment dat ik voor het hek stond, waar deze mannen aan het knippen waren, zag ik dat een van deze personen een gat had geknipt van ongeveer 40 centimeter. Ik, verbalisant, zag dat deze persoon door het gat in het hek kroop. Ik zag dat deze persoon een tang in zijn hand had. Vervolgens zag ik, verbalisant, de andere persoon ook door hetzelfde gat naar binnen kruipen. Ik zag dat het gat wat deze persoon had veroorzaakt te klein was om doorheen te kruipen. Ik, verbalisant, zag dat terwijl deze persoon naar binnen kroop hij de kniptang die hij zijn hand had terug gooide naar de andere demonstranten. Uit de recherche administratie bleek dat het hier handelt om de aangehouden persoon genaamd [verdachte], geboren op [geboortedatum]. Ik, verbalisant, heb deze persoon aangehouden.

3. Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 3 april 2010 voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van eigen waarneming en bevindingen van [verbalisant], wachtmeester 1e klasse der Koninklijke Marechaussee (dossierpagina 262):

Verdachte

Naam : [verdachte]

Voornamen : [verdachte]

Geboortedatum : [geboortedatum]

Datum en tijdstip aanhouding : 3 april 2010 te 14.48 uur.

Locatie aanhouding : Zeelandsedijk 10A te Volkel, vliegbasis Volkel

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De rechtbank heeft de verdachte wegens vernieling van een hekwerk veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis.

De advocaat-generaal heeft zich achter deze strafoplegging geschaard.

Door de verdachte is geen strafmaatverweer gevoerd.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof rekening gehouden met

- de inhoud van een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 oktober 2014, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezen verklaarde eerder onherroepelijk is veroordeeld (in 2007) en ook nadien in 2011;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Alles overziende acht het hof de door de rechtbank opgelegde geldboete passend en geboden en ziet het hof geen aanleiding om daar in strafverzwarende dan wel strafmatigende zin van af te wijken.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde (onder 1) heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. E.A.A.M. Pfeil, voorzitter,

mr. E.N. van der Spoel en mr. O.A.J.M. Lavrijssen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 15 december 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 In de weergegeven bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar paginanummers van het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee, Brigade Brabant-Noord/Limburg-Noord, Afdeling Recherche, Operatie Klok, opruimingsactie kernwapens Volkel, dossiernummer 10-002074, op 28 april 2010 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 2], Adjudant-Onderofficier, en [verbalisant 3], wachtmeester I, bestaande uit in de wettige vorm opgemaakte processen-verbaal, ambtshandelingen, documenten en andere geschriften, doorgenummerd pagina’s 1 tot en met 504.