Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5216

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
12-12-2014
Zaaknummer
F 200.135.216_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:1597
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 11 december 2014

Zaaknummer : HV 200.135.216/01

Zaaknummers eerste aanleg : C/03/183595 / JE RK 13-1255

C/03/183597 / JE RK 13-1256

in de zaak in hoger beroep van:

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Gelderland, locatie

Arnhem,

appellant,

hierna te noemen: de raad,

tegen

[de moeder] en [de vader],

echtelieden, wonende te

[woonplaats],

verweerders,

hierna te noemen: de ouders, respectievelijk de moeder en de vader,

advocaat: mr. N.D. Geraads.

5 De beschikking d.d. 16 januari 2014

Bij die beschikking heeft het hof, kort en zakelijk weergegeven:

  • -

    de raad, regio Zuidoost Nederland, verzocht een onderzoek in te stellen conform hetgeen in die beschikking onder rechtsoverweging 3.8.4. en 3.8.5. is overwogen;

  • -

    de raad, regio Zuidoost Nederland, verzocht tijdig, vóór de hierna te noemen pro forma datum op basis van dit onderzoek rapport en advies uit te brengen aan het hof en

  • -

    iedere verdere beslissing aangehouden tot pro forma 2 juni 2014.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 november 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de raad;

- de ouders, bijgestaan door mr. Geraads.

6.2.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief van de advocaat van de ouders d.d. 14 april 2014;

- het rapport van de raad d.d. 27 mei 2014;

- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de ouders d.d. 26 juni 2014;

- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de ouders d.d. 6 november 2014;

- pleitnotities van de advocaat van de ouders.

7 De verdere beoordeling

7.1.

De raad heeft in zijn rapport d.d. 27 mei 2014 het volgende overwogen.

Destijds, in augustus 2013, beschreef de raad ernstige zorgen over de lichamelijke ontwikkeling van [de dochter] door de vastgestelde Pediatric Condition Falsification (PCF) per exclusionem als onderdeel van het Munchausen by Proxy syndroom (MBPS). [de dochter] is vanwege een ernstige ‘Failure to Thrive’ en meerdere onverklaarde lijninfecties bij herhaling gepresenteerd voor medische zorg. [de dochter] was ernstig ziek en verkeerde zelfs in levensgevaar. Na separatie van [de dochter] van haar ouders vanaf 5 juli 2013 is een consistente klinische verbetering gezien met een snelle inhaalgroei alsmede een forse progressie op alle ontwikkelingsgebieden. Thans, in de huidige onderzoeksperiode laat [de dochter] een positieve ontwikkeling zien en is er sprake van een voortzetting van de inhaalslag op diverse leefgebieden. Haar fysieke gezondheid is goed. Feit blijft evenwel dat het ernstig ziek zijn en het hierop volgende herstel dat zich tijdens de laatste ziekenhuisopname in de zomer van 2013 heeft afgespeeld tot op heden medisch niet kunnen worden verklaard. Een herhaal risico kan derhalve niet worden ingeschat, aldus de raad.

Destijds, in augustus 2013, beschreef de raad eveneens ernstige zorgen in de lichamelijke ontwikkeling van [de zoon]. Er was sprake van ernstige ‘Failure to Thrive’ die reeds op de leeftijd van zes maanden bij hem is vastgesteld en die tot dusver nog altijd onverklaard is. Opvallend is dat [de zoon] (retrospectief) inhaalgroei laat zien in de vroege babytijd van [de dochter] en opnieuw wanneer ouders lang achtereen samen voor [de zoon] zorgen in het Ronald Mc Donaldhuis, vanaf april 2013. Thans maakt ook [de zoon] een positieve ontwikkeling door. Er zijn geen zorgen over zijn fysieke gezondheidstoestand.

De raad stelt een positieve interactie tussen [de dochter] en [de zoon] en hun ouders vast en heeft geen bijzonderheden gezien. De ouders reageren rustig op de kinderen. De ouders reageren zorgzaam en adequaat. Ook verloopt de samenwerking tussen ouders en de betrokken informanten (gezondheidsinstanties) goed. De ouders werken goed mee, komen afspraken na en volgen behandeladviezen op.

Vanaf het moment dat er bemoeienis is geweest vanuit AMK, gezondheidsinstanties en de raad, heeft het handelen van de ouders onder een vergrootglas gelegen, waardoor de raad zich niet aan de indruk kan onttrekken dat daarmee een kunstmatige situatie is gecreëerd, waarbij ouders in het belang van de kinderen handelen en een meewerkende houding laten zien.

De raad is van mening dat gedwongen hulpverlening noodzakelijk blijft gezien de kwetsbaarheid van deze zeer jonge kinderen gecombineerd met de vele tekens die wijzen op MBPS. Het ernstig ziek zijn van beide kinderen in het verleden is mogelijk veroorzaakt door exogene factoren, waarbij weliswaar actief handelen en betrokkenheid van (een van) de ouders niet bewezen is, doch wel nog onderzocht wordt door politie en het openbaar ministerie en dus ook niet kan worden uitgesloten. Om een risico op een ernstige terugval op het gebied van lichamelijke gezondheid en bovendien “problematic doctoring” c.q. medische overconsumptie te voorkomen hecht de raad veel waarde aan de medische expertise en hiermee aan de voortzetting van de poliklinische controle van [de dochter] en het volgen van de gezondheidsontwikkeling van [de zoon].

De raad is nog steeds van mening dat forensisch psychiatrisch onderzoek van beide ouders (en zo nodig andere verzorgers) nodig is om mogelijke onderliggende psychiatrische factoren en mogelijke aanwijzingen voor FDP in kaart te brengen of uit te sluiten.

Een machtiging uithuisplaatsing van de kinderen acht de raad thans niet noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [de dochter] en [de zoon], aangezien de vooruitgang in de ontwikkeling van de kinderen heeft plaats gevonden terwijl zij bij de ouders woonden.

De raad trekt zijn appel voor wat betreft de afgewezen machtiging uithuisplaatsing om die reden in.

7.2.

De ouders hebben in hun brief d.d. 26 juni 2014 als volgt gereageerd op het raadsrapport van 27 mei 2014.

PCF is volgens de ouders nooit vastgesteld. In de beschikking van 21 januari 2014 constateert het hof dat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van PCF. Cliënten merken hierbij op dat de onverklaarbare lijninfecties ook zouden kunnen zijn ontstaan door eventuele zelfbevuiling van [de dochter].

Van het feit dat het in de periode dat [de dochter] in het Radboud UMC lag niet goed ging met haar, waren de ouders zich zeer welbewust. De vooruitgang van [de dochter] na separatie van haar ouders is nooit één op één te verklaren door de separatie alleen, omdat deze is samengegaan met een wijziging van een behandelmethode. Dit volgt uit het medisch dossier. De lengtegroei van [de dochter] is zich pas gaan manifesteren in een latere periode dus niet tijdens de separatie van de ouders. Pas vanaf het moment dat [de dochter] weer thuis is, is de forse progressie op alle ontwikkelingsgebieden ontstaan.

Op basis van de informatie van de behandelend kinderarts is de ontwikkeling van het gewicht van [de dochter] en haar lengte op dit moment goed te noemen. De ouders verwijzen hierbij onder meer naar het voortgangsverslag van het Radboud UMC d.d. 12 februari 2014. Hieruit volgt eveneens dat er sprake is van een prima groei en een goede voedingsconditie.

Tenslotte wijzen de ouders op een aantal inconsistenties in de rapportage van de raad. Zo wordt er herhaaldelijk gesproken over een positieve bijdrage van artsen en specialisten in de ontwikkeling van de kinderen. De ouders wijzen erop dat alleen [de dochter] onder behandeling is geweest bij specialisten. Voor [de zoon] geldt dit niet. [de zoon] is ook nooit ernstig ziek geweest, zoals gesteld wordt onder paragraaf 10.2 van de rapportage van de raad.

Zoals ook in reactie op de concept-rapportage aan de raad is bericht, kunnen de ouders zich vinden in de conclusies van de raad, behalve daar waar het gaat om het onder toezicht stellen van de kinderen. Het is de ouders onduidelijk op welke gronden er thans volgens de raad sprake zou moeten zijn van een ondertoezichtstelling, nu op basis van de informatie die is ingewonnen bij de informanten juist kan worden geconcludeerd dat het goed gaat met de kinderen.

Indien de raad als grond voor de ondertoezichtstelling aanvoert dat tot op heden niet is uitgesloten dat de ouders verantwoordelijk zijn voor de gezondheidsproblemen van de kinderen, vragen de ouders zich af hoe een ondertoezichtstelling daarin verandering zou kunnen brengen. Voorts zien de ouders niet in dat hieromtrent in het kader van het strafrechtelijk onderzoek (in welk kader zij zelfs nog niet zijn gehoord) dit wel zou kunnen worden uitgesloten.

De ouders hebben nog verwezen naar recente bevindingen van de gezondheidsinstanties, waaronder medische informatie van de kinderarts verbonden aan het Radboud UMC d.d. 2 september 2014. Hierin heeft de kinderarts geconcludeerd dat, gelet op de positieve ontwikkeling van de kinderen, [de zoon] niet meer voor controle hoeft te verschijnen en [de dochter] nog slechts één keer in de zes maanden. De raad heeft zijn conceptrapportage op 19 mei 2014 ingediend, maar nadien hebben de ouders niets meer van de raad vernomen. In die periode zijn de kinderen één keer bij de kinderarts geweest en één keer bij het consultatiebureau. Verder is [de zoon] bij fysiotherapie geweest. Het vertrouwen van de ouders in de raad en de jeugdzorg is ernstig geschaad.

7.3.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

7.3.1.

De raad heeft zijn verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen ex artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ingetrokken en, zo begrijpt het hof, in zoverre zijn appel tegen de bestreden beschikking niet gehandhaafd.

Thans dient het hof nog te beoordelen of er op dit moment gronden aanwezig zijn om de kinderen onder toezicht te stellen van de stichting.

7.3.2.

Op grond van artikel 1:254 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen wanneer die zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

7.3.3.

Het hof heeft in zijn beschikking van 16 januari 2014 overwogen dat de situatie in juli 2013 van een zodanige ernst was dat er toentertijd ruimschoots werd voldaan aan het criterium van artikel 1:254 BW. Sinds de beschikking in eerste aanleg was sprake van een positieve (gezondheids)ontwikkeling van de kinderen, maar die ontwikkeling was volgens het hof nog erg pril.

De raad heeft in het kader van het nadere onderzoek de fysiotherapeut, de kinderarts (tweemaal), de huisarts, het consultatiebureau en de peuterspeelzaal van [de zoon] geconsulteerd, alsmede de politie. Uit het aanvullende raadsonderzoek is gebleken dat de positieve ontwikkeling van de kinderen zich heeft voortgezet. De raad heeft immers geconstateerd dat de kinderen op alle ontwikkelingsgebieden een forse inhaalslag hebben gemaakt. De fysieke gezondheid van de kinderen is goed en de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen verloopt eveneens adequaat. Door geen van de geraadpleegde instanties zijn hierover zorgen gemeld. Ter zitting is voorts gebleken dat [de zoon] zelfs vroegtijdig in België naar school gaat.

7.3.4.

Gelet op de voor de kinderen (levens)bedreigende situatie in het verleden en de waarschijnlijkheid dat [de dochter] slachtoffer is geworden van Pediatric Condition Falsification, acht het hof begrijpelijk dat de raad zorgen heeft over de verdere ontwikkeling van de kinderen.

Het hof stelt evenwel vast dat in het kader van het aanvullende raadsonderzoek noch in het kader van het nog lopende strafrechtelijke onderzoek, is komen vast te staan dat de ouders of één van hen voor de gezondheidsproblemen van de kinderen verantwoordelijk kan c.q. kunnen worden gehouden.

Het hof concludeert voorts op grond van het nadere raadsonderzoek, dat er geen concrete aanwijzingen bestaan dat de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de kinderen op dit moment ernstig worden bedreigd. Ook biedt het nadere raadsonderzoek geen steun aan de stelling van de raad dat forensisch psychiatrisch onderzoek van beide ouders (en zo nodig andere verzorgers) nodig is.

Tevens is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat op dit moment geen hulpverlening noodzakelijk is die niet in het vrijwillig kader zou kunnen worden gerealiseerd, zoals de fysiotherapie voor [de zoon]. De medische controles door de kinderarts worden niet langer noodzakelijk geacht en zijn derhalve beëindigd of worden afgebouwd.

Uit het aanvullende raadsonderzoek is tot slot gebleken dat de samenwerking tussen de ouders en de betrokken informanten goed verloopt en dat de ouders goed meewerken, afspraken nakomen en behandeladviezen opvolgen. Het vermoeden van de raad dat deze houding van de ouders enkel is ingegeven door het toezicht van de raad in het kader van de onderhavige procedure, acht het hof onvoldoende grond om de ouders in hun gezag te beperken.

7.4.

Aangezien naar het oordeel van het hof op dit moment niet aan de gronden van artikel 1:254 BW wordt voldaan, dient de bestreden beschikking te worden bekrachtigd, voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen.

8 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 september 2013, voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.E.M. Renckens, M.J. van Laarhoven en A.M.M. Hompus en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2014.