Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5215

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-11-2014
Datum publicatie
12-12-2014
Zaaknummer
20-001714-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Botsing tussen van rechts komende motor en een auto op/bij een T-kruising. Vrijspraak van artikel 6 en 5 WVW 1994. Voorsorteren (art. 17 RVV) en zoveel mogelijk rechts houden.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 5, 6, 164, 179
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001714-14

Uitspraak : 24 november 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 27 mei 2014 in de strafzaak met parketnummer 03-866029-13 tegen:

[verdachte],

[geboortedatum en geboorteplaats],

[woonplaats]

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 1 primair en veroordeeld ter zake van 1 subsidiair ‘Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994’ (hierna: WVW 1994) tot een taakstraf voor de duur 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Voorts is verdachte bij dit vonnis ter zake van feit 3 ‘als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden’ veroordeeld tot een geldboete ten bedrage van € 650,=, subsidiair 13 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden.

Ten aanzien van de onder 2 bewezenverklaarde ‘overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef, onderdeel b, van de WVW 1994’ is verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging.

Tot slot is teruggave gelast aan verdachte van de in beslag genomen Opel Corsa.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is in de appelakte uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan verdachte onder 1 en 3 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

  • -

    verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis,

  • -

    verdachte ter zake van het onder 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ten bedrage van € 650,=, subsidiair 13 dagen hechtenis, alsmede tot een rijontzegging voor de duur van 4 maanden;

  • -

    de teruggave aan verdachte zal gelasten van de in beslag genomen Opel Corsa.

De verdediging heeft bepleit dat verdachte van de onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde feiten wordt vrijgesproken. Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging geen verweer gevoerd..

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter, in strijd met het bepaalde in artikel 378 van het Wetboek van Strafvordering, het mondeling vonnis niet heeft aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting.

In het dossier bevindt zich een vordering wijziging tenlastelegging d.d. 27 mei 2014. Weliswaar is er geen proces-verbaal van de terechtzitting van 27 mei 2014, maar uit de (informele) aantekeningen van de griffier die zich in het dossier bevinden, blijkt dat de politierechter de wijziging heeft toegestaan. Nu zowel de advocaat-generaal als de verdediging willen uitgaan van de gewijzigde tenlastelegging, houdt het hof het er voor dat de politierechter inderdaad de wijziging heeft toegestaan.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – voor zover in hoger beroep nog aan de orde ten laste gelegd dat:

1. primair
hij op of omstreeks 15 maart 2012, te Elsloo, in elk geval in de gemeente Stein, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de weg van Elsloo naar Groot Meers en gekomen bij de t-kruising Scharberg, Julianastraat en genoemde weg van Elsloo naar Groot Meers, zijnde een kruising van gelijke orde, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, genoemde t-kruising te naderen en/of op te rijden en/of (daarbij) op het midden van de rijbaan te rijden, in elk geval niet zoveel mogelijk rechts te houden (artikel 3 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990), althans niet voldoende uit te wijken, op het moment dat een voor hem, verdachte, van rechts over de Julianastraat komend motorrijtuig (motorfiets) reeds dicht genaderd was en/of geen voorrang te verlenen aan een voor hem, verdachte, van rechts over de Julianastraat komende bestuurder van een motorfiets, ten gevolge waarvan een botsing of aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die motorfiets waardoor een ander, te weten [X] zwaar lichamelijk letsel, een gebroken ruggenwervel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

1. subsidiair
hij op of omstreeks 15 maart 2012, te Elsloo, in elk geval in de gemeente Stein, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg van Elsloo naar Groot Meers en gekomen bij de t-kruising Scharberg, Julianastraat en genoemde weg van Elsloo naar Groot Meers, zijnde een kruising van gelijke orde, genoemde t-kruising is genaderd en/of op is gereden en/of (daarbij) op het midden van de rijbaan heeft gereden, in elk geval niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden (artikel 3 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990), althans niet voldoende is uitgeweken, op het moment dat een voor hem, verdachte, van rechts over de Julianastraat komend motorrijtuig (motorfiets) reeds dicht genaderd was en/of geen voorrang heeft verleend aan een voor hem, verdachte, van rechts over de Julianastraat komende bestuurder van een motorfiets, ten gevolge waarvan een botsing of aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die motorfiets door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

3.
hij op of omstreeks 15 maart 2012 te Elsloo, in elk geval in de gemeente Stein, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), gekentekend [nummer Y], daarmede heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de weg van Elsloo naar Groot Meers, zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand gehouden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak feit 1

1. Op grond van het behandelde ter terechtzitting en de stukken in het dossier stelt het hof – voor zover hier van belang – de navolgende feiten vast.

  • -

    Verdachte is op 15 maart 2012 te Elsloo als bestuurder van een Opel Corsa opgetreden en is bij de in de tenlastelegging genoemde kruising met deze auto in botsing gekomen met een door [X] bestuurde motorfiets, merk Honda, type Deauville;

  • -

    Blijkens het proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse is genoemde Opel Corsa rijdende op de Weg van Elsloo naar Groot Meers en gekomen bij de T-kruising Scharberg/Julianastraat met de Weg van Elsloo naar Groot Meers, zijnde een kruising van gelijke orde, in botsing gekomen met eerdergenoemde op dat moment eveneens rijdende motorfiets; de bestuurder van de motorfiets kwam – gezien vanuit de positie van de bestuurder van de Opel Corsa – van rechts;

  • -

    Blijkens het proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse (p. 12 onder het kopje ‘Botsplaats’) werden krassporen aangetroffen op het wegdek, welke krassporen waren veroorzaakt doordat de voorband van het voorwiel van de betrokken motorfiets na de botsing over het wegdek schoof waarbij steentjes in het wegdek los kwamen en door deze band werden verplaatst. De locatie van deze krassporen is op de van het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse deel uitmakende situatietekening weergegeven met het label ‘0’;

o Label ‘0’is op de situatieschets weergegeven op de weghelft van de verdachte, links tegen de – in de schets niet weergegeven – middenas;

o Label ‘0’ bevindt zich buiten het kruisingsvlak van de Weg van Elsloo naar Groot Meers met de Scharberg/Julianastraat; gezien vanuit de positie van de verdachte staat label “0” vóór het kruisingsvlak;

  • -

    Op grond van de van het proces-verbaal VerkeersOngevalsanalyse deel uitmakende foto’s 42 (botsschade bumper voorzijde van de auto, links) en 71 (tegen elkaar geplaatste auto en motorfiets) en op grond van hetgeen in genoemd proces-verbaal is gerelateerd op pagina 12 onder het kopje ‘Botspositie’ stelt het hof vast dat de botsing van beide motorrijtuigen heeft plaatsgevonden aan de linker voorzijde van beide motorrijtuigen, waarbij het voorwiel van de motorfiets op het moment van de botsing (gezien vanuit de rijrichting van de motorfiets) zich iets voorbij de linker voorzijde van de Opel Corsa bevond.

  • -

    Het hof heeft onvoldoende objectieve gegevens om te kunnen vaststellen met welke snelheid verdachte en de bestuurder van de motorfiets reden.

2. Uit de aldus vastgestelde feiten concludeert het hof dat niet bewezen kan worden, zoals ten laste gelegd, dat de verdachte op het midden van de rijbaan zou hebben gereden. Uit de locatie van de krassporen (links tegen de middenas) en de omstandigheid dat deze sporen door het voorwiel van de motorfiets zijn veroorzaakt terwijl dit voorwiel op het moment van de botsing zich voorbij de linker voorzijde van de Opel Corsa bevond, leidt het hof af dat de Opel Corsa - hoewel links tegen de middenas – volledig op de voor hem bestemde weghelft reed. Daaruit blijkt voorts eveneens dat de bestuurder van de motorfiets op het moment van de botsing op het voor de Opel Corsa bestemde weggedeelte reed.

3. Voor wat betreft het aan verdachte gemaakte verwijt dat hij niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden in de zin van artikel 3 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, althans niet voldoende is uitgeweken, overweegt het hof het volgende.

Uit bovengenoemde feitelijke vaststellingen volgt dat verdachte met genoemde Opel Corsa links tegen de middenas van het voor hem bestemde gedeelte van de weg reed.

Verdachte heeft echter verklaard dat hij op het moment van het naderen van de T-kruising van plan was de kruising naar links over te steken in de richting van de Scharberg. Dit brengt mee dat verdachte gerechtigd was links tegen de middenas voor te sorteren. Immers artikel 17, eerste lid, sub b van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) bepaalt dat bestuurders die naar links afslaan, mogen voorsorteren door tijdig zoveel mogelijk tegen de wegas te rijden. Van dit voorsorteren kan de verdachte dus geen verwijt worden gemaakt. In dit verband verwijst het hof naar het arrest van de Hoge Raad van 12 december 1972, NJ 1973/81. De HR besliste toen dat de regel van art. 22 RVV (oud) dat de bestuurder zoveel mogelijk rechts moet houden niet is gegeven voor het geval dat een bijzondere manoeuvre als het links afslaan wordt verricht. De verdachte treft dus niet het verwijt dat hij onvoldoende rechts heeft gehouden.

Evenmin kan worden bewezen dat verdachte onvoldoende zou zijn uitgeweken voor de van rechts komende motorfiets. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de motorfiets ten tijde van de botsing zich op het voor de Opel Corsa bestemde gedeelte van de weg bevond. Daarbij overweegt het hof voorts nog het volgende.

4. Voor wat betreft het aan verdachte, na wijziging van de tenlastelegging, gemaakte verwijt dat hij de motorfiets geen voorrang zou hebben verleend, geldt dat ook sprake kan zijn van een voorrangsfout in het geval, zoals hier aan de orde, de botsing buiten het kruisingsvlak heeft plaatsgevonden. Onder voorrang verlenen wordt op grond van artikel 1 RVV 1990 immers verstaan ‘het de betrokken bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen’. Onder omstandigheden kan derhalve van verkeersdeelnemers die voorrang dienen te verlenen, worden verlangd dat zij ook buiten het kruisingsvlak voldoende ruimte bieden voor een vrije doortocht, ook als dit zou betekenen dat zij, zoals in het onderhavige geval, een deel van het voor hen bestemde weggedeelte zouden moeten vrijhouden om een ongehinderde doorgang te verschaffen. Daar staat evenwel tegenover dat het de verkeersdeelnemer die voorrang heeft niet vrij staat om onnodig, bijvoorbeeld door het afsnijden van de bocht, gebruik te maken van het weggedeelte van de verkeersdeelnemer die voorrang dient te verlenen. Het hof concludeert in dat verband dat op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat de verdachte een voorrangsfout heeft gemaakt. Immers blijkt niet dat de bestuurder van de motorfiets de bocht niet kon maken zonder op de weghelft van de verdachte te komen. Naar het oordeel van het hof was het kruisingsvlak – dat door de verdachte was vrijgelaten – groot genoeg voor de bestuurder van de motorfiets om na het maken van de bocht op de voor hem bestemde weghelft uit te komen

Het hof zal de verdachte dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

5. Nu tot slot evenmin is gebleken dat verdachte voorafgaande aan de botsing de T-kruising aanmerkelijk onvoorzichtig dan wel onoplettend zou zijn genaderd, is het hof – gelet op al het vorenoverwogene – van oordeel dat geen sprake is van een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval als bedoeld in artikel 6 van de WVW 1994 dan wel van het veroorzaken van gevaar en/of hinder op de weg als bedoeld in artikel 5 van de WVW 1994 een en ander zoals ten laste gelegd onder 1 primair respectievelijk 1 subsidiair.

Daarom moet verdachte van het ten laste gelegde onder 1 primair en 1 subsidiair worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

3.
hij op 15 maart 2012 te Elsloo als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), gekentekend [nummer Y], daarmede heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de weg van Elsloo naar Groot Meers, zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand gehouden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden.

Dit feit is strafbaar gesteld bij artikel 30, vierde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In verband met de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 30 september 2014, waaruit blijkt dat verdachte éénmaal eerder onherroepelijk is veroordeeld in verband met overtreding van 30 lid 4 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, en hij voorts meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld in verband met het plegen van verkeersdelicten;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Gelet op het vorenoverwogene acht het hof het opleggen van een geldboete ten bedrage van € 650,= subsidiair 13 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke rijontzegging voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden.

De hiervoor bepaalde voorwaardelijke rijontzegging dient mede ter bescherming van de verkeersveiligheid. Voorts wordt hiermede de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de WVW 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal bij een eventuele tenuitvoerlegging van onderhavige rijontzegging op de duur hiervan in mindering worden gebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 30 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen en artikel 164 en 179 van de WVW 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 650,00 (zeshonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 13 (dertien) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat deze bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, bij een eventuele tenuitvoerlegging van die ontzegging op de duur daarvan geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. N.J.M. Ruyters, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. N. van der Laan, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.R. Veldt, griffier,

en op 24 november 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. N. van der Laan is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.