Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5214

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-11-2014
Datum publicatie
12-12-2014
Zaaknummer
20-000727-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belaging. Straftoemeting. Contactverbod, geen locatieverbod. Immateriële schade.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285b, geldigheid: 2014-12-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000727-14

Uitspraak : 24 november 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 25 februari 2014 in de strafzaak met parketnummer 01-825367-12 tegen:

[verdachte],

[geboortedatum en geboorteplaats],

[woonplaats].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van belaging (feit 1), vernieling (feit 2) en diefstal (feit 3) veroordeeld tot een taakstraf voor duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden een contact- en straatverbod.

Voorts heeft de eerste rechter beslist over schadevergoeding voor de benadeelde partij.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en 3 is ten laste gelegd, met uitzondering van de onder 3 impliciet cumulatief ten laste gelegde diefstal van ‘een of meer planten (uit de voortuin) en/of een tuinbank’ waarvan verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken. Het hof zal verdachte ten aanzien van deze feiten niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende verdachte ter zake van de aan hem ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een taakstraf voor duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden een contactverbod met [X] en haar beide kinderen alsmede een straatverbod, inhoudende dat het verdachte gedurende de proeftijd is verboden zich op te houden in [straat Y te Z] en de groenvoorziening tussen [straat Y] en [straat A te Z].

De verdediging heeft:

  • -

    zich voor wat betreft de bewezenverklaring van de aan verdachte gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van het hof;

  • -

    bepleit dat aan het voorwaardelijk gedeelte van de aan verdachte op te leggen straf geen straatverbod als bijzondere voorwaarde wordt verbonden.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 28 mei 2012 tot en met 24 juli 2012 te [Z], althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [X], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [X], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte tegen de wil van die [X]:

- een groot aantal malen contact gezocht met die [X] via sms en/of what's app en/of e-mail en/of telefoon en/of;

- zich een groot aantal malen, althans meermalen naar het huis, althans de straat van die [X] begeven en/of meermalen aan de deur van die [X] gestaan en/of zich op het erf/terrein van die [X] begeven en/of;

- een houten hart van die [X] weggenomen en/of de poort van die [X] vernield en/of de hond van die [X] (zonder overleg) meegenomen en/of etenswaren uit de schuur van die [X] weggenomen en/of goederen uit de voortuin van die [X] weggenomen;

2.
hij op of omstreeks 8 juni 2012 te [Z] opzettelijk en wederrechtelijk een houten poort (die toegang geeft tot een achtertuin), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [X], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.
hij in of omstreeks de periode van 22 juli 2012 tot en met 24 juli 2012 te [Z] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een houten hart, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [X], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij in de periode van 28 mei 2012 tot en met 24 juli 2012 te [Z] wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [X], met het oogmerk die [X] te dwingen iets te doen en/of te dulden, immers heeft verdachte tegen de wil van die [X]:

- een groot aantal malen contact gezocht met die [X] via sms en what's app en e-mail en telefoon en

- zich meermalen naar het huis van die [X] begeven en meermalen aan de deur van die [X] gestaan en zich op het erf/terrein van die [X] begeven en

- een houten hart van die [X] weggenomen en de hond van die [X] zonder overleg meegenomen en etenswaren uit de schuur van die [X] weggenomen;

2.
hij op 8 juni 2012 te [Z] opzettelijk en wederrechtelijk een houten poort (die toegang geeft tot een achtertuin), toebehorende aan [X], heeft beschadigd;

3.
hij in de periode van 22 juli 2012 tot en met 24 juli 2012 te [Z] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een houten hart toebehorende aan [X].

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

Belaging.

Dit feit is strafbaar gesteld bij artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Dit feit is strafbaar gesteld bij artikel 350, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

Diefstal.

Dit feit is strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    het feit dat de bewezenverklaarde belaging zich uitstrekt over een periode van 2 maanden en verdachte tijdens die periode zich ook heeft schuldig gemaakt aan diefstal en beschadiging van een goed van het slachtoffer;

  • -

    de mate waarin de bewezenverklaarde gedragingen een inbreuk hebben gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer;

  • -

    de mate waarin het bewezenverklaarde bij het slachtoffer en haar omgeving gevoelens van angst en onzekerheid heeft veroorzaakt.

Zonder afbreuk te doen aan de angst- en onlustgevoelens van de aangeefster - die de verdachte moeten worden aangerekend - stelt het hof daarnaast vast dat de belaging niet gepaard is gegaan met harde bedreiging of directe fysieke agressie.

Verder acht het hof van belang dat niet is gebleken dat de verdachte, na zijn inverzekeringstelling, zich nogmaals aan belaging heeft schuldig gemaakt.

In verband met de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 30 september 2014, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder door een strafrechter is veroordeeld.

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Gelet op al het vorenoverwogene acht het hof het opleggen van een taakstraf voor de duur van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 40 uur, subsidiair 20 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [X] als hierna bepaald, passend en geboden.

Vorenbedoeld contactverbod met [X] strekt ertoe om te verzekeren dat [X] gedurende de proeftijd niet met verdachte wordt geconfronteerd. Dit contactverbod strekt zich niet tevens uit tot de kinderen van [X], zoals gevorderd door de advocaat-generaal, nu de bewezen verklaarde feiten - in het bijzonder de belaging – enkel op [X] waren gericht.

Het hof ziet geen reden om aan het voorwaardelijke gedeelte van de hiervoor vermelde taakstraf als bijzondere voorwaarde ook een straatverbod te verbinden zoals gevorderd door de advocaat-generaal, nu niet is gebleken dat verdachte na zijn aanhouding in verband met onderhavige feiten op 24 juli 2012 nog op enigerlei wijze heeft getracht [X] in de buurt van haar woning te benaderen dan wel op andere wijze met [X] in contact is getreden.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [X] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.303,18. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.048,18, te vermeerderen met de wettelijke rente . De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Naar het oordeel van het hof komt de benadeelde partij in aanmerking voor vergoeding van immateriële schade, aangezien zij door de belaging (feit 1) is aangetast in haar fundamentele rechten, in het bijzonder schending van de persoonlijke levenssfeer en de veiligheid van de woning met bijbehorend erf. Aldus is sprake van aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot deze schade naar billijkheid op € 1000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2012 (zijnde de laatste dag van de bewezenverklaarde delictsperiode) tot aan de dag der algehele voldoening. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. De meer gevorderde immateriële schade wordt afgewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voorts voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 38,21, (de posten 2,4 en 6 op het voegingsformulier en van post 5 de onderdelen schade slot poort, kosten telefoonnummer en houten hart) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is verder onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij met betrekking tot de door haar als gestolen opgegeven etenswaren schade heeft geleden, nu verdachte heeft verklaard dat hij deze etenswaren zelf had gekocht en verder niet is gebleken dat deze etenswaren van de benadeelde partij waren. Verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor een bedrag van € 9,97 zal worden afgewezen.

Voor het overige, te weten het houten hart met krijtbordje en de beschadigde planten, is niet gebleken dat de gestelde schade door het bewezenverklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom voor het overige in haar vordering niet worden ontvangen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 285b, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen de vrijspraak van de in de inleidende dagvaarding onder 3 impliciet cumulatief ten laste gelegde diefstal van ‘een of meer planten (uit de voortuin) en/of een tuinbank’.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd is verboden contact op te nemen, te zoeken of te hebben - in welke vorm dan ook, ook niet via derden - met [X], geboren 8 april 1970 te 's-Gravenhage, een en ander met dien verstande dat onder dit contactverbod niet vallen contacten van of door tussenkomst van de advocaat van verdachte met genoemde persoon.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [X] ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.038,21 (duizend achtendertig euro en eenentwintig cent) bestaande uit € 38,21 (achtendertig euro en eenentwintig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst af de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige, te weten een bedrag van € 1.209,97 (duizend tweehonderdnegen euro en zevenennegentig cent) bestaande uit € 9,97 (negen euro en zevenennegentig cent) materiële schade en € 1.200,00 (duizend tweehonderd euro) immateriële schade.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [X], een bedrag te betalen van € 1.038,21 (duizend achtendertig euro en eenentwintig cent) bestaande uit € 38,21 (achtendertig euro en eenentwintig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. N.J.M. Ruyters, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. N. van der Laan, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.R. Veldt, griffier,

en op 24 november 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. N. van der Laan is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.