Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5213

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
12-12-2014
Zaaknummer
F 200.148.599_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 11 december 2014

Zaaknummer: F 200.148.599/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/179728 / FA RK 13-681

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. T.H. Dijkstra,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. K.M.C. Jansen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 30 januari 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 april 2014, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt: voor zover het betreft de beslissing omtrent het gezag) en alsnog te beslissen dat de beide ouders met het gezamenlijk gezag over de hierna nader te noemen minderjarige kinderen worden belast, met veroordeling van de moeder in de kosten van beide/deze instantie(s), een en ander, voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 juni 2014, heeft de moeder verzocht om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vader in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem dit beroep als ongegrond en onbewezen te ontzeggen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Dijkstra;

- de moeder, bijgestaan door mr. Jansen;

- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger raad].

2.3.1.

Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige [dochter 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 15 oktober 2014. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de processen-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 30 mei 2013 en op

8 januari 2014;

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 16 oktober 2014;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 16 oktober 2014;

- de brief met bijlage van de advocaat van de vrouw d.d. 20 oktober 2014.

2.4.1.

De brief van de kinder- en jongerenrechtswinkel Limburg van 23 oktober 2014, die ter griffie is ingekomen op 24 oktober 2014, zal het hof niet bij zijn beoordeling betrekken. Op de eerste plaats gaat het hier niet om een brief van [dochter 1] zelf, maar van een medewerker van de rechtswinkel - in deze procedure partij noch belanghebbende - die verslag doet van een telefonisch onderhoud met [dochter 1]. Verder blijkt uit dit verslag dat het onderwerp van gesprek de hoofdverblijfplaats van [dochter 1] was. Deze kwestie ligt in de onderhavige procedure evenwel niet aan het hof voor.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit de relatie van partijen zijn geboren:

- [dochter 1] (hierna: [dochter 1]), op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],

- [dochter 2] (hierna: [dochter 2]), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats]

De vader heeft de kinderen erkend.

De moeder oefent van rechtswege het gezag over de kinderen uit.

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, het verzoek van de vader om samen met de moeder met het gezag over de kinderen te worden belast afgewezen.

3.3.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De vader voert - kort samengevat - het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat sprake is van het zogenaamde klemcriterium. Er is voorbij gegaan aan het feit dat de omgang tussen de vader en de kinderen goed verloopt. Partijen zijn in staat om hierover op een constructieve wijze met elkaar te communiceren. Volgens de vader is er nog onvoldoende hulpverlening ingezet om de communicatie tussen de ouders te verbeteren. Het enkele feit bovendien dat communicatie tussen de ouders ontbreekt is onvoldoende om hen niet gezamenlijk met het ouderlijk gezag te belasten. De vader wijst in dit verband op een

zogeheten maatwerkbeslissing van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 19 december 2012

(ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ7099).

De vader maakt zich zorgen over de situatie van de kinderen bij de moeder. De moeder weigert daarover met de vader in overleg te treden. Zij houdt zich onvoldoende aan haar informatie- en consultatieverplichting. Hulpverlening is volgens de vader aangewezen. De vader betwist dat hij de loyaliteitsproblematiek bij de kinderen versterkt.

Indien de vader samen met de moeder met het ouderlijk gezag wordt belast, wordt hij meer betrokken bij alle belangrijke beslissingen aangaande de kinderen en is hij niet langer afhankelijk van de moeder om hem op de hoogte te houden van de ontwikkeling van de kinderen. De vader kan thans geen informatie inwinnen bij de school van de kinderen. Hij krijgt ook geen inzage in medische dossiers van de kinderen. De vader heeft niet de bedoeling om zich te gaan bemoeien met de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen bij de moeder thuis.

Volgens de vader is de door [dochter 1] aan het hof opgestuurde brief opgesteld door de moeder.

3.5.

De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan. Al sinds de feitelijke scheiding zijn de ouders niet in staat om met elkaar te communiceren. Er vindt thans nog steeds geen behoorlijk overleg tussen partijen plaats. Zo heeft de vader onlangs in een omgangsweekend zonder overleg met de moeder de haren van [dochter 2] heel kort laten knippen. De vader toont geen enkel respect jegens de moeder. De vader communiceert rechtstreeks met de kinderen omtrent de omgangsregeling en de hulpverlening. De vader betrekt de kinderen in de strijd tussen de ouders en uit verwijten jegens de moeder naar de kinderen toe. Hij hoort de kinderen ook uit over de thuissituatie bij de moeder. De vader heeft al diverse onterechte zorgmeldingen gedaan. De moeder verwacht niet dat er op korte termijn een verbetering in de communicatie tussen partijen zal optreden. De kinderen zitten al klem tussen de ouders en een toewijzing van het verzoek van de vader zal de situatie alleen maar erger maken.

De moeder betwist dat zij de vader niet informeert over de kinderen. Daarnaast heeft de moeder de school toestemming gegeven om informatie over de kinderen aan de vader te verschaffen.

De door de vader genoemde maatwerkbeslissing van het hof ’s-Gravenhage biedt in deze zaak geen soelaas. Ook een zogenaamd “uitgekleed gezag” is, gelet op de negatieve houding van de vader jegens de moeder, niet in het belang van de kinderen.

3.6.

De raad heeft ter zitting geadviseerd de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen. De ouders zijn op geen enkele wijze in staat samen beslissingen over de kinderen te nemen. Zij zijn in een voortdurende strijd met elkaar verwikkeld, waarbij de vader de moeder diskwalificeert. De kinderen zitten klem tussen de ouders. Indien de situatie tussen de ouders niet verbetert, zullen de kinderen problemen gaan ontwikkelen.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.
Indien de moeder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.7.2.

Voor gezamenlijk gezag is vereist dat ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders. Uit het rapport van de raad van 25 oktober 2013 blijkt dat er ernstige communicatie- problemen bestaan tussen de ouders. De ouders zijn enkel in staat de omgangsregeling in praktische zin uit te voeren. De stelling van de vader dat de verstandhouding tussen de ouders de afgelopen periode verbeterd is, is door de moeder gemotiveerd betwist en staat derhalve niet vast. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof voorts gebleken dat de ouders - en met name de vader - elkaar over en weer diskwalificeren als ouder. Volgens de raad is thans reeds sprake van een klemsituatie bij de kinderen. De kinderen worden geconfronteerd met een aanhoudende strijd en er is in het bijzonder bij de vader een gebrek aan inzicht in de loyaliteitsgevoelens van de kinderen ten aanzien van beide ouders.

Evenals de rechtbank en met de raad kan het hof op grond van het voorgaande - de ernstige communicatieproblemen tussen de ouders en de houding van de ouders ten opzichte van elkaar - niet anders dan concluderen dat er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen (nog meer) klem of verloren zullen raken tussen de ouders op het moment dat zij gezamenlijk beslissingen moeten nemen over de kinderen. Het hof acht het niet aannemelijk dat deze situatie binnen een afzienbare termijn zal verbeteren.

Een zogenaamde maatwerkbeslissing als genomen door het gerechtshof ’s-Gravenhage in zijn beschikking van 19 december 2012 is naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak niet aan de orde. Gebleken is dat de vader - anders dan de vader in voormelde maatwerkbeschikking - niet in staat is de moeder de ruimte te laten om de dagelijkse opvoedingsbeslissingen ten aanzien van de kinderen te nemen en de moeder daarin te respecteren, waarbij het hof nog wil benadrukken dat de zorgen van de vader over de opvoedingssituatie van de kinderen bij de moeder thuis noch door de raad noch door een van de betrokken zorgverleners worden bevestigd.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof evenals de rechtbank het verzoek van de vader om hem samen met de moeder met het ouderlijk gezag over de kinderen te belasten zal afwijzen.

De beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient derhalve te worden bekrachtigd.

3.9.

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen een relatie hebben gehad. Voor veroordeling van de moeder in de proceskosten, zoals door de vader is verzocht, ziet het hof, gelet op de aard en ook op de uitkomst van deze procedure, geen aanleiding.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 30 januari 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in beide instanties, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, C.A.R.M. van Leuven en

M.L.F.J. Schyns en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2014.