Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5208

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
F 200.144.362_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 11 december 2014

Zaaknummer: F 200.144.362/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/180800 / FA RK 13-1009

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw],

wonende te

[woonplaats],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel

,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.W. Pieters,

tegen

[de man],

wonende te

[woonplaats],

verweerder in principaal appel,

appellant in incidenteel appel

,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. T.G.M. Scheers.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 december 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 maart 2014, heeft de vrouw verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en zo nodig onder verbetering van de gronden de man alsnog in zijn verzoek in eerste aanleg niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de man het door hem verzochte te ontzeggen als ongegrond, ongerechtvaardigd en niet steunende op de wet en de kosten van deze procedure te compenseren nu partijen gewezen partners zijn.

2.2.

Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 20 mei 2014, heeft de man verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw ter zake het appel tegen voormelde beschikking niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de grieven van de vrouw te verwerpen als ongegrond dan wel niet bewezen en aldus eventueel onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, het verzoek van de vrouw in appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze te ontzeggen dan wel af te wijzen en voorts de vrouw te veroordelen in de kosten van beide instanties.

Tevens heeft de man incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen in zoverre door te bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2014, althans met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarige [de dochter] nader wordt vastgesteld op nihil, althans een door het hof te bepalen bedrag, voor wat betreft de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling en de vrouw te veroordelen in de kosten van het incidenteel appel,

2.3.

Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 1 juli 2014, heeft de vrouw verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken in het incidenteel appel af te wijzen en het appel ongegrond te oordelen en de kosten van deze procedure te compenseren, nu partijen gewezen partners zijn.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 november 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    mr. Pieters;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Scheers.

2.4.1.

De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.2.

Het hof heeft de minderjarige [de dochter] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 12 december 2013;

  • -

    de handgeschreven brief van de man d.d. 12 januari 2014 en de handgeschreven brief van de vrouw d.d. 19 januari 2014, ingekomen ter griffie op 2 juli 2014;

  • -

    het V6-formulier van de advocaat van de man d.d. 21 oktober 2014 met bijlagen.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit de relatie van partijen is geboren:

- [de dochter] (hierna: [de dochter]), op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats].

De man heeft [de dochter] erkend. De man en de vrouw oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de dochter] uit. [de dochter] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2.

Bij beschikking van 6 maart 2012, waarvan wijziging wordt gevraagd, heeft dit hof – voor zover thans van belang – bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] aan de vrouw een bedrag van € 200,- per maand dient te betalen.

De bijdrage voor [de dochter] beliep ingevolge de wettelijke indexering per 1 januari 2013 € 203,40 per maand en beloopt per 1 januari 2014 € 205,23 per maand.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover thans van belang, voormelde beschikking van 6 maart 2012 gewijzigd in die zin dat de daarbij aan de man opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter], over de periode van 30 maart 2013 tot 1 oktober 2013 is bepaald op nihil en heeft de proceskosten tussen partijen gecompenseerd in die zin dat elk van hen de eigen kosten draagt en het meer of anders verzochte afgewezen.

3.4.

Partijen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De grieven van vrouw richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrek-king tot de behoefte van [de dochter] en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

In incidenteel appel heeft de man zijn verzoek vermeerderd in die zin dat hij thans ook over de periode vanaf 1 januari 2014 om nihilstelling van de door hem te betalen onderhoudsbijdrage verzoekt.

Ingangsdatum wijziging

3.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat 30 maart 2013 de ingangsdatum is van de (eventuele) wijziging van de bestaande onderhoudsbijdrage.

Voorts is niet in geschil dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen verschillende periodes. De man verzoekt immers nihilstelling van de door hem te betalen onderhoudsbijdrage over de periode van 30 maart 2013 tot 1 oktober 2013 en voor de periode vanaf

1 januari 2014.

Behoefte kind

3.7.

De behoefte van [de dochter] is in hoger beroep in geschil.

3.8.

[de dochter] staat sinds 30 maart 2012 onder toezicht van Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna: de stichting).

Bij beschikking van 19 maart 2013 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, met ingang van 30 maart 2013 de ondertoezichtstelling van [de dochter] verlengd voor de duur van één jaar en aan de stichting een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de dochter] in een accommodatie van een zorgaanbieder voor geïndiceerde jeugdzorg met ingang van 30 maart 2013 voor de duur van één jaar.

Het hof kan uit de stukken niet opmaken in welke periode [de dochter] uithuisgeplaatst is geweest, maar acht op basis van de stellingen van partijen aannemelijk dat zij feitelijk met ingang van 30 maart 2013 tot eind augustus 2013 in een accommodatie heeft verbleven als hiervoor bedoeld.

3.9.

Bij beschikking van 21 maart 2014 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, uitvoerbaar bij voorraad, de termijn van de ondertoezichtstelling verlengd met ingang van 30 maart 2014 voor de duur van één jaar en aan de stichting een machtiging verleend om [de dochter] met ingang van 30 maart 2014 voor de termijn van één jaar in een accommodatie van een zorgaanbieder voor geïndiceerde jeugdzorg te plaatsen.

Op basis van de stellingen van de man, die niet of onvoldoende zijn betwist, stelt het hof vast dat [de dochter] met ingang van 5 januari 2014 (tijdelijk) bij de man verbleef en dat zij daarna op basis van de machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie verbleef als hiervoor bedoeld.

3.10.

De rechtbank heeft in het licht van eerstgenoemde uithuisplaatsing als volgt overwogen.

“De behoefte van een minderjarige met gescheiden wonende ouders wordt tijdens de uithuisplaatsing begrensd door de kosten die door de verzorgende ouder in verband daarmee daadwerkelijk worden gemaakt. Vanaf het moment dat de minderjarige uit huis is geplaatst, heeft de verzorgende ouder - en dat is hier de vrouw - niet meer de feitelijke verzorging en opvoeding, zodat zij alleen een bijdrage van de man kan vragen voor zover zij zelf kosten voor de minderjarige maakt. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de bijdrage die de vrouw zelf kan voldoen.

De rechtbank gaat ervan uit dat deze kosten voor de vrouw in ieder geval de ouderbijdrage in de zin van artikel 72 van de Wet op de jeugdzorg omvatten. Op die kosten komt de kinderbijslag in mindering en eventueel ook het kindgebondenbudget.

De in het kader van een uithuisplaatsing verschuldigde ouderbijdrage wordt krachtens de wet vastgesteld. De hoogte van die bijdrage is niet afhankelijk van het inkomen van de ouders, maar van de leeftijd van het kind, de zorg die het kind krijgt en het aantal dagen per week dat het kind uit huis is geplaatst. Bij het vaststellen van de ouderbijdrage is rekening gehouden met andere kosten die de ouders nog voor het kind hebben, zoals bezoekkosten, schoolgeld, verzekeringen of verblijfkosten in het weekend en vakanties.

Voor vaststelling van de omvang van de behoefte van de minderjarige kan in dit geval van de verzorgende ouder worden gevergd dat zij alle kosten aannemelijk maakt die voor de minderjarige worden uitgegeven. De moeder heeft zich op het standpunt gesteld dat [de dochter] tijdens de uithuisplaatsing ten volle behoefte heeft gehad aan de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie. Gezien de gemotiveerde betwisting door de man van de behoefte van [de dochter] gedurende de uithuisplaatsing, had het evenwel op de weg van de moeder gelegen om de kosten (de behoefte) van de minderjarigen aannemelijk te maken, bijvoorbeeld door overlegging van door haar betaalde rekeningen. Niet is gesteld, laat staan gebleken, dat de vrouw de ouderbijdrage niet heeft kunnen voldoen uit de kinderbijslag en (eventueel) het kindgebondenbudget, noch dat zij naast de ouderbijdrage nog andere kosten in verband met [de dochter] heeft gemaakt gedurende de periode van de uithuisplaatsing.

De man heeft ter zitting onweersproken verklaard dat hij gedurende de periode van de uithuisplaatsing van [de dochter] (in overleg met de vrouw) de verschuldigde onderhoudsbijdrage rechtstreeks aan [de dochter] heeft overgemaakt en daarnaast ook nog andere kosten (waaronder kosten voor schoeisel en boetes) voor [de dochter] heeft betaald.”

3.11.

De vrouw heeft in hoger beroep aangevoerd dat [de dochter] in eerstgenoemde periode (van 30 maart 2013 tot eind augustus 2013) in goed overleg tussen de vrouw en de stichting, derhalve op vrijwillige basis, uit huis is geplaatst. De vrouw biedt bewijs aan van die stelling. De kosten van de vrouw zijn, gelet op het vrijwillige karakter van de uithuisplaatsing, niet beperkt gebleven tot de kosten als bedoeld in artikel 72 van de Wet op de jeugdzorg (Wjz).

Anders dan de rechtbank overweegt verandert volgens de vrouw de behoefte van [de dochter] niet door een verblijf al dan niet op vrijwillige basis in een ‘uithuisplaatsingssituatie’. De behoefte wordt bepaald door het gezamenlijk inkomen dat partijen hadden ten tijde van het uiteengaan, aldus de vrouw.

Bovendien is het tijdelijke verblijf van [de dochter] buiten het gezin van de vrouw geen wijziging van omstandigheden die een wijziging van de kinderalimentatie rechtvaardigt.

Alle kosten die de vrouw heeft voor [de dochter], had zij ook in de korte periode dat [de dochter] elders heeft verbleven. De vrouw heeft een inkomen op bijstandsniveau en anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, heeft zij de kosten voor bezoeken aan [de dochter] en voor het aanhouden van de woonruimte wél gemaakt.

3.12.

De man stelt dat de vrouw op geen enkele wijze bewijs heeft aangedragen van haar stellingen. Voorts vraagt de man zich af wat het nut is van de grief van de vrouw, gelet op het verzoek dat in eerste aanleg aan de rechtbank is voorgelegd. De kosten die verband hielden met [de dochter] zijn door de man volledig voldaan. De overwegingen van de rechtbank in dit kader gelden in appel nog steeds. De vrouw had de kosten die zij ten behoeve van [de dochter] maakte, dienen aan te tonen. Tot op heden heeft de vrouw dit nagelaten.

De man stelt voorts dat de vrouw ook sinds 5 januari 2014 geen bijdrage levert in de kosten van [de dochter] en dat de man aldus geen onderhoudsbijdrage aan de vrouw verschuldigd is. De man verzoekt derhalve ook voor wat betreft de periode vanaf 1 januari 2014 de door hem aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage op nihil te stellen.

3.13.

Het hof oordeelt als volgt.

3.13.1.

Het hof gaat ervan uit dat [de dochter] in 2013 niet op vrijwillige basis uithuisgeplaatst was, nu uit voormelde, door de vrouw in het geding gebrachte beschikking d.d. 19 maart 2013 blijkt dat daarbij onder meer voor de uithuisplaatsing van [de dochter] een machtiging aan de stichting was verleend. Gelet op het voorgaande gaat het hof dan ook voorbij aan het bewijsaanbod van de vrouw.

Het hof ziet in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het in vaste jurisprudentie bij de behoeftebepaling van een uithuisgeplaatste minderjarige gehanteerde uitgangspunt, dat de rechtbank uitvoerig en op een juiste wijze in de bestreden beschikking uiteen heeft gezet (zie ook bijvoorbeeld HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO8484). Het hof stelt vast dat de vrouw, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, op geen enkele wijze heeft onderbouwd welke concrete kosten zij ten behoeve van [de dochter] heeft gemaakt, die niet konden worden voldaan uit de kinderbijslag en het kindgebonden budget. Dit had wel op haar weg gelegen, temeer nu de man de stellingen van de vrouw herhaaldelijk en gemotiveerd heeft betwist.

3.13.1.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de rechtbank terecht en op de goede gronden heeft geoordeeld dat, voor wat betreft genoemde periode in 2013 waarin [de dochter] feitelijk uithuisgeplaatst was, de door de man te betalen kinderbijdrage dient te worden vastgesteld op nihil. Nu in hoger beroep is gebleken dat [de dochter] feitelijk tot eind augustus 2013 (derhalve niet, zoals de rechtbank heeft vastgesteld, tot medio september 2013) uithuisgeplaatst was, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en de door de man te betalen kinderbijdrage nader vaststellen op nihil voor zover het de periode van 30 maart 2013 tot 1 september 2013 betreft.

Op grond van al het voorgaande zal het hof eveneens voor wat betreft de periode vanaf 5 januari 2014 de door de man te betalen onderhoudsbijdrage nader vaststellen op nihil en in zoverre het verzoek van de man in incidenteel appel toewijzen.

3.14.

Het hof beslist derhalve als na te melden.

Proceskosten

3.15.

De man heeft verzocht de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep (zowel in principaal als in incidenteel appel).

De man heeft daartoe aangevoerd dat het standpunt van de rechtbank duidelijk was. De vrouw is desondanks van die beslissing in appel gekomen. De vrouw heeft aan haar stellingen evenwel nog geen begin van onderbouwing c.q. bewijs ten grondslag gelegd. De man heeft door de proceshouding van de vrouw onnodig kosten moeten maken terwijl de vrouw (nagenoeg) kosteloos procedeert omdat zij voor een toevoeging in aanmerking komt.

3.16.

Het hof stelt vast dat, hoewel het oordeel van de rechtbank duidelijk en in overeenstemming met vaste jurisprudentie was, de vrouw van die beslissing toch appel heeft ingesteld. De vrouw heeft evenwel ook in hoger beroep geen enkel bewijs van haar stellingen geleverd, terwijl zij door de rechtbank en in het kader van het verweer van de man in hoger beroep, erop is gewezen dat relevante stukken die haar stellingen zouden kunnen onderbouwen, ontbreken. Voorts heeft de vrouw het standpunt gehandhaafd dat [de dochter] per 30 maart 2013 op vrijwillige basis uit huis was geplaatst, terwijl uit de door haarzelf overgelegde beschikking d.d. 19 maart 2013 duidelijk blijkt dat voor die plaatsing een machtiging aan de stichting was verleend. Daarbij komt dat de vrouw zelf niet ter zitting is verschenen en het derhalve heeft nagelaten een mondelinge toelichting op haar standpunt en de feitelijke gang van zaken te geven en het hof aldus niet in staat heeft gesteld daarover vragen te stellen.

Het hof acht op grond van al het voorgaande voldoende gronden aanwezig om de vrouw te veroordelen in de door de man gemaakte kosten in de procedure in hoger beroep.

Het hof begroot die kosten, conform het liquidatietarief in principaal en incidenteel appel ad € 632,- per punt, op € 1.896,-, rekening houdend met door de man in hoger beroep gemaakte kosten verbonden aan het voeren van verweer (één punt) en het instellen van incidenteel appel (één punt) en het zich ter zitting van het hof laten bijgestaan door zijn advocaat (één punt), nog te vermeerderen met het door de man betaalde griffierecht ad € 308,-, derhalve in totaal op € 2.204,-.

3.17.

Al het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing van het hof.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 december 2013;

en opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van dit hof van 6 maart 2012, doch uitsluitend voor zover het de kinderalimentatie betreft;

stelt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter], geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats], nader vast op nihil voor zover het betreft:

  • -

    de periode van 30 maart 2013 tot 1 september 2013;

  • -

    de periode vanaf 5 januari 2014;

veroordeelt de vrouw tot de betaling van de door de man in de procedure in hoger beroep gemaakte kosten, die het hof vaststelt op € 2.204,-;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, M.C. van Dijkhuizen en A.M.M. Hompus en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2014.