Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5202

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-12-2014
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
13-00786 tot en met 13-00799
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aangezien het in rekening brengen van aanmaningskosten en kosten van betekening van dwangbevelen, gezien art. 2 en 3 van de Kostenwet, een rechtstreeks gevolg is van het verrichten van invorderingswerkzaamheden van art. 1 van de Kostenwet, heeft de Rechtbank met haar oordelen over de voortijdigheid van de aanmaningen en de betekening van de dwangbevelen de grenzen van haar absolute competentie niet miskend. Belanghebbende beschikte voor de betaling van de belastingschuld over voldoende vermogensbestanddelen en hij was bereid andersoortige zekerheden te stellen dan de door de Ontvanger geëiste. Van vrees dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad, is geen sprake. Er was geen reden hangende belanghebbendes administratief beroep de invordering door te zetten, zodat de Ontvanger belanghebbende toen ten onrechte heeft aangemaand. Belanghebbende is, nadat op het administratief beroep was beslist, niet aangemaand, zodat belanghebbende in het geheel niet rechtsgeldig is aangemaand. Dat betekent dat evenmin rechtsgeldig dwangbevelen konden worden betekend, en dus de daarmee gepaard gaande kosten evenmin rechtsgeldig konden worden berekend.

Wetsverwijzingen
Kostenwet invordering rijksbelastingen 2
Kostenwet invordering rijksbelastingen 3
Kostenwet invordering rijksbelastingen 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/47
V-N 2015/22.18 met annotatie van Redactie
FutD 2015-0100
mr. R.B.H. Beune annotatie in NTFR 2015/597
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 13/00786 tot en met 13/00799

Uitspraak op het hoger beroep van

de ontvanger van de Belastingdienst/Midden- en Kleinbedrijf kantoor Tilburg, voorheen Belastingdienst/Oost-Brabant,

hierna: de Ontvanger,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 8 mei 2013, nummers AWB 11/5811 tot en met AWB 11/5824, inzake het geding tussen:

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

hierna: belanghebbende

en

de Ontvanger,

betreffende na te noemen beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 6 juli 2011 voor elke van de elf aan hem met boete opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PV) over de jaren 1997 tot en met 2007, alsmede voor elke van de drie aan hem met boete opgelegde navorderingsaanslagen vermogensbelasting (hierna: VB) over de jaren 1998 tot en met 2000 (hierna: de navorderingsaanslagen) een dwangbevel uitgevaardigd. Daarbij zijn bij beschikking kosten van betekening van veertien dwangbevelen tot een totaalbedrag van € 42.040 in rekening gebracht. Na daartegen, verenigd in een geschrift, gemaakt bezwaar, heeft de Ontvanger, bij in één geschrift vervatte uitspraken van 19 oktober 2011, de kosten van betekening verminderd tot een totaalbedrag van € 11.246.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in één geschrift verenigd in beroep gekomen bij de Rechtbank. Dit beroep heeft de Rechtbank aangemerkt als veertien zaken en geregistreerd onder de nummers AWB 11/5811 tot en met AWB 11/5824. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende eenmaal, in de zaak met nummer AWB 11/5811, een bedrag van € 41 aan griffierecht geheven.

1.3.

De Rechtbank heeft de beroepen bij in één geschrift vervatte uitspraken gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar, alsmede de beschikkingen inzake de kosten van betekening vernietigd en vergoeding van griffierecht en van proceskosten gelast.

1.4.

Tegen deze uitspraken heeft de Ontvanger in één geschrift verenigd hoger beroep ingesteld. Dit hoger beroep heeft het Hof aangemerkt als veertien zaken en geregistreerd onder de kenmerken 13/00786 tot en met 13/00799. Belanghebbende heeft verenigd in één geschrift verweer gevoerd.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting bij brief van 21 januari 2014 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting (van de zaken bij het Hof bekend onder de kenmerken 13/00786 tot en met 13/00799) heeft plaatsgehad op 10 februari 2013 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens belanghebbende, mevrouw [A], advocaat te [B], alsmede, namens de Ontvanger, de heren [C] en [D].

1.7.

Partijen hebben ieder te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.8.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten

1.9.

Van het onderzoek ter zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Nu de uitspraak van de Rechtbank geen afzonderlijke vaststelling van de feiten bevat, stelt het Hof de feiten op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting in eerste en tweede aanleg als volgt vast:

2.1.

Met dagtekeningen 27 en 31 december 2010 zijn aan belanghebbende de navorderingsaanslagen opgelegd. De ingevolge de navorderingsaanslagen verschuldigde bedragen van in totaal € 620.902 dienden uiterlijk op 27 respectievelijk 31 januari 2011 te zijn voldaan. Bij brieven van 4 februari 2011 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen, alsmede verzocht om uitstel van betaling van, de navorderingsaanslagen.

2.2.

Bij brief van 28 februari 2011 heeft de Ontvanger medegedeeld dat slechts dan uitstel van betaling zal worden verleend indien belanghebbende voldoende zekerheid geeft dat de belastingschuld volledig wordt betaald, dat belanghebbende indien nodig over de vorm van de zekerheid contact met de Ontvanger kan opnemen, alsmede voorgesteld dat uiterlijk binnen veertien dagen na dagtekening van deze brief de vereiste zekerheid wordt verschaft. Naar aanleiding van deze brief heeft een briefwisseling en telefonisch contact tussen belanghebbende en de Ontvanger plaats. Bij brief van 18 april 2011 heeft de Ontvanger het verzoek om uitstel van betaling afgewezen omdat belanghebbende niet tijdig voldaan heeft aan de door de Ontvanger gestelde eis om vóór 15 april 2011 zekerheid te stellen. Hiertegen heeft belanghebbende bij brief van 27 april 2011 gericht aan de directeur van de Belastingdienst en geadresseerd aan de Ontvanger, administratief beroep ingesteld.

2.3.

Bij brief van 2 mei 2011 bevestigt de Ontvanger belanghebbende de ontvangst van het administratief beroep en deelt hem mee dit beroep aan de directeur van de Belastingdienst door te zenden, alsmede dat belanghebbende binnen acht weken bericht ontvangt.

De Ontvanger besluit deze brief, met de mededeling dat hij, ondanks het ingediende beroepsschrift, de nodige maatregelen zal nemen die de belangen van de Staat waarborgen.

2.4.

In de brief van 4 mei 2011, waarin belanghebbende de ontvangst van de brief van 2 mei 2011 bevestigt, herhaalt hij dat de Ontvanger niet aannemelijk heeft gemaakt dat is voldaan aan de voorwaarden waaronder voor uitstel van betaling zekerheid in het kader van artikel 25 van de Invorderingswet 1990 verlangd kan worden, alsmede dat hij uit pragmatisch oogpunt wel zekerheid wil bieden voor een deel van het openstaande bedrag, maar niet voor de bij de navorderingsaanslagen opgelegde boeten, alsmede dat hij bereid is in plaats van zekerheidstelling middels een hypotheekrecht een verklaring af te leggen dat het onroerend goed niet zal worden vervreemd of bezwaard zonder daartoe de Ontvanger te consulteren.

Belanghebbende heeft de directeur van de Belastingdienst, onder toezending van een kopie van genoemde brief van 2 mei 2011, verzocht te interveniëren omtrent het opschorten van invorderingsmaatregelen. Bij brief van 12 mei 2011 deelt de directeur belanghebbende mee dat hij het administratief beroep mondeling kan toelichten, dat het de Ontvanger vrij staat om, in voorkomende gevallen, ondanks een administratief beroepsprocedure toch invorderingsmaatregelen te treffen en wijst belanghebbende op de klachtenprocedure.

2.5.

De Ontvanger heeft met dagtekening 30 mei 2011 voor de navorderingsaanslagen IB/PV over de jaren 1997 tot en met 2005 en elke navorderingsaanslag VB over de jaren 1998 tot en met 2000 een aanmaning verzonden en bij beschikkingen aanmaningskosten in rekening gebracht. Met dagtekening 6 juni 2011 heeft de Ontvanger voor elke navorderingsaanslag IB/PV over de jaren 2006 en 2007 een aanmaning verzonden en bij beschikkingen aanmaningskosten in rekening gebracht. Bij brief van 14 juni 2011 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de bij vermelde veertien aanmaningen in rekening gebrachte aanmaningskosten. In de uitspraken op bezwaar van 19 oktober 2011 heeft de Ontvanger de bezwaren ongegrond verklaard.

2.6.

Bij uitspraak van 16 juni 2011 heeft de directeur van de Belastingdienst het door belanghebbende ingestelde administratief beroep afgewezen. In deze uitspraak is, voor zover van belang, het volgende vermeld (waarbij de Ontvanger is aangeduid als de ontvanger en belanghebbende als uw cliënt):

“De ontvanger zal in het algemeen zekerheid vragen als de omvang van de belastingschuld in relatie tot de bekende verhaalsmogelijkheden daartoe aanleiding geven. Ook het in het verleden getoonde aangifte- en betalingsgedrag kan aanleiding zijn voor het vragen van zekerheid.

(....)

In de onderhavige kwestie heeft de ontvanger, daarbij rekening houdend met de huidige economische situatie, overwogen dat de bezittingen van uw cliënt in belangrijke mate uit onroerende zaken bestaan, waarbij herfinanciering in de rede kan liggen.

Hoewel het op voorhand niet uitgesloten kan worden dat het vastgoed (nader) bezwaard kan worden met hypothecaire zekerheid, zijn hier onvoldoende aanwijzingen voor, althans dit wordt door de ontvanger onvoldoende gemotiveerd.”

2.7.

Met dagtekening 6 juli 2011 heeft de Ontvanger voor elke van de navorderingsaanslagen een dwangbevel uitgevaardigd en daarbij bij beschikking kosten van betekening in rekening gebracht. De totale kosten van betekening bedragen € 42.040. Bij brief van 12 juli 2011 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de kosten van betekening. In de uitspraken op bezwaar van 19 oktober 2011 zijn de kosten van betekening verminderd tot € 11.246.

2.8.

Bij brief van 9 augustus 2011 heeft de Ontvanger belanghebbende meegedeeld dat uitstel van betaling voor de navorderingsaanslagen wordt verleend, nadat belanghebbende hypothecaire zekerheid ter zake van zijn eigen woning stelt tot een bedrag van € 500.000.

2.9.

Tegen de uitspraken van de Ontvanger van 19 oktober 2011 betreffende het bezwaar inzake de aanmaningskosten en dat inzake de kosten van betekening heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. In de zaken, bij de Rechtbank geregistreerd met de nummers AWB 11/5797 tot en met AWB 11/5810, betreffende de in rekening gebrachte aanmaningskosten heeft de Rechtbank op 8 mei 2013 (zie ECLI:NL:RBZWB:2013:CA3823) beslist, dat de aanmaningen voortijdig zijn verzonden en dat de beschikkingen inzake de aanmaningskosten vernietigd moeten worden. Tegen deze uitspraak van de Rechtbank heeft de Ontvanger geen hoger beroep ingesteld.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1. Is de Rechtbank, als bestuursrechter, bevoegd te beslissen over de vraag of de dwangbevelen vroegtijdig zijn verzonden en zo ja,

2. zijn de kosten van betekening ten onrechte dan wel in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel, in rekening gebracht?

Belanghebbende is van mening, dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Ontvanger is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Tijdens het onderzoek ter zitting hebben zij hun standpunten toegelicht

3.3.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en vergoeding van de door hem in hoger beroep gemaakte werkelijke proceskosten en van schade. De Ontvanger concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, ongegrondverklaring van het beroep en bevestiging van de uitspraken op bezwaar.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

De Rechtbank heeft overwogen (waarbij deze is aangeduid als de rechtbank en de Ontvanger als de ontvanger):

“2.6. Primair is in geschil of de dwangbevelen vroegtijdig zijn verzonden en of de kosten van betekening terecht in rekening zijn gebracht. Subsidiair is in geschil of sprake is van strijdigheid met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel.

2.7.

De rechtbank heeft in de zaken met procedurenummers 11/5797 tot en met 11/5810 betreffende de in rekening gebrachte aanmaningskosten in het kader van de navorderingsaanslagen IB/PV over de jaren 1997 tot en met 2007 en navorderingsaanslagen VB over de jaren 1998 tot en met 2000 op de beroepen van belanghebbende bij uitspraak van heden, waarvan een afschrift tegelijk met deze uitspraak aan partijen is verzonden, beslist dat de aanmaningen voortijdig zijn verzonden en dat de beschikkingen inzake aanmaningskosten vernietigd moeten worden.

2.8.

Op grond van artikel 12 van de Invorderingswet 1990 kan de invordering van de belastingaanslag geschieden bij een door de ontvanger uit te vaardigen dwangbevel. Het uitvaardigen van een dwangbevel kan alleen plaatsvinden als de belastingschuldige na aanmaning in gebreke blijft. Nu de aanmaningen, gelet op hetgeen hiervoor is vermeld, voortijdig zijn verzonden en de beschikkingen inzake aanmaningskosten door de rechtbank vernietigd zijn, is de rechtbank van oordeel dat geen kosten ter zake van de betekening van een dwangbevel in rekening gebracht kunnen worden. Het gelijk is derhalve aan belanghebbende.”

4.2.

De Ontvanger klaagt erover dat de Rechtbank in punt 2.6 inzake de geschilomschrijving heeft opgenomen, dat mede in geschil is of de dwangbevelen vroegtijdig zijn verzonden. De Ontvanger betoogt dat de bestuursrechter niet bevoegd is de rechtmatigheid van de uitgevaardigde dwangbevelen te beoordelen gelet op het systeem van de huidige wettelijke bepalingen waaronder tenminste verstaan moet worden artikel 17 van de Invorderingswet 1990 (hierna: de Invorderingswet) en artikel 7 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (hierna: de Kostenwet). Het oordeel of al dan niet terecht een dwangbevel op grond van artikel 12 van de Invorderingswet is uitgevaardigd (en betekend) is naar de opvatting van de Ontvanger voorbehouden aan de burgerlijke rechter (als restrechter). Hieraan verbindt de Ontvanger de conclusie dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd.

4.3.

Belanghebbende voert aan dat hij met de stelling dat de dwangbevelen ten onrechte zijn uitgevaardigd, geen verklaring voor recht heeft verzocht. Belanghebbende heeft betoogd dat door reeds aanmaningen te versturen alvorens hij in gebreke was er ter zake van de aanmaningen alsook ten aanzien van de later uitgebrachte dwangbevelen bij hem geen kosten in rekening konden worden gebracht. Zoals uit artikel 7 van de Kostenwet volgt, is de rechtsbescherming ter zake van de in rekening gebrachte aanmanings- en betekeningskosten bij de (fiscale) bestuursrechter neergelegd, aldus belanghebbende.

4.4.

Het Hof verwerpt het betoog van de Ontvanger. Tussen partijen is, naar het oordeel van het Hof terecht, niet in geschil dat de Rechtbank als bestuursrechter bevoegd was kennis te nemen van en te oordelen over de rechtmatigheid van de kosten die in rekening zijn gebracht ter zake van het verrichten van invorderingswerkzaamheden zoals omschreven in artikel 1 van de Kostenwet. Aangezien het in rekening brengen van dergelijke kosten, meer in het bijzonder aanmaningskosten en kosten van betekening van dwangbevelen, gezien artikel 2 onderscheidenlijk artikel 3 van de Kostenwet, een rechtstreeks gevolg is van het verrichten van de desbetreffende werkzaamheden, heeft de Rechtbank met haar oordelen over de voortijdigheid van de aanmaningen en de betekening van de dwangbevelen de grenzen van haar absolute competentie niet miskend. Dat de belastingschuldige die zich rechtstreeks wenst te verzetten tegen aanmaningen of de betekening van dwangbevelen als zodanig zich daartoe moet wenden tot de burgerlijke rechter, maakt dit niet anders.

4.5.

Met betrekking tot de in geschil zijnde kosten van betekening van de dwangbevelen betoogt de Ontvanger dat hij de rechtsoverweging in punt 2.7 van de uitspraak van de Rechtbank niet betwist. Dat de kostenbeschikking van de aanmaningen door de Rechtbank zijn vernietigd vanwege de voortijdige verzending van de aanmaningen, wil echter niet zeggen dat ook de dwangbevelen voortijdig zijn betekend, aldus de Ontvanger. Hij is van mening dat belanghebbende na ontvangst van de aanmaningen in gebreke is gebleven te betalen en dat in die situatie aan belanghebbende voor de betekening van de dwangbevelen kosten in rekening kunnen worden gebracht. De Ontvanger betoogt dat “het in gebreke zijn” wordt opgeschort door een verleend uitstel van betaling en dat aan belanghebbende geen uitstel van betaling was verleend, alsmede dat door het ingediende administratief beroep de betalingsverplichting niet wordt opgeschort. Aangezien belanghebbende al op de hoogte was van zijn belastingschuld en hij ruimschoots in de gelegenheid was gesteld zijn belastingschuld (tijdig) te voldoen, is belanghebbende, ook gedurende de behandeling van het administratief beroepschrift, steeds in gebreke gebleven het verschuldigde (tijdig) te voldoen, aldus de Ontvanger. Voorts bestrijdt de Ontvanger dat hij algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden. De Ontvanger heeft een afweging van de belangen van belanghebbende en van de Staat gemaakt en vanwege de belangen van de Staat vastgehouden aan de eis van het stellen van zekerheid door belanghebbende alvorens aan hem uitstel van betaling werd verleend. Het door belanghebbende instellen van administratief beroep is door de Ontvanger opgevat als een ondergraving van de belangen van de Staat. Bij de gemaakte belangenafweging heeft de Ontvanger in aanmerking genomen het aangiftegedrag van belanghebbende, zijn ontkenningen en gebrek aan medewerking. Ter zitting bij het Hof heeft de Ontvanger in dat verband verklaard, dat in het geval een “bekenner” of “inkeerder” uitstel van betaling verzoekt, zijn beslissing anders kan uitpakken, in die zin dat niet pro actief zekerheid wordt verlangd, en dat hij alsdan de uitspraak van de directeur op een ingediend administratief beroep zou hebben afgewacht, voordat invorderingsmaatregelen zouden worden getroffen.

4.6.

Belanghebbende kan zich vinden in de uitspraak van de Rechtbank en verwijst daarbij naar de uitspraak van de Rechtbank, in de zaken met nummers 11/5797 tot en met 11/5810, van 8 mei 2013 omtrent de in rekening gebrachte aanmaningskosten. Belanghebbende herhaalt dat hij ten tijde van de aanmaningen niet in gebreke was met de betaling van zijn belastingschulden en er ook anderszins geen omstandigheden aanwezig waren die noopten tot het doorzetten van de invordering. Tegen de uitspraak inzake de aanmaningskosten is de Ontvanger niet opgekomen, zodat die uitspraak in rechte vaststaat. Ingevolge artikel 12 van de Invorderingswet is het pas mogelijk een dwangbevel uit te reiken en daarbij kosten in rekening te brengen, als een belastingschuldige na aanmaning is gebreke blijft. Vanwege de omstandigheid dat belanghebbende ten tijde van de aanmaning niet in gebreke was, stelt hij dat er geen sprake is van een na de aanmaning in gebreke blijven. Belanghebbende voert aan dat hij pas na de bekendmaking van de uitspraak op het administratief beroep in gebreke was. Naar de mening van belanghebbende heeft de Ontvanger in dit geval niet voldaan aan artikel 12 van de Invorderingswet, in die zin dat de dwangbevelen met berekening van kosten zijn betekend, voordat belanghebbende na (hernieuwd) uitgereikte aanmaningen in gebreke was gebleven, zodat er geen grond is voor het in rekening van de kosten van betekening.

Hieraan voegt belanghebbende toe dat de Ontvanger ten onrechte geen onderscheid maakt tussen de uitleg van het begrip “belangen van de Staat” als het gaat om de zekerheidstelling in het kader van een verzoek om uitstel van betaling en waar het gaat om het treffen van invorderingsmaatregelen gedurende een (kortlopende) administratief beroepsprocedure. De Ontvanger heeft geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor het doorzetten van de invordering tijdens het administratief beroep en voorts blijkt uit de stukken van de Ontvanger niet dat de geschetste belangenafweging heeft plaatsgehad, aldus belanghebbende.

4.7.

Het Hof stelt voorop dat belanghebbende kennis heeft genomen van de navorderingsaanslagen, alsmede dat hij de op de navorderingsaanslagen verschuldigde bedragen niet binnen de gestelde termijn van uiterlijk op 27 respectievelijk 31 januari 2011 heeft voldaan. Belanghebbende was derhalve in gebreke de belastingschuld tijdig te betalen, hetgeen ertoe leidt dat de Ontvanger in beginsel tot de in artikel 11 en verder van de Invorderingswet geregelde dwanginvordering mocht overgaan. Bij de keuze van de Ontvanger om in de onderhavige situatie al of niet over te gaan tot dwanginvordering is de Ontvanger naar het oordeel van het Hof ingevolge de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gebonden aan de Leidraad invordering 2008 (hierna: de Leidraad).

4.8.

Ingevolge het bepaalde in artikel 25.7.1 van de Leidraad kan een belastingschuldige administratief beroep bij de directeur van de Belastingdienst instellen als de ontvanger een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel van betaling afwijst of een eerder verleend uitstel beëindigt. Gedurende de behandeling van het administratief beroep handelt de ontvanger overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd alsof het verzoek om uitstel van betaling is toegewezen. Sinds 1 januari 2010 is aan artikel 25.7.1 van de Leidraad toegevoegd dat in het geval er aanwijzingen zijn dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad, de ontvanger ondanks de behandeling van een administratief beroep invorderingsmaatregelen kan treffen. Het inroepen van deze uitzondering van de hoofdregel van artikel 25.7.1 van de Leidraad noopt de ontvanger tot het maken van een afweging van de belangen van de belastingschuldige en de belangen van de Staat. Bij het maken van die belangenafweging is sprake van een discretionaire bevoegdheid van de ontvanger. Of de belangenafweging in een bepaald geval redelijk is, zal de rechter slechts marginaal mogen toetsen.

4.9.

De Ontvanger heeft met betrekking de belangenafweging aangevoerd, dat met name het aangiftegedrag van belanghebbende, zijn ontkenningen en gebrek aan medewerking, waaronder begrepen moeten worden het verzwijgen van inkomsten en het in het buitenland stallen van het vermogen waarmee de inkomsten worden verkregen, de grootste aanleiding vormen om zekerheid te verlangen en te veronderstellen dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad. Hieraan heeft de Ontvanger toegevoegd dat de belangenafweging anders kan uitpakken als sprake van een “bekenner” of “inkeerder”, in die zin dat niet pro actief zekerheid wordt verlangd, en dat de uitspraak van de directeur op een administratief beroep wordt afgewacht, voordat invorderingsmaatregelen worden getroffen. Naar het oordeel van het Hof kan in deze omstandigheden, ook bij de onder 4.8 genoemde marginale toetsing, niet worden geoordeeld dat de Ontvanger in redelijkheid tot de keuze kon komen de belangen van de Staat te laten prevaleren boven die van belanghebbende en aldus reeds tijdens de behandeling van het administratief beroep de invordering door te zetten. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende onweersproken heeft gesteld met betrekking tot de betaling van de belastingschuld over voldoende vermogensbestanddelen te beschikken, alsmede dat hij bereid was zekerheid te stellen middels een verklaring dat hij onroerend goed niet zou verkopen of bezwaren dan na overleg met de Ontvanger. Het Hof vermag op grond van hetgeen belanghebbende in dit verband gemotiveerd heeft aangevoerd aangaande zijn bereidheid tot het stellen van andersoortige zekerheden dan de door de Ontvanger geëiste niet in te zien op welke grond de vrees van de Ontvanger voor de belangen van de Staat in redelijkheid zou kunnen worden gefundeerd. Hieraan voegt het Hof toe dat de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling bijna drie maanden heeft gevergd en de Ontvanger niets heeft aangevoerd waaruit is af te leiden dat wel tijdens de komende acht weken voor de behandeling van het administratief beroep de belangen van de Staat in het gedrang zouden kunnen komen.

4.10.

In verband met hetgeen onder 4.9 is overwogen, is het Hof van oordeel dat de hoofdregel van artikel 25.7.1 van de Leidraad in de onderhavige situatie van toepassing is en dat jegens belanghebbende gedurende de behandeling van het administratief beroep het beleid alsof het verzoek om uitstel van betaling is toegewezen, had moeten worden gevoerd.

De Ontvanger is echter overgegaan tot het uitreiken van aanmaningen en nadat de uitspraak op het administratief beroep is bekendgemaakt tot het betekenen van dwangbevelen met het daarbij in rekening brengen van kosten. Gezien het vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat de Ontvanger belanghebbende ten onrechte heeft aangemaand hangende de behandeling van belanghebbendes administratief beroep. Aangezien belanghebbende niet is aangemaand nadat op het administratief beroep was beslist, is belanghebbende in het geheel niet rechtsgeldig aangemaand. Dat betekent dat evenmin rechtsgeldig dwangbevelen konden worden betekend, zodat de daarmee gepaard gaande kosten evenmin rechtsgeldig konden worden berekend.

4.11.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het gelijk ten aanzien van de in geschil zijnde vragen derhalve aan belanghebbende en dienen de in rekening gebrachte kosten van betekening te worden vernietigd.

Slotsom

4.12.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding

4.13.

Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van door hem geleden en te lijden schade, eventueel op te maken bij staat. De Ontvanger bestrijdt, gelet op de verwijzing naar de bij het hoger beroep verstrekte bijlagen, dat sprake is van schade voor belanghebbende anders dan de bezwaar- en proceskosten, welke niet ingevolge artikel 8:73 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

4.14.

Het Hof overweegt omtrent de gevraagde schadevergoeding als volgt. Met de onder 4.11 vermelde vernietiging van de in rekening gebrachte kosten voor betekening staat vast dat de Ontvanger onrechtmatig heeft gehandeld. Voor de beoordeling of een schadevergoeding in het kader van deze procedure kan worden verleend, moet sprake zijn van schade, die in zodanig verband staat met de vernietiging van deze kosten, dat deze de Ontvanger als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend en van welke omvang deze schade is. Belanghebbende heeft weliswaar aangeduid dat sprake is van door hem geleden en te lijden schade, maar op geen enkele wijze een onderbouwing gegeven van de schadeposten, noch enige indicatie van de omvang van de geleden schade. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat door hem materiële schade is geleden door de onrechtmatige daad van de Ontvanger. Het Hof zal daarom belanghebbendes verzoek om een afzonderlijke schadevergoedingsprocedure en in verband daarmee het verzoek tot heropening van het onderzoek niet honoreren.

Ten aanzien van het griffierecht

4.15.

Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt van de Ontvanger ter zake van de door hem ingestelde hoger beroepen een griffierecht geheven. Hierbij wordt uitgegaan van veertien samenhangende zaken met de kenmerken 13/00786 tot en met 13/00799, waarin eenmaal, in de zaak met kenmerk 13/00786, een griffierecht van € 478 verschuldigd is.

Ten aanzien van de proceskosten

4.16.

Belanghebbende heeft verzocht de Ontvanger te veroordelen in de werkelijke kosten voor de behandeling van het geding in hoger beroep. Naar de mening van belanghebbende is in het onderhavige geding sprake van doorprocederen door de Ontvanger tegen beter weten in, gelegen in de omstandigheid dat de Ontvanger geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank in de zaken met nummers 11/5797 tot en met 11/5810 inzake de in rekening gebrachte aanmaningskosten en deze uitspraak onherroepelijk vaststaat. In die zaken heeft de Rechtbank geoordeeld dat belanghebbende niet in gebreke was ten tijde van het versturen van de aanmaningen en dan laat de wet geen andere gevolgtrekking toe dan dat geen kosten van betekening van dwangbevelen in rekening kunnen worden gebracht. Belanghebbende heeft het bedrag van de werkelijke proceskosten begroot op € 6.000.

De Ontvanger bestrijdt, gelet op de verwijzing naar de bij het hoger beroep verstrekte bijlagen, dat voldaan is aan de voorwaarden voor een dergelijke vergoeding.

4.17.

Naar het oordeel van het Hof is in de onderhavige procedure geen sprake van bijzondere omstandigheden, die een integrale vergoeding rechtvaardigen. Het Hof verwijst hiervoor naar het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975, BNB 2011/103, en neemt hierbij in aanmerking dat het hoger beroep van de Ontvanger mede heeft omvat het bestrijden van de in de geschilomschrijving door de Rechtbank opgenomen vraag over de vroegtijdigheid van de dwangbevelen waarvoor geen bestuursrechterlijke rechtsgang openstaat. Met het geven van de beschikking inzake de kosten van betekening alsmede met het nadien verdedigen van het in 4.9 omschreven standpunt kan de Ontvanger evenmin het verwijt worden gemaakt dat op dat moment duidelijk is dat die beschikking of stellingname in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (zie HR 13 april 2007, nr. 41235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802, BNB 2007/260). Overige omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht die aanleiding geven om af te wijken van de forfaitaire onkostenvergoeding zijn gesteld noch aannemelijk gemaakt. Het Hof zal daarom overgaan tot toekenning van een forfaitaire proceskostenvergoeding.

4.18.

Nu de door de Ontvanger ingestelde hoger beroepen ongegrond zijn, acht het Hof termen aanwezig de Ontvanger te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de hoger beroepen bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij wordt uitgegaan van veertien samenhangende zaken waarin belanghebbende in het gelijk is gesteld. Dit betreft de zaken ten name van belanghebbende met de kenmerken 13/00786 tot en met 13/00799.

4.19.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 487 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is € 1.461.

4.20.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    bepaalt dat van de Ontvanger ter zake van de door hem ingestelde hoger beroepen in de zaak met kenmerk 13/00786 door tussenkomst van de griffier een griffierecht wordt geheven van € 478; en

  • -

    veroordeelt de Ontvanger in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.461.

Aldus gedaan op: 4 december 2014 door J.W.J. Huige, voorzitter, P.C. van der Vegt en G.J. van Muijen, leden, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.