Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5199

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
20-001145-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:1599, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verduistering in dienstbetrekking en gewoontewitwassen. Verdachte heeft in zijn functie als boekhouder van een bedrijf gedurende een periode van ruim zes jaar grote geldbedragen aan het bedrijf onttrokken door deze naar zijn eigen bankrekening of die van anderen over te boeken of door daarmee persoonlijke aankopen te financieren. Het totale schadebedrag voor het bedrijf bedraagt minst genomen ruim tweeëneenhalf miljoen euro. Gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar en 6 maanden en gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van het bedrijf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 322, geldigheid: 2011-10-14
Wetboek van Strafrecht 420ter, geldigheid: 2011-10-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001145-14

Uitspraak : 10 december 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 4 april 2014 in de strafzaak met parketnummer 01-849771-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954,

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van verduistering in dienstbetrekking (feit 1) en medeplegen van gewoontewitwassen (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijf] gedeeltelijk toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en is de benadeelde partij [betrokkene] in diens vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [bedrijf] heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat deze kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.552.193,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en dat deze benadeelde partij voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene] heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij hierin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd en verzocht dat het hof een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met daaraan verbonden een forse proeftijd, alsmede een taakstraf voor de maximale duur zal opleggen. Voor wat betreft de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij [bedrijf] heeft de verdediging zich achter de beslissing van de rechtbank geschaard en betoogd dat de kosten van het frauderapport van [onderzoeksbureau] niet voor toewijzing in aanmerking komen. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij hierin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2005 tot en met 14 oktober 2011 te Veghel en/of ’s-Hertogenbosch en/of Schijndel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) geldbedrag(en) (in totaal 3.097.489 euro), in elk geval enig geldbedrag, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan het bedrijf [bedrijf] en/of [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) geldbedrag(en) verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking en/of zijn/hun beroep van/als financieel manager/administrateur en/of administratief medewerkster, in elk geval als medewerker van het bedrijf [bedrijf], in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2005 tot en met 14 oktober 2011 te Veghel en/of ’s-Hertogenbosch en/of Schijndel, althans in Nederland en/of in Suriname, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt en/of zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) op één of meer tijdstippen in genoemde periode

- van één of meer geldbedrag(en), te weten in totaal 3.097.489 euro, althans enig geldbedrag, en/of één of meer hoeveelhe(i)d(en) geld ten behoeve van – onder meer – de aanschaf en betaling van één of meer voorwerp(en), te weten – onder meer – kleding en/of een Suzuki Vitara en/of benzine en/of tickets naar Suriname en/of het verblijf in Suriname en/of percelen in Suriname en/of twee LCD-TV’s en/of laptops, (telkens) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat voorwerp(en) was/waren en/of een of meer van deze voorwerp(en) voorhanden gehad,

en/of

- één of meer voorwerp(en), te weten – onder meer – kleding en/of een Suzuki Vitara en/of benzine en/of tickets naar Suriname en/of het verblijf in Suriname en/of percelen in Suriname en/of twee LCD-TV’s en/of laptops en/of één of meer geldbedrag(en), te weten in totaal 3.097.489 euro, althans enig geldbedrag, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van dat/die voorwerpen gebruik gemaakt,

zulks terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij in de periode van 1 februari 2005 tot en met 14 oktober 2011 in Nederland telkens opzettelijk een geldbedrag, dat toebehoorde aan het bedrijf [bedrijf], welk geldbedrag verdachte telkens uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij in de periode van 1 februari 2005 tot en met 14 oktober 2011 in Nederland en in Suriname van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte in genoemde periode voorwerpen, te weten geldbedragen, omgezet, zulks terwijl hij telkens wist dat die voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking en gewoontewitwassen. Verdachte heeft in zijn functie als boekhouder van een bedrijf gedurende een periode van ruim zes jaren grote geldbedragen aan het bedrijf onttrokken door deze naar zijn eigen bankrekening of die van anderen over te boeken of door daarmee persoonlijke aankopen te financieren. Door aldus te handelen heeft de verdachte het vertrouwen dat zijn werkgever in hem stelde ernstig geschonden. Het totale schadebedrag voor het bedrijf bedraagt minst genomen ruim tweeëneenhalf miljoen euro. De verdachte heeft het bedrijf grote schade toegebracht. Verdachte heeft hiervoor geen oog gehad en zich kennelijk slechts laten leiden door eigen financieel gewin. Verdachte heeft met de verduisterde geldbedragen in Nederland en in Suriname diverse aankopen gedaan. Aldus heeft verdachte door misdrijf verkregen geld in het economisch verkeer gebracht. Het (middellijk of onmiddellijk) herinvesteren van uit misdrijf verkregen gelden schendt de integriteit van het financiële en economische verkeer.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor langere duur met zich brengt.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte, blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 oktober 2014, niet eerder ter zake strafbare feiten is veroordeeld. Voorts heeft het hof in strafmatigende zin rekening gehouden met het tijdsverloop sinds de bewezen verklaarde feiten.

Naar het oordeel van hof kan, gelet op de lange periode waarin de verduistering heeft plaatsgevonden en de omvang van de schade voor de toenmalige werkgever van de verdachte, niet worden volstaan met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, zoals door de verdediging is bepleit. In hetgeen door de verdediging is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

Een en ander in aanmerking genomen acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren en 6 maanden passend en geboden.

Het hof komt tot een gevangenisstraf voor een kortere duur dan door de rechtbank is opgelegd en dan door de advocaat-generaal is gevorderd omdat het hof van oordeel is dat met de hiervoor genoemde strafoplegging de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking wordt gebracht en recht wordt gedaan aan alle omstandigheden van het geval.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf]:

De benadeelde partij [bedrijf] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ingesteld. Ter terechtzitting in eerste aanleg is die vordering verminderd tot € 3.203.431,70, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag is opgebouwd uit het totaal van de verduisterde bedragen, zijnde het door [onderzoeksbureau] vastgestelde schadebedrag ad € 3.097.489,-, te verminderen met het in diverse civiele procedures reeds toegekende bedrag ad € 60.000,-, de kosten voor juridische bijstand ad € 46.136,47 en de kosten ter verkrijging van het door [onderzoeksbureau] opgestelde frauderapport ad € 119.806,23.

Bij vonnis waarvan beroep is deze vordering toegewezen tot een bedrag van € 2.524.468,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, en is de benadeelde partij [bedrijf] voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij [bedrijf] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [bedrijf] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van in totaal € 2.644.274,23.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat het totaal van de verduisterde geldbedragen, verminderd met het reeds in een kort geding toegewezen bedrag (€ 60.000,-), in ieder geval € 2.524.468,- bedraagt (€ 1.405.418,- aan overschrijvingen op bankrekeningen van de verdachte, familieleden en medeverdachte H.K. Marso en € 1.179.050,- aan betalingen aan derden ten gunste van de verdachte of medeverdachte Marso voor zover daar door [onderzoeksbureau] onderzoek naar is gedaan). Dit bedrag komt voor toewijzing in aanmerking. Deze schade is als zodanig ook niet door de verdediging betwist.

Daarnaast is het hof, anders dan de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat ook de kosten van het frauderapport van [onderzoeksbureau] (€ 119.806,23) kunnen worden toegewezen. Naar het oordeel van het hof kan deze schade worden aangemerkt als vermogensschade, waartoe ook te rekenen zijn redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, als bedoeld in artikel 6:96, lid 2, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.

Het verweer van de verdediging dat er geen noodzaak bestond tot dit uitgebreide onderzoek, aangezien de benadeelde partij dit – gratis – door de politie had kunnen laten uitvoeren, verwerpt het hof. In een strafprocedure kan in de regel worden afgegaan op de stelling van de door de aangever geleden schade en ligt het niet op de weg van de politie om de omvang van die schade te verifiëren. In een civiele procedure ligt het echter op de weg van de eisende partij om de (exacte) omvang van de vordering te stellen en bewijzen.

De benadeelde partij heeft deze kosten dan ook redelijkerwijs mogen maken. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen de omvang van de gepleegde verduistering voor zover verdachte die heeft bekend, alsmede de lange periode waarin een en ander zich heeft afgespeeld.

Verdachte is tot vergoeding van de hiervoor genoemde schadeposten gehouden, zodat de vordering in zoverre toewijsbaar is.

Het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente. Voor wat betreft de verduisterde geldbedragen zal het hof, nu de benadeelde partij [bedrijf] de vordering op dit punt onvoldoende heeft gespecificeerd, de wettelijke rente toewijzen vanaf 13 oktober 2011, zijnde de dag waarop de gestelde schade in ieder geval was geleden en namens de benadeelde partij [bedrijf] bij de politie aangifte is gedaan. Voor wat betreft de kosten van het frauderapport van [onderzoeksbureau] zal het hof, bij gebrek aan nadere informatie omtrent de datum waarop deze schade is geleden, de wettelijke rente toewijzen vanaf 1 augustus 2012, zijnde de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop het frauderapport is afgerond en het laatste gedeelte van het onderzoek door [onderzoeksbureau] is gefactureerd en – naar het hof aanneemt – ook geheel is betaald.

Het hof zal de verdachte voorts verwijzen in de door de benadeelde partij [bedrijf] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Door de benadeelde partij [bedrijf] is niet nader onderbouwd in hoeverre voor het indienen en de behandeling van de vordering bij de rechtbank en in hoger beroep kosten zijn gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden dan ook op nihil.

Voor wat betreft het meer gevorderde (verduisterde geldbedragen het hiervoor genoemde bedrag van € 2.524.468,- te boven gaand en de niet als proceskosten in de strafprocedure opgevoerde kosten voor juridische bijstand) zal de benadeelde partij [bedrijf] in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard nu naar het oordeel van het hof nader onderzoek nodig is om de omvang en/of het verband tussen deze schade en het bewezen verklaarde handelen van de verdachte te kunnen vaststellen, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.

Het hof heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat de benadeelde partij [bedrijf], hoewel in eerste aanleg en in hoger beroep bijgestaan door een advocaat, ook naar aanleiding van het vonnis van de rechtbank, waarbij niet de gehele vordering is toegewezen, de vordering niet nader heeft toegelicht of met nadere stukken onderbouwd. De benadeelde partij [bedrijf] kan dit gedeelte van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene]:

De benadeelde partij [betrokkene] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 4.815,75, bestaande uit niet betaalde facturen.

Bij vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij [betrokkene] in deze vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij [betrokkene] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet voldoende is gebleken dat de door de benadeelde partij [betrokkene] gestelde schade door verdachtes onder 1 en/of onder 2 bewezen verklaarde handelen is veroorzaakt. Mitsdien kan de benadeelde partij niet in de vordering worden ontvangen.

Het hof zal de benadeelde partij [betrokkene] verwijzen in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte – ter meerdere zekerheid van de betaling van de schadevergoeding aan de benadeelde partij [bedrijf] – de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafvordering op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 322 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijf] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.644.274,23 (tweemiljoen zeshonderdvierenveertigduizend tweehonderdvierenzeventig euro en drieëntwintig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [bedrijf] in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente, voor wat betreft de verduisterde geldbedragen (€ 2.524.468,00) te rekenen vanaf 13 oktober 2011 en voor wat betreft de kosten van het frauderapport van [onderzoeksbureau] (€ 119.806,23) te rekenen vanaf 1 augustus 2012, tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij [bedrijf] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bedrijf], een bedrag te betalen van € 2.644.274,23 (tweemiljoen zeshonderdvierenveertigduizend tweehonderdvierenzeventig euro en drieëntwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente, voor wat betreft de verduisterde geldbedragen (€ 2.524.468,00) te rekenen vanaf 13 oktober 2011 en voor wat betreft de kosten van het frauderapport van [onderzoeksbureau] (€ 119.806,23) te rekenen vanaf 1 augustus 2012, tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Verklaart de benadeelde partij [betrokkene] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij [betrokkene] in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. R.R. Everaars-Katerberg, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. M.A.M. Wagemakers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. F. Gerritsen, griffier,

en op 10 december 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.A.M. Wagemakers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.