Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5194

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
13-05-2016
Zaaknummer
HD 200.152.207_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:4966, Overig
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Groepsaansprakelijkheid ex artikel 6:166 BW in geval van diefstal van elektriciteit ten bate van hennepteelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.152.207/01

arrest van 9 december 2014

gewezen in het incident in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats] ,

appellant in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. R.A.H. van Huijgevoort te Tilburg,

tegen

Enexis B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. G.E.M.C. Reinartz te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 april 2014 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 12 september 2012 tussen appellant – [appellant] – als één van de gedaagden en geïntimeerde – Enexis – als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 236189/HA ZA 11-1001)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en de daaraan voorafgegane tussenvonnissen van 5 oktober 2011 en 8 februari 2012.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- het herstelexploot van 30 juni 2014;

- de rolbeslissing van 22 juli 2014;

- de akte uitlaten ontvankelijkheid in hoger beroep van [appellant] ;

- de incidentele memorie tot niet-ontvankelijkheid van Enexis;

- de antwoordmemorie in incident van [appellant] .

Hierna is bepaald dat arrest wordt gewezen in het incident.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

In eerste aanleg heeft Enexis hoofdelijke veroordeling van [appellant] en [medegedaagde] , wonende te [woonplaats] (hierna: [medegedaagde] ), gevorderd tot betaling van € 6.175,94, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten. [medegedaagde] heeft verweer gevoerd. Tegen [appellant] is verstek verleend.

Bij het bestreden eindvonnis van 12 september 2012 heeft de rechtbank de vordering voor zover gericht tegen [appellant] toegewezen. De rechtbank heeft de vordering voor zover gericht tegen [medegedaagde] afgewezen. [appellant] heeft bij dagvaarding van 2 april 2014 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

3.2.

Bij genoemde rolbeslissing is door de rolraadsheer geconstateerd dat het exploot van dagvaarding niet is uitgebracht binnen de in artikel 339 lid 1 Rv voor gewone zaken voorgeschreven termijn van drie maanden te rekenen vanaf de dag van de uitspraak van het vonnis en is [appellant] in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep.

3.3.

[appellant] heeft bij akte aangevoerd dat hij eerst op 6 maart 2014 bekend is geworden met het bestreden vonnis, de daaraan voorafgegane tussenvonnissen en de inleidende dagvaarding, nadat zijn advocaat het bestreden vonnis bij e-mail van 5 maart 2014 van de deurwaarder had ontvangen. [appellant] stelt zich op het standpunt dat (naar analogie van artikel 143 lid 2 Rv) een appeltermijn heeft te gelden van vier weken te rekenen vanaf het moment dat hij bekend is geworden met het vonnis en dat hij daarom, mede gelet op artikel 6 EVRM, ontvankelijk is in hoger beroep.

3.4.

In haar memorie in het incident refereert Enexis zich aan het oordeel van het hof omtrent de vraag of [appellant] al dan niet tijdig hoger beroep heeft ingesteld.

Voorts heeft Enexis aangevoerd dat [appellant] niet, zoals voorgeschreven in artikel 335 lid 2 Rv, voorafgaand aan het hoger beroep aan het vonnis heeft voldaan tegen het stellen van zekerheid. Enexis vordert in het incident [appellant] om die reden niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep.

Bij antwoordmemorie heeft [appellant] ten verwere aangevoerd dat hij gelet op zijn financiële situatie niet in staat is zekerheid te stellen en dat Enexis daarbij onvoldoende belang heeft.

Het hof overweegt als volgt.

3.5.

Als een eiser meer dan één gedaagde heeft gedagvaard en ten minste één van de gedaagden in het geding verschijnt, wordt tegen de niet verschenen gedaagden verstek verleend en wordt er voortgeprocedeerd (artikel 140 lid 1 Rv). Tussen alle partijen wordt één vonnis gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd (artikel 140 lid 3 Rv). In de dagvaarding moet hierop worden gewezen (art. 111 lid 2, aanhef en onder j, Rv).

Deze regeling strekt ertoe dat in gevallen waarin een vordering tegen meer gedaagden wordt ingesteld, tussen de eiser en de gedaagden geen tegenstrijdige vonnissen ten aanzien van eenzelfde rechtsbetrekking worden gewezen.

3.6.

De gedaagde die bij verstek is veroordeeld bij vonnis dat volgens artikel 140 lid 3 Rv een vonnis op tegenspraak is, heeft slechts het rechtsmiddel van hoger beroep. Termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel, zoals hier die van artikel 339 Rv, zijn van openbare orde. In het belang van een goede rechtspleging moet duidelijkheid bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt. Aan rechtsmiddeltermijnen moet strikt de hand worden gehouden. Slechts onder bijzondere omstandigheden is plaats voor een uitzondering.

3.7.

In haar memorie in het incident (punt 3) heeft Enexis weliswaar aangevoerd dat het bestreden vonnis bij deurwaardersexploot van 21 januari 2013 aan [appellant] is betekend, maar Enexis heeft aan die constatering geen consequenties verbonden. Met name heeft Enexis niet aangevoerd dat [appellant] als gevolg van die betekening reeds bekend is geworden met de inhoud van het bestreden vonnis. Het hof gaat er daarom van uit dat, zoals door [appellant] is gesteld en door Enexis niet (gemotiveerd) is betwist, [appellant] eerst als gevolg van de betekening op 6 maart 2014 met de inhoud van het bestreden vonnis bekend is geworden.

3.8.

De toepassing van de artikelen 140 en 339 Rv in een concreet geval mag niet tot gevolg hebben dat het recht op toegang tot de rechter in de kern wordt aangetast. Daarom is overschrijding van de appeltermijn niet zonder meer fataal in een geval waarin de inleidende dagvaarding niet in persoon is betekend en het vonnis aan de bij verstek veroordeelde niet bekend is geworden voorafgaand aan het verstrijken van de appeltermijn. Nu uit het onderhavige procesdossier niet het tegendeel blijkt, gaat het hof er voor de beoordeling van uit dat de inleidende dagvaarding niet in persoon aan [appellant] is betekend.

In zijn uitspraak van 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894, heeft de Hoge Raad overwogen en beslist dat niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding in een geval als het onderhavige achterwege moet blijven indien de veroordeelde hoger beroep heeft ingesteld binnen een redelijke termijn. Die termijn bedraagt 14 dagen – of zoveel minder als overeenstemt met een kortere wettelijke beroepstermijn – en vangt aan op de dag volgend op die waarop het vonnis aan de veroordeelde in persoon is betekend dan wel deze anderszins met het vonnis bekend is geraakt, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad vervolgt evenwel met de volgende overweging (3.4.4, laatste zin): "De zojuist bedoelde termijn van veertien dagen is dus overschreden. Aangezien evenwel eerst door het onderhavige arrest duidelijk wordt welke weg moet worden gevolgd in een geval als het onderhavige, behoort in dit geval te worden geoordeeld dat het hoger beroep aldus tijdig is ingesteld."

Zowel in de door de Hoge Raad beslechte zaak als in de onderhavige zaak is na 27 dagen na betekening hoger beroep ingesteld. Ook in het onderhavige geval, waarin betekening van het vonnis en het instellen van hoger beroep ruimschoots vóór 3 oktober 2014 hebben plaatsgevonden, moet daarom de conclusie zijn dat het hoger beroep tijdig is ingesteld.

3.9.

Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 16 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2644, volgt dat het voorschrift van artikel 335 lid 2 Rv, gelet op het voor de in eerste aanleg niet-verschenen medegedaagde bezwarende en uitzonderlijke karakter, restrictief dient te worden toegepast. De oorspronkelijke eisende partij die als geïntimeerde partij in hoger beroep toepassing van deze bepaling verlangt, zal moeten stellen en zo nodig aannemelijk maken dat zij daarbij voldoende in rechte te respecteren belang heeft. Bij de beoordeling moeten alle ter zake dienende omstandigheden worden meegewogen. Daartoe behoren de aard van de veroordeling, de aard van de bezwaren van de appellerende partij tegen het vonnis, alsmede het belang van de geïntimeerde partij bij voldoening aan het vonnis door de appellerende partij bij voorraad.

3.10.

Het hof stelt voorop dat het bestreden vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. De omstandigheid dat [appellant] tegen het vonnis hoger beroep heeft ingesteld doet derhalve niet af aan de mogelijkheden van Enexis om het vonnis ten uitvoer te leggen en aldus nu reeds betaling van haar jegens [appellant] in eerste aanleg toegewezen vordering te verkrijgen. Ook is om die reden niet aannemelijk dat [appellant] het rechtsmiddel van hoger beroep heeft aangewend teneinde de rechtsgang te vertragen.

[appellant] heeft aangevoerd dat hij de afgelopen jaren niet of nauwelijks inkomen heeft gehad. Eerst sinds 9 mei 2014 ontvangt hij een minimale Wwb-uitkering van € 679,75 per maand. Mede gelet op de omstandigheid dat [appellant] diverse openstaande, nog af te lossen schulden heeft, heeft hij geen enkele financiële ruimte om voorafgaand aan het hoger beroep aan het vonnis te voldoen, aldus [appellant] .

Enexis heeft een en ander niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Ook is niet gebleken dat [appellant] over vermogen beschikt. De enkele suggestie van Enexis dat [appellant] , ook als hij een Wwb-uitkering heeft, vermogen zou kunnen hebben tot het vrijgelaten bedrag aan eigen vermogen als bedoeld in die wet, is onvoldoende. Naar het oordeel van het hof is aannemelijk dat [appellant] niet in staat is aan het vonnis te voldoen als bedoeld in artikel 335 lid 2 Rv.

Gezien het voorgaande moet een belangenafweging in het voordeel van [appellant] uitvallen. De vordering in het incident van Enexis, strekkende tot het op de voet van artikel 335 lid 2 Rv niet-ontvankelijk verklaren van [appellant] in het hoger beroep, zal worden afgewezen.

3.11.

Het hof ziet aanleiding de uitspraak omtrent de proceskosten van het incident aan te houden tot de uitspraak in de hoofdzaak.

in de hoofdzaak

3.12.

De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van de memorie van grieven.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident

wijst de vordering van Enexis af;

houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan tot de uitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 20 januari 2015 voor het nemen van de memorie van grieven;

houdt ieder verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.N.M. Antens en M.G.W.M.

Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 december 2014.

griffier rolraadsheer