Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5170

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
HD 200.123.219_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

terugvordering van op grond van overeenkomst van opdracht betaalde bedragen zonder ontbinding; art. 2:186 BW; stelplicht en bewijslast

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 186, geldigheid: 2014-12-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0452
AR 2014/942

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.123.219/01

Arrest van 9 december 2014

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1],

appellant,

advocaat: mr. A. Kara te Maastricht,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.Th.P.A. Brink te Noordwijk,

op het bij exploot van dagvaarding van 4 maart 2013 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen vonnis van 21 februari 2013 tussen appellant – [appellant] – als gedaagde en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 843152; rolnummer 12/7208)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met twee producties (genummerd 9 en 10);

- de memorie van antwoord met zes producties;

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.

[geïntimeerde] had in 2009 het voornemen om een eigen bedrijf op te starten. Hij heeft [appellant] – volgens [appellant] trad hij jegens [geïntimeerde] op namens een bv waarvan hij, [appellant], bestuurder en enig aandeelhouder was – in of omstreeks het najaar van 2009 opdracht gegeven om hem in ieder geval daarbij behulpzaam te zijn.

4.1.2.

Aan [geïntimeerde] zijn de volgende facturen op naam van Green Olive Consultancy BV te Eindhoven met vermelding van KvK-nummer [kvk-nummer] toegezonden:

a. van 14 oktober 2009, factuurnummer [factuurnummer 1] (12 doorgehaald; met de hand 15 bijgeschreven), ad € 3.500,-- excl. btw (€ 4.165,-- incl. btw) met omschrijving: “Advieskosten ten behoeve van bedrijfsfinanciering”;

b. van 14 december 2009, factuurnummer [factuurnummer 2], ad € 3.000,-- excl. btw (€ 3.570,-- incl. btw) met omschrijving: “Advieskosten ten behoeve van bedrijfsfinanciering”;

c. van 14 december 2009, factuurnummer [factuurnummer 1], ad € 5.000,-- excl. btw (€ 5.950,-- incl. btw) met omschrijving: “Advieskosten ten behoeve van bedrijfsbegeleiding”.

Op elk van de facturen ad a tot en met c is vermeld dat 50% van het totaalbedrag incl. btw (dus € 2.082,50, € 1.785,-- respectievelijk € 2.975,--) vooraf als voorschot dient te worden betaald per direct op rekeningnummer [rekeningnummer 1] t.n.v. Green Olive Consultancy b.v., onder vermelding van het factuurnummer.

4.1.3.

Als prod. 7 inl. dagv. is overgelegd een overzicht genaamd “Historische mutaties crediteuren van 2008-01 t/m 2011-13” ;

Als prod. 5 bij de op de rolzitting van 27 juni 2012 van het kantongerecht Leiden namens [geïntimeerde] genomen conclusie is een zevental kopieën van rekeningafschriften betreffende de privérekening nr. [rekeningnummer 2] (de eerste twee en het vijfde en zesde afschrift(en)) en de ondernemersrekening [rekeningnummer 3] (het derde, vierde en zevende afschrift) van [geïntimeerde] bij ABN-Amro overgelegd, waarbij de tenaamstelling bij de op de eerste drie kopieën zichtbare betalingen op het onder 4.1.2 genoemde rekeningnummer ([rekeningnummer 1]) telkens luidt: “Green Olive Consultancy” zonder vermelding van “b.v.”;

Op grond van genoemd overzicht en de eerste drie van bedoelde zeven kopieën kan worden vastgesteld dat [geïntimeerde] in elk geval in februari 2010 het totaal ad € 13.685,-- van de bedragen van de facturen a tot en met c geheel heeft voldaan.

4.1.4.

Blijkens prod. 2 bij de op de rolzitting van 27 juni 2012 van het kantongerecht Leiden namens [geïntimeerde] genomen conclusie (hiervoor reeds genoemd, r.o. 4.1.3) stond in het handelsregister van de Kamer van Koophandel Brabant onder nummer [kvk-nummer] (ook vermeld op de facturen a tot en met c) in de periode van 1 oktober 2002 tot 5 september 2011 ingeschreven de besloten vennootschap met statutaire naam “[appellant] & Partners Marketing B.V.”, gevestigd te [vestigingsplaats], met [appellant] als enig aandeelhouder en bestuurder. Deze b.v. handelde zowel onder haar eigen hiervoor genoemde statutaire naam als (onder meer) onder de naam “Green Olive Consultancy” (zonder vermelding van “B.V.”).

4.1.5.

Zoals blijkt uit de derde tot en met de zevende kopie van rekeningafschriften betreffende bedoelde privé- respectievelijk ondernemingsrekening van [geïntimeerde] zijn voorts de volgende bedragen overgemaakt:

d. op boekdatum 17 februari 2010: € 1.250,-- naar bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] (reeds genoemd aan het slot van r.o. 4.1.2), nu ten name van “greenoliveconsulthancie” o.v.v. ”deelbetaling”;

e. op boekdatum 7 maart 2010: € 3.000,-- naar “GIRO [rekeningnummer 4]” t.n.v. “[appellant]” o.v.v.“deelbetaling”;

f. op boekdatum 10 april 2010: € 3.000,-- naar hetzelfde girorekeningnummer, met dezelfde tenaamstelling en dezelfde vermelding als onder e;

g. op boekdatum 16 mei 2010: € 3.000,-- met dezelfde gegevens als onder e.

4.2.1.

Bij inleidende dagvaarding van 15 maart 2012 voor de kantonrechter te Leiden heeft [geïntimeerde] terugbetaling door [appellant] gevorderd van het totaal ad € 13.685,-- van de door [geïntimeerde] betaalde factuurbedragen als bedoeld in r.o. 4.1.2 onder a tot en met c, alsmede van het totaal ad € 10.250,-- van de door [geïntimeerde] verrichte betalingen als bedoeld in r.o. 4.1.5 onder d tot en met g. Aan zijn vordering ad € 13.685,-- heeft [geïntimeerde] de hiervoor in r.o. 4.1.1 tot en met 4.1.5 weergegeven vaststaande feiten alsmede zijn stelling ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat [appellant] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de hiervoor in r.o. 4.1.1 bedoelde overeenkomst van opdracht omdat uit niets is gebleken dat [appellant] de aan [geïntimeerde] gefactureerde en betaalde werkzaamheden heeft verricht, aan zijn vordering ad € 10.250,-- kort gezegd, dat [geïntimeerde] bedoeld bedrag onverschuldigd heeft betaald.

Naast genoemde bedragen vorderde [geïntimeerde] buitengerechtelijke kosten ad € 2.442,77 . Hij heeft het totaalbedrag van zijn vordering in het petitum beperkt tot € 25.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der inleidende dagvaarding.

4.2.2.

Het eerste verweer van [appellant] houdt in dat [geïntimeerde] in het najaar van 2009 de in r.o. 4.1.1 bedoelde opdracht niet aan [appellant] in persoon, maar aan Green Olive Consultancy B.V. heeft verstrekt, zodat [appellant] ten onrechte in rechte is betrokken.

Het tweede verweer luidt, dat [geïntimeerde] te laat heeft geprotesteerd tegen het niet-verrichten van het opgedragen werk en geklaagd dat betalingen onverschuldigd zijn gedaan.

Op de derde plaats betwist [appellant] dat door hem of genoemde b.v. geen werkzaamheden voor [geïntimeerde] zijn verricht en – ten vierde – dat [geïntimeerde] aan hem privé (onverschuldigde) betalingen heeft gedaan.

4.2.3.

Nadat de kantonrechter te Leiden zich bij vonnis van 11 juli 2012 onbevoegd had verklaard om van de vordering kennis te nemen en de zaak in de stand waarin zij zich bevond had verwezen naar de kantonrechter te Eindhoven, heeft deze kantonrechter bij vonnis van 21 februari 2013 de gevorderde hoofdsommen ad € 13.685,-- en € 10.250,-- toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over die bedragen voor zover en voor zolang ze na 15 maart 2012 onbetaald blijven, [appellant] in de proceskosten veroordeeld, [geïntimeerde] veroordeeld in de kosten van het bevoegdheidsincident voor de kantonrechter te Leiden, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de gevorderde buitengerechtelijke kosten afgewezen.

De kantonrechter heeft daartoe onder meer, samengevat, overwogen, dat [appellant] enig aandeelhouder en bestuurder van Green Olive Consultancy B.V. is, en dat, als die b.v. facturen verstuurd en geïncasseerd heeft waarvoor niet gewerkt is en waarvoor geen grond bestond, dit [appellant] dus persoonlijk kan worden toegerekend en diens handelen dan onrechtmatig is. [appellant] heeft, aldus de kantonrechter, van het gestelde door hem verrichte werk een volstrekt ontoereikende uitleg gegeven en heeft dit onvoldoende gedocumenteerd. [appellant] heeft de door [geïntimeerde] gestelde ongegrondheid van de facturen van eerstgenoemde onvoldoende weersproken, zo overweegt de kantonrechter.

4.2.4.

Op vordering van [appellant] heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, bij vonnis in kort geding van 8 april 2013 de uitvoerbaarheid bij voorraad van het zojuist genoemde vonnis van 21 februari 2013 geschorst totdat in hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter heeft daarbij onder meer overwogen dat dit vonnis op een juridische misslag berust, kort gezegd omdat het enkele feit dat iemand enig bestuurder en enig aandeelhouder van een b.v. is nog niet betekent dat hij daardoor met die rechtspersoon te vereenzelvigen is. [geïntimeerde] heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit kan volgen dat bij [appellant] sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid. Voor zover de kantonrechter dergelijke omstandigheden wel aanwezig heeft geacht, is hij in strijd met art. 24 Rv. buiten het debat van partijen getreden, aldus de voorzieningenrechter. Door aan te nemen dat [geïntimeerde] opdracht heeft gegeven aan een b.v. waarvan [geïntimeerde] heeft gesteld dat deze helemaal niet bestaat, treedt de kantonrechter eveneens in strijd met art. 24 Rv. buiten het debat van partijen en wijst hij de vordering toe op een niet door [geïntimeerde] aangevoerde grondslag van zijn vordering, zo overweegt de voorzieningenrechter.

4.3

[geïntimeerde] beroept zich op de nietigheid van de appeldagvaarding omdat deze onjuist, althans niet rechtsgeldig, zou zijn betekend. Het hof verwerpt dit beroep. Een dergelijk betekeningsgebrek brengt immers slechts nietigheid mee voor zover aannemelijk is dat [geïntimeerde] door het gebrek onredelijk is benadeeld. [geïntimeerde] is op het exploot verschenen en heeft al zijn verweren kunnen aanvoeren zodat niet aannemelijk is dat [geïntimeerde] hierdoor onredelijk is benadeeld.

4.4

Voor zover [geïntimeerde] opwerpt dat de appeldagvaarding geen grieven bevat en dat [appellant] aan hem niet alle bijbehorende producties uit de eerste aanleg ter hand heeft gesteld, gaat het hof ook hieraan voorbij. De omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep wordt niet alleen bepaald door de appeldagvaarding maar ook door de in de memorie van grieven opgenomen grieven en vordering. Voor de hem in hoger beroep niet, althans niet opnieuw, ter hand gestelde producties geldt dat het [geïntimeerde] blijkens zijn reactie niet heeft bemoeilijkt in zijn te voeren verdediging of betoog.

4.5

Het hof stelt verder vast dat [appellant] geen grief formuleert tegen de in het bestreden vonnis vervatte afwijzing van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Deze beslissing ligt buiten de rechtsstrijd in hoger beroep.

4.6

Met zijn twaalf toegelichte grieven richt [appellant] zich tegen de in het bestreden vonnis op vordering van [geïntimeerde] uitgesproken veroordelingen tot betaling van
€ 13.685,-- en € 10.250,--, te vermeerderen met de wettelijke rente (over die bedragen voor zover en voor zo lang ze na 15 maart 2012 onbetaald blijven) en met de proceskosten. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.7.1

[geïntimeerde] grondde zijn voor € 13.685,-- toegewezen vordering in de inleidende dagvaarding op (in het kader van de overeenkomst van opdracht) aan [appellant] verweten tekortkomingen in de nakoming van:

a. [appellant] tegenover [geïntimeerde] aangegane advies- en onderzoeksplicht voor bedrijfsfinanciering alsmede de daartoe behorende begeleiding omdat [appellant] de tot dat bedrag gefactureerde werkzaamheden niet zou hebben verricht, en

b. [appellant] verplichting om aan [geïntimeerde] verantwoording te doen van de wijze waarop hij zich van de opdracht heeft gekweten.

Na weerspreking door [appellant] bij conclusie van antwoord heeft [geïntimeerde] die beide grondslagen bij conclusie van repliek gesteld te handhaven en benadrukt dat ieder van partijen de aan deze vordering ten grondslag liggende overeenkomst van opdracht voor zichzelf, dus in persoon, is aangegaan.

Na weerspreking door [appellant] bij memorie van grieven baseert [geïntimeerde] deze vordering in hoger beroep klaarblijkelijk (nog steeds) op de aan [appellant] verweten tekortkomingen zoals hiervoor onder a. en b. genoemd.

4.7.2.

Het hof overweegt dat de juistheid van die bedoelde verwijten onbesproken kan blijven, nu uit de stellingen van [geïntimeerde] niet genoegzaam volgt welke juridisch relevante gevolgen hij hieraan verbindt. Deze tekortkomingen zouden [geïntimeerde] mogelijk bevoegd kunnen maken de nakoming van zijn betaalplicht op te schorten, de overeenkomst van opdracht (geheel of gedeeltelijk) te (doen) ontbinden of anderszins de grondslag onder zijn betaalplicht weg te halen, maar deze situatie doet zich hier niet voor en [geïntimeerde] beroept zich hier niet, althans niet gemotiveerd, op. Enkel de aan [appellant] verweten tekortkomingen ontslaan [geïntimeerde] nog niet van zijn uit de overeenkomst voortvloeiende, reeds door hem nagekomen, betaalplicht.

4.8.1.

[geïntimeerde] grondde zijn voor € 10.250,-- toegewezen vordering in de inleidende dagvaarding op onverschuldigde betaling aan [appellant], althans ongerechtvaardigde verrijking van [appellant], omdat [geïntimeerde] dat niet gefactureerde totaalbedrag – in vier deelbetalingen – ten onrechte zou hebben betaald.

[geïntimeerde] heeft die beide grondslagen bij conclusie van repliek gesteld te handhaven en benadrukt dat de aan deze vordering ten grondslag liggende betalingen aan [appellant] zelf, dus in persoon, zijn gedaan. Bij conclusie van repliek en conclusie in reactie op de conclusie van dupliek heeft [geïntimeerde] ook gesteld dat, voor zover die betalingen onverschuldigd aan een vennootschap en niet aan [appellant] zelf zijn gedaan, [appellant] als bestuurder van die vennootschap daarvoor in persoon aansprakelijk zou moeten worden gehouden, waarmee nog een ander door [geïntimeerde] aan deze vordering ten grondslag gelegd verwijt is genoemd.

[geïntimeerde] baseert deze vordering in hoger beroep klaarblijkelijk (nog steeds) op onverschuldigde betaling aan [appellant], althans ongerechtvaardigde verrijking van [appellant], én blijft hij [appellant] als bestuurder in persoon aansprakelijk houden omdat onverschuldigd aan diens vennootschap zou zijn betaald.

4.8.2.

Het hof overweegt als volgt.

De door [geïntimeerde] bedoelde betalingen bestaan volgens zijn eigen reeds in eerste aanleg ingenomen stellingen en overgelegde stukken uit de vier in rov. 4.1.5. genoemde betalingen d tot en met g.

4.8.2.1. Ten aanzien van de op 17 februari 2010 gedane betaling van € 1.250,-- (r.o. 4.1.5 onder d) geldt het volgende.

[geïntimeerde] heeft genoemd bedrag op dezelfde bankrekening en op dezelfde wijze overgemaakt als waarop hij de bedragen van de facturen a tot en met c heeft overgemaakt. Verwezen wordt naar r.o. 4.1.2, 4.1.3 en r.o. 4.1.5, aanhef en onder d.

Op zichzelf betwist [appellant] onvoldoende gemotiveerd dat [geïntimeerde] de betaling onder d onverschuldigd heeft verricht. Hij bestrijdt slechts dat deze betaling aan hem in persoon is gedaan en stelt daartoe, onder verwijzing naar de eerste pagina van prod. 1 van de op 20 september 2012 genomen conclusie van antwoord, dat de begunstigde van deze betaling [appellant] & Partners Marketing B.V. is, met wie [appellant] niet te vereenzelvigen is.

Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] ten tijde van zijn betaling d uit door [appellant] gedane mededelingen, uit enig geschrift of anderszins wist dan wel had moeten begrijpen dat niet [appellant] in persoon, maar een – op dat moment bestaande – besloten vennootschap namens wie deze optrad, de begunstigde van deze betaling was. Uit het feit dat [appellant] in zijn contacten met [geïntimeerde] en met derden ook de naam – “Green Olive Consultancy”, zonder de toevoeging “BV” – waaronder hij handelde gebruikte, behoefde [geïntimeerde] niet af te leiden dat hij met een b.v. als begunstigde van deze betaling van doen had.

Dat de betaling van bedrag d – waarbij [geïntimeerde] slechts “Green Olive Consultancy” als naam van de begunstigde vermeldde – is bijgeschreven op een bankrekening op naam van “[appellant] & Partners Marketing B.V.”, is onvoldoende voor de vaststelling dat [geïntimeerde] op het moment dat hij deze betaling deed, wist of moest weten dat hij deze (niet aan [appellant] in persoon maar) aan een bestaande b.v. deed, te minder nu niet is gebleken dat [geïntimeerde] uit de door hem ontvangen afschriften van de rekeningen die hij voor de betalingen gebruikte kon weten dat de rekening van de begunstigde op naam van [appellant] & Partners Marketing B.V. stond; verwezen wordt naar r.o. 4.1.3.

Uit het voorgaande volgt dat het bedrag van € 1.250,-- zal worden toegewezen. In zoverre falen de grieven 8 en 9.

4.8.2.2. Blijkens de stellingen en stukken van [geïntimeerde] heeft hij de drie betalingen van € 3.000,-- elk (r.o. 4.1.5, e tot en met g) gedaan door bijschrijving op een door [appellant] aangegeven bankrekening van “[appellant]” of “[appellant]”. [appellant] heeft bij memorie van grieven gemotiveerd weersproken dat – zoals [geïntimeerde] had gesteld – [appellant] deze drie betalingen door bijschrijving op diens bankrekening zou hebben ontvangen. [appellant] stelt daartoe dat hij in de periode waarin de betalingen zijn gedaan niet (enige) privé- of zakelijke rekening (onder nummer [rekeningnummer 4]) bij ING heeft aangehouden. Hij verwijst daartoe naar twee e-mailberichten (waarin onder meer wordt vermeld dat medewerkers van ING hebben bevestigd dat rekeningnummer [rekeningnummer 4] niet op naam van [appellant]/Greenolive Consultancy staat en heeft gestaan), met als bijlage een ING-screenprint van 15 maart 2013 (prod. 10 mvg). Hieruit kan worden opgemaakt dat op die datum – zoals valt op te maken uit de tekst rechtsboven op de print – door [appellant] een gefingeerde poging is gedaan om een overschrijving te doen van ING-rekening nummer [rekeningnummer 5] ten name van Green Olive Consultancy naar ING-rekeningnummer [rekeningnummer 4] ten name van “[appellant]”. Door ING is vervolgens vermeld dat bij haar onder de betaalrekening met het ingevulde nummer de naam [appellant] bekend is.

Op grond van dit een en ander is het hof, anders dan in randnummer 21 van de mva door [geïntimeerde] is betoogd, van oordeel dat genoemde ING-screenprint niet bewijst dat de ING-rekening met nummer [rekeningnummer 4] op naam van [appellant] stond.

Hoewel dat wel op zijn weg had gelegen, heeft [geïntimeerde] bij memorie van antwoord voor het overige slechts algemeen herhaald dat [appellant] deze drie betalingen door bijschrijving op diens bankrekening heeft ontvangen maar heeft hij deze stelling niet nader geconcretiseerd met relevante feiten. Zijn stelling dat het standpunt van [appellant] onjuist is, vormt niet de benodigde concretisering van [geïntimeerde] eigen stelling ter zake.

Uit dit alles volgt dat de door [geïntimeerde] ingeroepen onverschuldigde betaling aan [appellant] en de ongerechtvaardigde verrijking van [appellant] deze vordering ad € 9.000,-- (die betrekking heeft op betaling e tot en met g) niet kunnen dragen.

Voor zover [geïntimeerde] deze vordering baseert op zijn stelling dat de betalingen onverschuldigd aan een vennootschap zijn gedaan en dat [geïntimeerde] als bestuurder van die vennootschap daarvoor in persoon aansprakelijk is, kan deze door [geïntimeerde] ingeroepen grondslag zijn vordering evenmin dragen. [geïntimeerde] maakt namelijk niet duidelijk aan welke vennootschap zou zijn betaald, noch waaruit blijkt dat [appellant] bestuurder van die vennootschap is. Overigens verwijst [geïntimeerde] voor de door hem gestelde bestuurdersaansprakelijkheid naar het in artikel 2:9 BW bedoelde onbehoorlijk bestuur, maar hiermee miskent hij dat dit wetsartikel ziet op de interne verhoudingen binnen een rechtspersoon en gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] daarvan deel uitmaakt.

Voor zover [geïntimeerde] ter pleitzitting aanvoert dat [appellant] aan diens vennootschap gedane betalingen onterecht onder zich houdt, betreft dat een nieuw gesteld feit dat in strijd met de twee-conclusie-regel, dus tardief, is aangevoerd. Gesteld noch gebleken is van bijzondere omstandigheden die op deze regel een uitzondering kunnen maken en (kunnen) meebrengen dat dit eerst ter pleitzitting gemaakte verwijt alsnog in de beoordeling wordt betrokken zonder dat dit in strijd komt met de eisen van een goede procesorde.

4.9.

Voor beide vorderingen – dus zowel die inzake de € 13.685,-- als die inzake de € 9.000,-- – geldt meer in het algemeen (ook) nog dat in beginsel op [geïntimeerde] de stelplicht rust van de aan zijn vorderingen ten grondslag gelegde, door [appellant] betwiste, feiten. Met zijn (uitvoerige) betogen dát en waarom door [appellant] ingenomen standpunten onjuist zouden zijn of ernstig betwijfeld zouden moeten worden – wat daar verder ook van zij – lijkt [geïntimeerde] dit uitgangspunt te miskennen. Die betogen vormen in zoverre niet de benodigde concretisering van [geïntimeerde] eigen stellingen maar slechts een reactie op de gemotiveerde betwisting door [appellant].

4.10.

Reeds nu [geïntimeerde] ook verder geen feiten stelt die (indien juist kunnen) leiden tot het oordeel dat de vorderingen van [geïntimeerde] – behoudens het bedrag d van € 1.200,--; zie r.o. 4.8.2.1 - toewijsbaar zijn, wordt zijn bewijsaanbod gepasseerd.

De slotsom luidt dat de grieven, behoudens ten dele de grieven 8 en 9, slagen en dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. Het hof zal de vordering van [geïntimeerde] toewijzen tot een bedrag van € 1.250,-- , vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 maart 2012 tot de dag der voldoening.

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal [geïntimeerde] in de proceskostenkosten van beide instanties worden veroordeeld. Nu de overige geschilpunten niet tot een ander oordeel kunnen leiden, hoeven zij geen bespreking en beslist het hof als volgt.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.250,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 maart 2012 tot de dag der voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] worden begroot op € 800,-- aan salaris gemachtigde in eerste aanleg en op € 759,71 aan verschotten en op € 3.474,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.Th. Gründemann, M.G.W.M. Stienissen en G.J. Vossestein en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 december 2014.

griffier rolraadsheer