Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5166

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
HD 200.144.168_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

elektriciteitsfraude bij hennepteelt. Bewijs voorafgaande teelten. Kosten gemaakt in verband met de fraude. In de strafzaak aan de energiemaatschappij toegewezen bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.144.168/01

arrest van 9 december 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. J. du Bois te Amsterdam,

tegen

Enexis B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Enexis,

advocaat: mr. B. Sommen te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 18 maart 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter bij de rechtbank Oost-Brabant, locatie Eindhoven, van 16 januari 2014, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en Enexis als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 892855/CV EXPL 13-4694)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met één productie;

- de memorie van antwoord met vier producties;

- de akte van [appellant] van 5 augustus 2014 met één productie;

- de antwoordakte van Enexis van 2 september 2014;

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.1.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 de feiten vastgesteld waarvan hij is uitgegaan. Die feiten zijn in hoger beroep niet betwist en zijn ook voor het hof het uitgangspunt. Daarnaast acht het hof nog andere feiten van belang. Het gaat om het volgende.

3.1.2.

Op 20 januari 2011 is in de woning op het adres [adres 1] in [plaats] (hierna: “de woning”) een in gebruik zijnde hennepkwekerij aangetroffen. In de woning was één ruimte voor hennepteelt ingericht. Het betrof 221 planten van ongeveer één week oud.

3.1.3.

De elektriciteitsaansluiting stond op dat moment op naam van [appellant].

In de meterkast bleek een illegale aftakking te zijn gemaakt op de aansluitkabel vóór de kWh-meter. Daardoor is de afgenomen elektriciteit niet op de teller van de kWh-meter geregistreerd.

3.1.4.

Bij inmiddels onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter ’s-Hertogenbosch d.d. 4 december 2012 is [appellant] veroordeeld tot een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf wegens, kort gezegd, hennepteelt en diefstal van elektriciteit in de periode 1 januari 2011 tot en met 20 januari 2011. [appellant] is tevens veroordeeld tot betaling van € 2.025,96 aan Enexis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf “de dag van het delict”. Aan [appellant] werd voor een bedrag van € 1.257,96 de maatregel van schadevergoeding opgelegd.

Volgens partijen is Enexis door de politierechter niet ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding wegens acht voorafgaande teelten.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert Enexis veroordeling van [appellant] tot betaling van een bedrag van € 6.411,24 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 januari 2011 en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft Enexis, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

Op grond van in de hennepkwekerij aangetroffen plantenresten, lege jerrycans, gebruikte snoeischaren, de stof op assimilatielampen, de kalkaanslag op plantenpotten en op het zich daaronder bevindende landbouwplastic, de mate van vervuiling van de koolstoffilter en de voorschakelapparaten, de bugscan met een grote hoeveelheid vliegjes en een MMA-melding (hof: Melding Misdaad Anoniem) van 12 december 2009 moet uit worden gegaan van acht aan de aangetroffen teelt voorafgaande teelten (hierna: “de eerdere teelten”). Inclusief de aangetroffen teelt van één week heeft Enexis het totale elektriciteitsverbruik berekend op 88.878 kWh. De aldus afgenomen en niet geregistreerde elektriciteit becijfert Enexis op

€ 6.736,95. Daarbij komen administratiekosten van in totaal € 337,35, vooronderzoekskosten van € 307,-- en kosten werkzaamheden van de fraude inspecteur, zodat de vordering in totaal € 7.669,20 bedraagt. Daarvan dient het in de strafzaak toegewezen bedrag van € 1.257,96 te worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 6.411,24 exclusief btw resteert, aldus Enexis.

Haar vordering heeft zij primair gebaseerd op de met [appellant] gesloten overeenkomst. [appellant] heeft de uit die overeenkomst voortvloeiende zorgplicht geschonden en is aldus toerekenbaar tekort geschoten. Subsidiair heeft Enexis haar vordering gegrond op onrechtmatige daad.

3.2.3.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

Blijkens het bestreden eindvonnis heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het comparitievonnis en het proces-verbaal van comparitie bevinden zich niet bij de stukken.

Bij vonnis van 16 januari 2014 heeft de kantonrechter de vorderingen van Enexis toegewezen. De kantonrechter oordeelde daartoe, samengevat, het volgende. [appellant] heeft zijn zorgplicht geschonden nu een illegale aftakking vóór de meter is geconstateerd. Hij dient de daaruit voortvloeiende schade aan Enexis te voldoen. Enexis heeft weliswaar de bewijslast ten aanzien van de afgenomen elektriciteit, maar door toedoen van [appellant] kan zij dat bewijs niet aan de hand van meterstanden leveren. Daarom kan Enexis volstaan met een schatting van het verbruik op basis van de door haar aangedragen feiten en omstandigheden. [appellant] heeft daartegenover te weinig gesteld. Verder is hij er niet in geslaagd bewijs te leveren van zijn stelling dat in december 2009/januari 2010 de politie in zijn woning is geweest en toen geen hennepkwekerij heeft aangetroffen. Enexis heeft geen loonkostenvergoeding gevorderd maar kosten voor de werkzaamheden die in deze zaak zijn verricht. Die werkzaamheden zijn niet door [appellant] betwist. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 20 januari 2011, zijnde de datum waarop het schade toebrengende feit werd geconstateerd, aldus de kantonrechter.

3.3.1.

[appellant] heeft tijdig tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Blijkens de appeldagvaarding in samenhang gelezen met de conclusie in de memorie van grieven vordert hij vernietiging van het bestreden vonnis, afwijzing van de vorderingen van Enexis en veroordeling van Enexis in de kosten van beide instanties en in de nakosten, vermeerderd met de handelsrente.

[appellant] heeft zes grieven aangevoerd. Volgens hem heeft de kantonrechter ten onrechte het door Enexis gestelde als vaststaand aangenomen en is ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat de bewezenverklaarde periode in het strafvonnis 1 tot en met 20 januari 2011 is (grief 1). Verder heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat ook voor wat betreft de aan januari 2011 voorafgaande periode het verbruik niet door de elektriciteitsmeter is geregistreerd (grief 2), heeft hij ten onrechte geoordeeld dat [appellant] geen bewijs van de aanschaf van tweedehands spullen heeft geleverd noch van zijn stelling dat er vóór 2011 geen hennepkwekerij is aangetroffen (grief 3) en heeft hij ten onrechte geoordeeld dat [appellant] zijn verweer onvoldoende heeft gemotiveerd (grief 4), dat [appellant] de berekening van het gebruik slechts in algemene zin heeft betwist (grief 5) en dat hij de door Enexis gevorderde kosten van instandhouding van de fraude-afdeling niet heeft betwist (grief 6).

Eerdere teelten. Grieven 1 tot en met 5.

3.3.2.

Het hof zal de eerste vijf grieven gezamenlijk behandelen. In de kern genomen bestrijden deze grieven het aan de toewijzing van de vordering van Enexis ten grondslag liggende oordeel dat van acht eerdere teelten sprake is geweest.

3.3.3.

In hoger beroep heeft [appellant] met name gewezen naar hetgeen hij in eerste aanleg als verweer heeft gevoerd. Samengevat heeft [appellant] het volgende betoogd. De door Enexis aangedragen gegevens betreffen slechts algemene ervaringsregels, maar die rechtvaardigen niet de gevolgtrekking dat er eerdere teelten zijn geweest. [appellant] betwist dat er sprake is geweest van eerdere oogsten. De voor de hennepkwekerij benodigde apparatuur heeft hij tweedehands gekocht en die spullen waren toen reeds vervuild. Van de aankoop van dergelijke apparatuur plegen geen aankoopbonnen te worden uitgeschreven. In het strafvonnis is enkel de periode 1 tot en met 20 januari 2011 bewezen verklaard. De vordering van Enexis moet tot die periode worden beperkt. In dat vonnis is de vordering van Enexis toegewezen tot € 1.257,96 en € 2.025,96. In december 2009 is naar aanleiding van de MMA-melding geen hennepkwekerij in de woning aangetroffen. Een medewerker van de woningbouwvereniging heeft dat mondeling aan de advocaat van [appellant] bevestigd. Enexis heeft niets met die melding gedaan. De wettelijke rente had moeten worden aangezegd.

3.3.4.

Enexis heeft, samengevat, het volgende betoogd. Nu vaststaat dat illegaal elektriciteit is afgenomen en tevens dat [appellant] contractant was voor de levering en het transport van de elektriciteit, staat daarmee tevens vast dat [appellant] zijn jegens Enexis in acht te nemen zorgplicht heeft geschonden en aldus toerekenbaar tekort is geschoten. Voor wat betreft de apparatuur valt op dat [appellant] in zijn conclusie van antwoord heeft gesteld dat hij die had gekocht van een kennis die met kweken was gestopt en dat deze een geringe waarde vertegenwoordigden en bij de politie heeft verklaard dat hij alle materialen voor € 4.000,-- tot € 5.000,-- bij de Growshop heeft gekocht. Verder duiden de verschillende kleuren die de aangetroffen hennepresten hebben op verschillende knipmomenten en dus op verschillende oogsten. De politie heeft lege jerrycans meststoffen aangetroffen met een totale inhoud van 90 liter. Met 1 liter meststof kunnen 20 hennepplanten van stekje tot oogstrijpe volwassen plant worden geteeld. Met 90 liter voedingsmiddelen zijn dus 1800 hennepplanten geteeld. In de kwekerij waren 220 planten, dus met de verbruikte voedingsmiddelen zijn er 1800:220 = 8,18 teelten geweest. Dat betekent acht voorafgaande teelten naast de aangetroffen teelt van één week oud. Enexis heeft in dit verband gewezen op een (bladzijde uit een) door de politie naar aanleiding van het aantreffen van de hennepkwekerij opgemaakt proces-verbaal en naar het Rapport berekening wederrechtelijke verkregen voordeel dat naar aanleiding van deze zaak tegen [appellant] is opgemaakt en waarin de politie van acht eerdere teelten uitgaat op grond van de eerder genoemde, in de kwekerij aangetroffen omstandigheden. Voor een actie op grond van een MMA-melding is Enexis afhankelijk van de politie. Enexis heeft door geen actie naar aanleiding van de MMA-melding van december 2009 te nemen niet haar schadebeperkingsplicht geschonden. De in de strafzaak tot januari 2011 beperkte periode en het tot die periode toegewezen schadebedrag staat niet aan een civiele vordering met betrekking tot de aan januari 2011 voorafgaande periode in de weg. In december 2009 heeft geen doorzoeking in de woning plaatsgevonden, hetgeen blijkt uit de door [appellant] in dit verband overgelegde berichtgeving van de politie. Enexis betwist dat de woningcorporatie heeft medegedeeld dat toen geen hennepkwekerij is aangetroffen.

3.3.5.

Het hof oordeelt als volgt.

Voor zover [appellant] heeft bedoeld te betogen dat hij zijn uit de overeenkomst met Enexis voortvloeiende zorgplicht niet heeft geschonden, wordt dat verweer verworpen. [appellant] heeft niet betwist dat hij contractant was voor wat betreft de geleverde en getransporteerde elektriciteit en dat sprake was van een illegale aftakking van de meter. Uit zijn, door hem zelf overgelegde, bij de politie afgelegde verklaring blijkt dat hij de illegale aftakking zelf heeft laten aanleggen. Aldus staat vast dat [appellant] zijn jegens Enexis in acht te nemen zorgplicht heeft geschonden.

3.3.6.

Voor wat betreft de betwisting door [appellant] van de eerdere teelten overweegt het hof het volgende.

De bewijslast van de omvang van de niet door de meter geregistreerde afgenomen elektriciteit berust volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv. in beginsel op Enexis. Daarnaast geldt in zaken als de onderhavige het volgende.

Het is een feit van algemene bekendheid dat in Nederland energie door middel van verrekening achteraf wordt betaald. Energieleveranciers en netwerkbedrijven maken hiertoe gebruik van (geijkte) meters waarmee de omvang van de energieafname in beginsel wordt bepaald. Deze meters scheppen daarmee een bewijsvermoeden ten gunste van de netwerkbedrijven en elektriciteitsleveranciers. In het geval dat, zoals hier, het enige controlemiddel van Enexis (de meetinrichting) niet meer betrouwbaar is ten gevolge van een illegale aftakking op de aansluitkabel vóór de kWh-meter en correcte meting dan onmogelijk is gemaakt, mag aan het bewijs van de omvang van de energieafname geen al te zware eisen worden gesteld en kan Enexis volstaan met het leveren van bewijs van feiten en/of omstandigheden die de afgenomen hoeveelheid energie voldoende aannemelijk maken.

Indien een gebruiker of degene op wiens naam de elektriciteitsmeter staat geregistreerd de aldus aannemelijk gemaakte energieafname betwist, zal deze daar concrete feiten en gegevens tegenover moeten stellen waaruit blijkt dat van een andere berekening moet worden uitgegaan. Stelt een afnemer of contractant onvoldoende concrete feiten en gegevens, dan blijft in situaties waarin de meter is gemanipuleerd de omstandigheid dat niet precies kan worden vastgesteld over welke periode is geteeld voor rekening en risico van de afnemer/contractant en wordt aan het leveren van tegenbewijs niet toegekomen, omdat niet aan de stelplicht is voldaan.

3.3.7.

Dat buiten de meter om stroom is afgenomen voor de teelt van hennep staat vast. Hetgeen [appellant] ten aanzien van de berekening door Enexis op basis van de laag stof, de vervuilde koolstoffilters, de kalkaanslag, de plantenresten, de gebruikte snoeischaar, de bugscan vol met vliegjes en de lege jerrycans ten verwere heeft gesteld, is beperkt tot algemene betwistingen die op geen enkele manier concreet aannemelijk zijn gemaakt. Aan de hiervoor genoemde eis dat dergelijke verweren voldoende concrete feiten en gegevens moeten bevatten (die het voor Enexis mogelijk zouden maken om daar op haar beurt weer concreet op in te gaan) is dus niet voldaan.

Dat geldt ook voor wat betreft het verweer van [appellant] dat hij de voor de hennepkwekerij benodigde apparatuur tweedehands en vervuild heeft gekocht. Ook als hij niet over aankoopbonnen beschikt omdat hij, anders dan hij bij de politie heeft verklaard, de apparatuur niet bij de Growshop heeft gekocht, is zijn verweer op dit punt onvoldoende concreet. [appellant] onderbouwt dit immers op geen enkele wijze. Zo vermeldt hij niet van wie hij die apparatuur dan zou hebben gekocht en legt hij bijvoorbeeld geen verklaring van die derde over omtrent de mate van vervuiling van de apparatuur ten tijde van de verkoop ervan. Indien [appellant] die derde niet wil noemen, komt dat voor zijn rekening en risico. Omtrent de lege jerrycans heeft [appellant] er helemaal het zwijgen toe gedaan; zie r.o. 3.3.11.

3.3.8.

Anders dan [appellant] heeft aangevoerd is niet komen vast te staan, noch aannemelijk geworden, dat er naar aanleiding van de MMA-melding in december 2009 een doorzoeking in de woning heeft plaatsgevonden. Integendeel, uit de door [appellant] overgelegde berichtgeving van de politie op dit punt kan juist worden afgeleid dat destijds geen actie op die melding is gevolgd in de vorm van een doorzoeking. Dat wordt niet voldoende ontkracht door de stelling dat een medewerker van de woningcorporatie aan de advocaat van [appellant] telefonisch heeft medegedeeld dat wel een melding bij de politie was binnengekomen maar dat geen hennepkwekerij werd aangetroffen. Nog afgezien van het feit dat de woningcorporatie dat desgevraagd kennelijk niet heeft schriftelijk heeft willen bevestigen, blijkt daaruit immers niet duidelijk of daadwerkelijk een doorzoeking heeft plaatsgevonden waarbij geen hennepkwekerij is aangetroffen of dat geen hennepkwekerij is aangetroffen omdat geen onderzoek in de woning is verricht. Evenmin is duidelijk op welke wetenschap de mededeling is gebaseerd.

3.3.9.

Omgekeerd kan de MMA-melding naar het oordeel van het hof evenmin bijdragen aan het bewijs van eerdere teelten. De melding is anoniem zodat omtrent de (betrouwbaarheid van de) bron niets bekend is en er is kennelijk geen actie op ondernomen.

3.3.10.

Dat sprake is geweest van eerdere teelten is, gelet op het hiervoor in r.o. 3.3.7 overwogene, naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan. Voor wat betreft het door Enexis gestelde aantal van acht eerdere teelten overweegt het hof het volgende. Enkel en alleen een opmerking over stof- en kalkafzetting en overlegging van foto’s is naar het oordeel van het hof onvoldoende om aannemelijk te achten dat er aan de aangetroffen teelt acht kweekrondes vooraf moeten zijn gegaan. Het rapport van de fraude-inspecteur heeft het hof niet bij de stukken aangetroffen, net zo min als het proces-verbaal dat de bevoegde opsporingsambtenaren hebben opgemaakt van het aantreffen van de kwekerij (met uitzondering van de als productie 8 bij inleidende dagvaarding overgelegde pagina). Van Enexis kon worden verwacht dat zij die stukken in het geding bracht. Om acht voorafgaande kweekrondes aannemelijk te achten is naar het oordeel van het hof enig steunbewijs nodig bij voorkeur uit andere bron dan vanuit medewerkers van Enexis zelf, zeker wanneer de stellingname van Enexis wordt betwist en ook wanneer die betwisting onvoldoende concreet is. Dat laatste leidt er immers enkel toe dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van eerdere teelten, maar daarmee is het gestelde aantal van acht nog niet voldoende komen vast te staan.

3.3.11.

Voornoemd steunbewijs is naar het oordeel van het hof echter te putten uit de aangetroffen hoeveelheid lege jerrycans meststoffen en het ter zake door de politie opgemaakte proces-verbaal. [appellant] heeft voor de aanwezigheid daarvan geen enkele plausibele verklaring gegeven. Terecht stelt Enexis dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat lege jerrycans naar de onderhavige kwekerij zouden zijn gebracht. De politie heeft op grond van het totale volume van de aangetroffen lege jerrycans, de hoeveelheid meststof die nodig is om een hennepplant van stek tot oogstrijpe plant te telen en de hoeveelheid in de onderhavige kweekruimte aangetroffen planten geconcludeerd dat van acht eerdere teelten sprake is geweest. [appellant] heeft de aan die berekening ten grondslag liggende uitgangspunten niet betwist.

Daarnaast neemt het hof in aanmerking de overige door Enexis (en de politie) genoemde omstandigheden (gebruikte snoeischaar, plantenresten in verschillende kleuren, bugscan vol vliegen) en het feit dat [appellant] naar eigen zeggen “in de wiethandel zit” (verhoor bij politie op 20 januari 2011).

3.3.12.

Ten slotte strandt ook het verweer van [appellant] dat de in de strafzaak bewezenverklaarde periode van hennepteelt en diefstel van elektriciteit is beperkt tot de periode 1-20 januari 2011 en dat de in deze civiele procedure relevante periode daarom ook daartoe beperkt moet blijven. Nog daargelaten dat uit de door [appellant] overgelegde dagvaarding blijkt dat dat de tenlastegelegde periode betrof, betekent het enkele feit dat geen bewezenverklaring is gevolgd voor wat betreft een eerdere periode niet dat er geen eerdere teelten zijn geweest. De dwingende bewijskracht van een onherroepelijk strafvonnis ziet (enkel) op de wèl bewezenverklaarde feiten.

De grieven 1 tot en met 5 slagen niet.

Kosten. Grief 6.

3.4.1.

[appellant] heeft de administratiekosten, de vooronderzoekskosten en de kosten van de fraude-inspecteur betwist. Hij heeft voorts aangevoerd dat van de kosten van bij Enexis in loondienst werkzame medewerkers geen vergoeding kan worden gevorderd. In hoger beroep heeft [appellant] voorts betoogd dat deze kosten al zijn inbegrepen in het door de politierechter toegewezen bedrag.

3.4.2.

Enexis heeft het volgende aangevoerd. Aan de onderhavige zaak heeft de fraude-inspecteur vier uur moeten besteden. Voor wat betreft de administratiekosten heeft Enexis toegelicht dat zij ten gevolge van de enorme toename van het aantal fraudes met de elektriciteitsafname bij hennepkwekerijen genoodzaakt is geweest voor dit soort fraudes een afzonderlijke fraude-afdeling in het leven te roepen en dat de kosten van de medewerkers van deze afdeling worden omgeslagen naar rato van de omvang van de geconstateerde fraude in een bepaald geval. De gevorderde kosten zijn conform het tarievenboek van Enexis. Dat tarievenboek wordt jaarlijks door de Dienst Toezicht Elektriciteit getoetst. De kosten zijn redelijk. Het bedrag dat door de politierechter is toegewezen (€ 1.257,96 exclusief kosten rechtsbijstand in de strafprocedure) is al van de hoofdvordering afgetrokken.

3.4.3.

Het hof stelt het volgende voorop.

Uit de toelichting van Enexis blijkt dat zij bij de schadeberekening in fraudegevallen als het onderhavige forfaitaire tarieven hanteert. Omdat in dit soort regelmatig voorkomende fraudegevallen door de netbeheerder steeds min of meer dezelfde werkzaamheden zullen moeten worden verricht om de situatie op het fraudeadres op te nemen en vervolgens te normaliseren, is het hof van oordeel dat deze werkwijze een aanvaardbaar uitgangspunt is bij de schadeberekening.

[appellant] heeft deze kosten naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd betwist.

3.4.4.

Niettemin zijn de kosten niet toewijsbaar. [appellant] heeft gesteld dat de politierechter € 1.257,96 en € 2.025,96 heeft toegewezen. Voor zover hij daarmee bedoelt dat de som van deze bedragen is toegewezen, is dat niet juist. Uit de overgelegde mededeling voorwaardelijke veroordeling blijkt dat eerstgenoemd bedrag als maatregel van schadevergoeding is opgelegd en dat het tweede bedrag de toewijzing van de vordering van Enexis (die zich als benadeelde partij in het strafproces had gevoegd) betreft. Deze bedragen zijn niet cumulatief opgelegd; voor zover [appellant] aan een van de aan hem opgelegde verplichtingen tot betaling voldoet is hij van zijn schadevergoedingsplicht jegens Enexis bevrijd.

In haar inleidende dagvaarding (randnummer 26) heeft Enexis gesteld dat het in de strafzaak toegewezen bedrag – waarvan Enexis geen specificatie geeft - het elektriciteitsverbruik voor de aangetroffen teelt betreft (dus januari 2011) alsmede de administratiekosten, de vooronderzoekskosten en de kosten van de fraude-inspecteur. Zij stelt daar verder: “Onderwerp van de onderhavige procedure is dan ook slechts het elektriciteitsverbruik voor de voorgaande acht teelten.”

3.4.5.

Genoemde kosten zijn dus kennelijk reeds onderwerp geweest van een (bij de strafprocedure gevoegde civiele) procedure en Enexis heeft terzake reeds een voor executie vatbare titel verkregen. De zesde grief slaagt dan ook in zoverre dat van het door Enexis totaal becijferde bedrag ad € 7.669,20 (berekend verbruik acht eerdere teelten en verbruik januari 2011 + genoemde kosten; inl. d.v. 25) met het reeds toegewezen bedrag van

€ 2.025,96 moet worden verminderd. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat in laatstgenoemd bedrag niet de in de strafprocedure gemaakte proceskosten zijn verdisconteerd (die kosten zouden immers niet in de onderhavige procedure op de vordering in mindering moeten worden gebracht), nu die proceskosten blijkens de mededeling voorwaardelijke veroordeling door de politierechter zijn begroot op nihil.

Het in de onderhavige zaak toe te wijzen schadebedrag komt dan neer op € 7.669,20 minus

€ 2.025,96 is € 5.643,24.

De wettelijke rente over dit bedrag is toewijsbaar vanaf 20 januari 2011. De vordering tot schadevergoeding was immers op dat moment opeisbaar en nakoming van de door [appellant] jegens Enexis in acht te nemen zorgplicht was toen niet meer mogelijk zodat een ingebrekestelling, anders dan [appellant] lijkt te betogen, niet nodig was (artt. 6:74 leden 1 en 2 jo. 83 onder b BW).

3.5.

De slotsom is dat de zesde grief ten dele slaagt. Het bestreden vonnis zal in zoverre worden vernietigd dat het toegewezen bedrag zal worden verminderd tot het in r.o. 3.4.5 genoemde bedrag. [appellant] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de aan de zijde van Enexis gevallen proceskosten worden veroordeeld.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van de kantonrechter bij de rechtbank Oost-Brabant, locatie Eindhoven, van 16 januari 2014, doch uitsluitend voor zover daarbij een bedrag van

€ 6.411,24 is toegewezen (eerste alinea dictum);

in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om aan Enexis te betalen een bedrag van € 5.643,24, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 januari 2011 tot aan de dag van voldoening;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Enexis worden begroot op € 704,-- aan verschotten en op € 948,-- aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, P.M.A. de Groot-Dijken en M.A. Wabeke en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 december 2014.

griffier rolraadsheer