Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5129

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-12-2014
Datum publicatie
08-12-2014
Zaaknummer
F 200.157.658_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 261 lid 1 BW; uithuisplaatsing minderjarigen bij de met gezag belaste vader. Jeugdzorg heeft op goede gronden de weg van de spoedmachtigingsprocedure ex artikel 800 lid 3 Rv gevolgd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 800, geldigheid: 2014-12-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 4 december 2014

Zaaknummer : F 200.157.658/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/287366 JE RK 14-1755

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Eindhoven en mede kantoorhoudende te Roosendaal,

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

Als belanghebbende kan worden aangemerkt:

- de heer [de vader] (hierna te noemen: de vader).

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 6 oktober 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 oktober 2014, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog:

- de beschikking d.d. 9 september 2014 (de verstrekte crisismachtiging) niet te handhaven;

- de machtiging uithuisplaatsing niet te verlengen, maar te bepalen dat totdat de bodemrechter in de echtscheidingsprocedure een beslissing heeft genomen ten aanzien van het hoofdverblijf en de invulling van de zorg- en contactregeling de co-ouderschapsregeling van kracht zal blijven (week op/week af regeling);

- de stichting te veroordelen in de proceskosten van dit geding.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 31 oktober 2014, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de beschikking van

9 september 2014 (het hof begrijpt: 6 oktober 2014) in stand te laten.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 oktober 2014, heeft de vader verzocht om de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans het hoger beroep af te wijzen met bekrachtiging van de beschikking waarvan beroep.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 november 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. Hendrikx-Heeren;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger stichting 1] en mevrouw [vertegenwoordiger stichting 2];

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger raad];

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. C.G.A. Mattheusens.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief met bijlage van de raad d.d. 23 oktober 2014;

  • -

    de brief met bijlage van de stichting d.d. 5 november 2014;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 6 november 2014;

  • -

    het faxbericht met bijlage van de stichting d.d. 7 november 2014;

  • -

    het faxbericht met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 10 november 2014;

  • -

    de door de advocaat van de moeder ter zitting overgelegde pleitnotitie.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren:

- [kind 1] (hierna te noemen: [kind 1]), op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats];

- [kind 2] (hierna te noemen: [kind 2]), op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats];

- [kind 3] (hierna te noemen: [kind 3]), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats].

De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit. De ouders zijn verwikkeld in een echtscheidingsprocedure.

3.2.

Bij beschikking van 18 februari 2014 heeft de rechtbank de kinderen met ingang van

20 februari 2014 tot uiterlijk 20 februari 2015 onder toezicht gesteld van de stichting.

3.3.

Bij - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 9 september 2014 heeft de rechtbank een (voorlopige) machtiging verleend aan de stichting om de kinderen met ingang van 9 september 2014 tot 7 oktober 2014 uit huis te plaatsen bij de vader.

3.4.

Bij - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 6 oktober 2014 heeft de rechtbank de onder 3.3. vermelde beschikking gehandhaafd en voorts de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader met ingang van 7 oktober 2014 verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling, doch uiterlijk tot 20 februari 2015.

Tevens heeft de rechtbank de raad verzocht een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de vragen welke hoofdverblijfplaats en welke zorgregeling het meest tegemoet komt aan het belang van de kinderen.

3.5.

De moeder kan zich met de beslissing tot handhaving van de beschikking van

9 september 2014 en met de beslissing tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. De rechtbank heeft de belangrijkste stellingen van de moeder niet bij haar beslissing betrokken. Zo heeft de rechtbank zich niet of nauwelijks uitgelaten over de door de stichting gestelde crisis die ten grondslag is gelegd aan het verzoek tot een spoedmachtiging uithuisplaatsing. De moeder betwist dat er sprake was van een crisis. De ontwikkeling van de kinderen werd niet acuut bedreigd. Volgens de moeder was de door de stichting in het verzoek aangehaalde informatie gedateerd en onjuist en lijkt het erop dat de stichting een crisis heeft gefingeerd om de aandacht af te leiden van haar eigen onzorgvuldige en onprofessionele handelwijze. De stichting heeft haar machtspositie misbruikt. De moeder wijst er in dit verband op dat de rechtbank twee schriftelijke aanwijzingen vervallen heeft verklaard en dat de klachtencommissie van de stichting de klacht van de moeder gegrond heeft verklaard. De stichting heeft zich niet onpartijdig en neutraal opgesteld.

Het belang van de kinderen wordt met de onderhavige uithuisplaatsing niet gediend. De kinderen kunnen met de vader niet over hun gevoelens praten en bij de moeder is er meer affectie richting de kinderen dan bij de vader. De stichting heeft niet aangetoond dat de moeder de kinderen in een loyaliteitsconflict heeft gebracht. Door de uithuisplaatsing is het loyaliteitsconflict alleen maar erger geworden.

De moeder wil er alles aan doen om tot harmonie met de vader te komen. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de moeder er niet aan heeft meegewerkt om ook de vader als opvoeder van de kinderen te zien. De moeder heeft de vader wel degelijk een rol als vader gegund. De moeder wil wel samenwerken met de stichting - zulks blijkt ook uit het afsluitende rapport van Juzt d.d. 15 september 2014 - maar de samenwerking tussen de stichting en de moeder is niet van de grond gekomen door de onzorgvuldige handelwijze van de stichting. De stichting heeft zich opgesteld als een verlengstuk van de vader en de moeder op een zijspoor gezet. De stichting heeft onmogelijke voorwaarden gesteld aan het traject bij Juzt, onder meer dat de moeder alle procedures, ook de financiële, zou intrekken. Hierdoor is bij Juzt een onwerkbare situatie ontstaan.

De contacten tussen de moeder en de kinderen in de periode na de uithuisplaatsing verlopen goed. De moeder krijgt ondersteuning van een gezinsmanager en wordt begeleid door een psychiater. Volgens de moeder gaat het niet goed met de kinderen. Zij zijn verdrietig, omdat zij de moeder missen. De kinderen hebben sinds de uithuisplaatsing meer last gekregen van spanningen. De moeder betwist dat het afscheid nemen van de kinderen niet goed gaat. De beweringen van de vader op dit punt worden door de stichting niet gecontroleerd.

De moeder maakt geen gebruik van de belregeling met de kinderen, omdat zij die te beperkend vindt. De moeder mag alleen bellen onder de voorwaarde dat de vader via de luidspreker meeluistert.

De moeder wil geen toestemming geven voor individuele speltherapie van de kinderen, wanneer de stichting daar niet buiten wordt gehouden.

De moeder wil meewerken aan het behandelprogramma van de praktijk Van Waterschoot.

3.7.

De stichting voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de crisismachtiging uithuisplaatsing van de kinderen en de verlenging van die maatregel noodzakelijk was.

De stichting is van mening dat de moeder de kinderen langdurig en ernstig belast heeft met haar eigen negatieve gevoelens en emoties over de vader, waardoor de kinderen in een ernstig loyaliteitsconflict terecht zijn gekomen. De moeder ziet dit niet in en maakt misbruik van de loyaliteit van de kinderen ten opzichte van haar. Intensieve, langdurige hulpverlening heeft hierin geen verandering kunnen brengen. De moeder gaat keer op keer de strijd aan met de stichting en verliest het belang van de kinderen uit het oog.

Ook na de uithuisplaatsing van de kinderen is de moeder niet in staat gebleken om het belang van de kinderen voorop te stellen. Zo heeft de moeder onder meer geen gebruik gemaakt van de wekelijkse belregeling met de kinderen en heeft de begeleide bezoekregeling aanvankelijk slechts plaats kunnen vinden onder de door de moeder gestelde voorwaarde dat de ‘gezinsmanager’ van de moeder hierbij aanwezig kon zijn.

De stichting ontkent met klem dat haar handelen wordt bepaald door een negatief beeld van de moeder. Ook is er geen sprake van partijdigheid bij de stichting. Een daarop gerichte klacht van de moeder is door de klachtencommissie van de stichting als ongegrond beoordeeld. De handelwijze van de stichting wordt bepaald door het belang van de kinderen.

De moeder heeft zich steeds verzet tegen een co-ouderschapsregeling. Zij heeft altijd gewild dat de kinderen bij haar het hoofdverblijf kregen. De ouderschapsbemiddeling bij Juzt, met daaraan gekoppeld de kindercoaching, is met ingang van 1 september 2014 beëindigd, omdat de moeder niet bereid was om de door haar aanhangig gemaakte procedures betrekking hebbende op de kinderen in te trekken en opnieuw weigerde om zich constructief in te zetten voor het bereiken van een goed co-ouderschap met de vader.

De kinderen hebben zeer te lijden onder hun loyaliteitsproblematiek. De stichting is daarom doende met het aanmelden van de kinderen voor individuele (spel)therapie, waarvoor de stichting reeds een verwijzing heeft gevraagd bij de huisarts. De moeder weigert echter haar toestemming te geven voor het opstarten van deze individuele therapie. De moeder wil alleen toestemming geven wanneer de stichting niet wordt geïnformeerd over de voortgang van de hulpverlening aan de kinderen, hetgeen in de onderhavige situatie zeer onwenselijk is.

Op 7 november 2014 is de weekendbezoekregeling van de kinderen bij de moeder ingegaan. Het is moeilijk voor de moeder om op een goede manier afscheid te nemen van de kinderen.

Sinds de uithuisplaatsing lijken de kinderen de rust en de structuur te hebben gevonden die ze nodig hadden. Het slapen gaat goed. De kinderen luisteren ook beter naar de vader dan voorheen. Uiteraard missen de kinderen de moeder.

De stichting kan zich vinden in een traject bij de praktijk Van Waterschoot, mits de moeder zich in het belang van de kinderen wil inzetten voor een betere communicatie met de vader.

Daarnaast acht de stichting individuele therapie voor de kinderen noodzakelijk.

3.8.

De vader voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - aan dat - anders dan de moeder heeft aangevoerd - de rechtbank het standpunt van de moeder in de kern juist heeft weergegeven. De grieven van de moeder keren zich met name tegen de handelwijze van de stichting. Volgens de vader was de veiligheid van de kinderen wel degelijk in het geding. De moeder heeft geen inzicht in haar problemen. Diverse instanties zijn van mening dat het gedrag van de moeder jegens de kinderen zeer schadelijk is.

De moeder heeft inmiddels tegen allerlei personen en instellingen klachten ingediend. De moeder wil haar zin doordrijven, die erop neerkomt dat zij niet wil dat de kinderen nog enige bemoeienis hebben met de vader.

De kinderen bevinden zich thans in een situatie van rust en orde, waarbij zij goed gedijen.

De kinderen tonen meer respect voor de vader. Ook op school gaat het beter met hen. Individuele therapie zou volgens de vader goed zijn voor de kinderen.

De vader is minder gaan werken om de kinderen na school beter te kunnen opvangen. De moeder van de vader springt soms bij. De vader is bezig met het regelen van een gastouder.

De vader heeft geen hulp meer van een psycholoog.

De vader bepleit bekrachtiging van de beschikking waarvan beroep.

3.9.

De raad heeft ter zitting - in het kort - het volgende verklaard. De kinderen zitten klem tussen de ouders. De doelstelling van een co-ouderschap is niet gehaald. De raad vraagt zich af of het zinvol is om thans - via het programma bij praktijk Van Waterschoot - in te zetten op verbetering van de communicatie tussen de ouders.

De raad acht de uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader in hun belang en noodzakelijk. De beschikking waarvan beroep dient in de visie van de raad dan ook te worden bekrachtigd.

De raad is nog niet gestart met het nieuwe onderzoek in de bodemprocedure.

3.10.

Het hof overweegt het volgende.

3.10.1.

Op grond van artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een machtiging verlenen om een onder toezicht gestelde minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Artikel 800 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt, voor zover van belang, dat een beschikking om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige te verlenen alleen dan aanstonds kan worden gegeven indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.

3.10.2.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat aan voormelde criteria is voldaan. Het hof overweegt daartoe het volgende.

De kinderen zijn destijds onder toezicht gesteld, omdat zij klem zaten tussen de ouders. De kinderen hadden last van de echtscheidingsstrijd en zij bevonden zich in een loyaliteitsconflict in relatie tot de ouders. De sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen werd ernstig bedreigd.

Uit het rapport van de raad van 29 januari 2014 blijkt dat de moeder onvoldoende in staat was om aan te sluiten bij de belevingswereld van de kinderen, die gebukt gingen onder de echtscheidingsproblematiek van de ouders. Volgens de raad moest de moeder eraan gaan werken om de vader een rol als opvoeder van de kinderen te geven.

Naar het oordeel van het hof is evenwel uit de stukken en het verhandelde ter zitting in voldoende mate komen vast te staan dat de moeder de kinderen is blijven belasten met haar eigen negatieve gevoelens over de vader, waardoor het loyaliteitsconflict bij de kinderen zich verscherpt heeft en de kinderen nog meer klem zijn komen te zitten tussen de ouders. Het hof is - evenals de rechtbank - van oordeel dat het onder deze omstandigheden in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen noodzakelijk was om hen uit huis te plaatsen bij de vader.

Het hof is tevens van oordeel dat de stichting onder de gegeven omstandigheden de weg van de spoedmachtigingsprocedure heeft kunnen bewandelen. De moeder was vanaf medio augustus 2014 niet meer bereikbaar voor de stichting, terwijl duidelijk was dat er tussen de ouders een situatie was ontstaan die zeer schadelijk was voor het psychische welzijn van de kinderen. Daarbij kwam dat de hulpverlening stagneerde. Immers, de ouderschaps-bemiddeling bij Juzt, met daaraan gekoppeld de kindercoaching, was met ingang van

1 september 2014 beëindigd, omdat de moeder niet bereid was om de door haar aanhangig gemaakte procedures betrekking hebbende op de kinderen in te trekken. Ook was de stichting terecht bezorgd dat de moeder de kinderen nog zwaarder zou gaan belasten wanneer zij kennis zou krijgen van het verzoek van de stichting en dat de moeder zich onvoorspelbaar zou gaan gedragen.

3.10.3.

Het hof is voorts - met de stichting en de raad - van oordeel dat uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader nog steeds aanwezig zijn. Zowel de vader als de stichting hebben ter zitting verklaard dat het goed gaat met de kinderen. Daarnaast acht het hof het gelet op het nog op te starten raadsonderzoek inzake het hoofdverblijf en de zorgregeling niet in het belang van de kinderen om thans ingrijpende wijzigingen in hun levensomstandigheden te gelasten.

3.10.4.

Het hof is van oordeel dat de individuele (spel)therapie in het belang van de kinderen binnen korte termijn dient te worden opgestart. De moeder heeft ter zitting ook beaamd dat de kinderen deze therapie nodig hebben. Het hof gaat er vanuit dat de moeder in het belang van de kinderen onvoorwaardelijk toestemming zal geven voor deze therapie en ook overigens - evenals de vader - de stichting in staat zal stellen de benodigde initiatieven te nemen voor overige hulpverlening voor de kinderen.

Het hof wil daarbij nog benadrukken dat de stichting ervoor dient te waken dat zij zich richting beide ouders op een neutrale wijze opstelt.

3.11.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de beschikking waarvan beroep zal bekrachtigen.

3.12.

Gelet op de aard en de uitkomst van de onderhavige procedure ziet het hof geen aanleiding de stichting te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, zodat het daartoe strekkende verzoek van de moeder zal worden afgewezen.

4 De beslissing

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 6 oktober 2014;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. O.G.H. Milar, E.L. Schaafsma-Beversluis en

M.J. van Laarhoven en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2014.