Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5125

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-12-2014
Datum publicatie
05-12-2014
Zaaknummer
F 200.144.899_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

mentorschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 4 december 2014

Zaaknummer: F 200.144.899/01

Zaaknummer eerste aanleg: 2467107 BM Verz 13-2475

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante],

wonende te

[woonplaats],

appellante in principaal appel,

verweerster in voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. G.H. in 't Veld,

en

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in principaal appel,

appellante in voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. D.H. Andries.

Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

- [belanghebbende 1] (hierna te noemen: [belanghebbende 1]);

- [belanghebbende 2] (hierna te noemen: [belanghebbende 2]).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, kanton Eindhoven, van 8 januari 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 april 2014, heeft [appellante] verzocht voormelde beschikking te vernietigen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor zover het betreft de benoeming van [geïntimeerde] tot mentor over [belanghebbende 1].

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 mei 2014, heeft [geïntimeerde] verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen als ongegrond en/of onbewezen. Uitsluitend voor het geval dat het hof het onwenselijk zou achten dat zowel [appellante] als [geïntimeerde] mentor zouden blijven en er één mentor dient te worden benoemd, heeft [geïntimeerde] in incidenteel appel verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de benoeming van [appellante] tot mentor.

2.3.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met één productie, ingekomen ter griffie op 26 juni 2014, heeft [appellante] verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van [geïntimeerde] in incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen als ongegrond en/of onbewezen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [appellante], bijgestaan door mr. In ‘t Veld;

  • -

    [geïntimeerde], bijgestaan door mr. D.H. Andries;

  • -

    [belanghebbende 2];

2.4.1.

[belanghebbende 1] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 8 januari 2014;

  • -

    de brief met bijlage van de advocaat van [geïntimeerde] d.d. 17 oktober 2014.

3 De beoordeling

In het principaal en voorwaardelijk incidenteel appel

3.1.

[belanghebbende 1] is op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] geboren. Zij is de dochter van [appellante]. [geïntimeerde] is haar zus en [belanghebbende 2] is haar broer.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter een mentorschap ingesteld over [belanghebbende 1] en [appellante] en [geïntimeerde] tot mentoren benoemd.

3.3.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

[appellante], [geïntimeerde] en [belanghebbende 2] hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vervolgens hebben [appellante] en [geïntimeerde] desgevraagd ingestemd met deelname aan een mediationtraject.

3.5.

[appellante], [geïntimeerde] en [belanghebbende 2] en hun raadslieden zijn aansluitend aan de zitting in contact gebracht met een mediationfunctionaris voor het opstarten van voormeld traject.

3.6.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de verdere behandeling vier maanden aanhouden, en wel tot 26 februari 2015, teneinde de resultaten van het mediationtraject af te wachten.

De raadslieden van [appellante] en [geïntimeerde] worden verzocht het hof vóór genoemde datum schriftelijk in kennis te stellen van het verloop van het traject en het hof te informeren over het gewenste verdere verloop van onderhavige procedure.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en voorwaardelijk incidenteel appel:

verwijst [appellante] en [geïntimeerde] door naar een mediator;

verzoekt [appellante] en [geïntimeerde] het hof op de onder 3.6 aangegeven wijze te berichten;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 26 februari 2015.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. van Dijkhuizen, M.C. Bijleveld-van der Slikke en M. Breur en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2014.