Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5121

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-12-2014
Datum publicatie
05-12-2014
Zaaknummer
F 200.154.289_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 4 december 2014

Zaaknummer : F 200.154.289/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/279566 / JE RK 14/874MZ04MZ13

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. D.R.M. de Vos,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd en mede kantoorhoudende te Eindhoven,

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

Als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt:

- de heer [de vader] (hierna te noemen: de vader);

- de heer [de pleegvader] en mevrouw [de pleegmoeder] (hierna te noemen: de pleegvader respectievelijk de pleegmoeder, tezamen de pleegouders).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 juli 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 augustus 2014, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het verzoek van de stichting om de machtiging uithuisplaatsing van [dochter 1] te verlengen tot het einde van de ondertoezichtstelling, af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 september 2014, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en voormelde beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 november 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. De Vos;

- de stichting, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger stichting 1] en mevrouw [vertegenwoordiger stichting 2].

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met één bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 26 september 2014;

  • -

    het V6-formulier met één bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 15 oktober 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is – voor zover hier van belang – op[geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] [dochter 1] (hierna te noemen: [dochter 1]) geboren.

De vader heeft [dochter 1] erkend. De ouders zijn met het gezamenlijk gezag over [dochter 1] belast.

3.2.

[dochter 1] staat sinds 6 juni 2012 onder toezicht van de stichting.

3.3.

[dochter 1] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 6 juni 2012 uit huis geplaatst in een verblijf pleegouder 24-uurs.

Zij verblijft sedert die datum in het huidige (inmiddels) perspectief biedende pleeggezin.

3.4.

Bij beschikkingen van 24 juni 2014 heeft de rechtbank Oost-Brabant de termijn voor de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing ten aanzien van [dochter 1] met ingang van 27 juni 2014 voor de duur van één maand verlengd en het verzoek van de stichting tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing voor de duur van één jaar voor het overige aangehouden.

3.5.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [dochter 1] verlengd tot 27 juni 2015 alsmede de aan de stichting verleende machtiging verlengd om [dochter 1] met ingang van 27 juli 2014 tot uiterlijk 27 juni 2015 uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs.

3.6.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.7.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

Ten tijde van de eerste ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [dochter 1] was er sprake van een situatie waarin de moeder ernstig was bedreigd, mishandeld en afgeperst door de vader en de moeder naar een blijf-van-mijn-lijf huis was gevlucht. [dochter 1] is in overleg met de moeder uithuisgeplaatst. Destijds is uitdrukkelijk aangegeven dat deze uithuisplaatsing tijdelijk zou zijn en dat er, zodra de moeder haar situatie op orde had, gekeken kon worden naar de mogelijkheden van thuisplaatsing. De belangrijkste reden van de beschermingsmaatregelen was dat ouders het niet eens konden worden over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de ernstige strijd die er tussen de ouders was. Na de uithuisplaatsing heeft de stichting niet meer serieus onderzocht of er mogelijkheden waren om [dochter 1] bij de moeder te laten opgroeien. De stichting heeft alleen steeds gezegd dat de ouders er samen moeten uitkomen. De ouders hebben in maart 2013 een mediationtraject gevolgd. Dit heeft niet tot het beoogde resultaat geleid.

Wat de moeder bevreemdt is dat de stichting in het verzoekschrift en tijdens de mondelinge behandeling allerlei standpunten over de moeder inneemt, terwijl de moeder al circa anderhalf jaar geen enkel contact meer heeft gehad met de stichting. De stichting geeft aan dat zij niet bereid is partijen te verwijzen naar de module ‘ouderschap blijft’ van Juzt, zoals door de moeder was verzocht, omdat de ouders volgens de stichting bij de mediator al geen afspraken konden maken over [dochter 1].

De moeder ziet het belang in van contact tussen [dochter 1] en de vader. Andersom is dit niet het geval, aldus de moeder. Zij diskwalificeert de vader niet, maar is enkel van mening dat het niet in het belang van [dochter 1] is dat haar hoofdverblijfplaats bij de vader wordt bepaald, aangezien zij nimmer in gezinsverband hebben samengeleefd.

De moeder heeft een goed contact met de pleegouders en zij meent dat [dochter 1] daar op een goede plaats verblijft. Dit neemt niet weg dat de moeder liever zou zien dat [dochter 1] thuis zou wonen bij haar en van mening is dat [dochter 1] nog altijd het beste bij haar zou kunnen opgroeien. De moeder heeft er alles aan gedaan om haar leven op orde te krijgen. Zij heeft de zorg voor haar twee zoons uit een eerdere relatie ([zoon 1] en [zoon 2]) en een goed lopende contactregeling met haar twee dochters en een zoon uit twee andere eerdere relaties ([dochter 2], [dochter 3] en [zoon 3]). Het contact met de vaders van die kinderen is goed.

De moeder realiseert zich dat [dochter 1] na zo’n lange tijd in het pleeggezin aan pleegouders is gehecht. De moeder vindt het belangrijk dat [dochter 1] bij een thuisplaatsing niet in een loyaliteitsconflict raakt of klem komt te zitten tussen de conflicten van de ouders. Er is echter op geen enkele wijze onderzoek gedaan naar de hechting of de loyaliteitsproblematiek bij [dochter 1]. De moeder is van mening dat het Ambulatorium hiernaar een onderzoek zou kunnen doen.

De moeder ziet [dochter 1] thans één keer per maand gedurende drie uur. Op 1 november 2014 mocht de moeder een dagje met [dochter 1] doorbrengen. Dit was een leuke dag.

3.8.

De stichting voert in het verweerschrift – kort samengevat – het volgende aan.

Er is volgens de stichting wel degelijk serieus gekeken of er een mogelijkheid was voor [dochter 1] om weer thuis op te groeien. Het doel van de stichting is altijd om binnen zes tot twaalf maanden zekerheid in de opvoedingssituatie van een kind te realiseren, zeker als het een jong kind betreft.

De ouders zijn vanaf de start van de ondertoezichtstelling aangesproken op hun gezamenlijke ouderrol en verantwoordelijkheid. Aanvankelijk zijn er gesprekken geweest op het kantoor van de stichting in Roosendaal, in het bijzijn van de gezinsvoogden. Na een tijdje wilde de moeder niet meer samen met de vader rond de tafel. Beide ouders zijn adequaat aan de slag gegaan met de eigen problematiek, maar zij zijn pas (op initiatief van vader) in maart 2013 gestart met de mediation. In juni 2013 vernam de gezinsvoogd van de mediator dat de ouders het samen eens waren dat [dochter 1] beter in het pleeggezin zou kunnen opgroeien. De stichting heeft op dat moment een opvoedingsbesluit genomen. Met het feit dat de moeder nu aangeeft dat het haar wens is dat [dochter 1] weer bij haar komt wonen gaat zij voorbij aan het belang van gehechtheid. Inmiddels woont [dochter 1] al ruim twee jaar in het huidige pleeggezin (de helft van haar leven) en zij is veilig gehecht aan haar pleegouders. Een scheiding van hen zou, zeker na zo’n lange tijd, een ingrijpend verlies zijn. De stichting heeft derhalve nadien niet meer geïnvesteerd in het stimuleren van de ouders om de communicatie te verbeteren. Er is volgens de stichting onderzoek gedaan naar de gehechtheid van [dochter 1]. De gekwalificeerde professional van de pleegzorginstelling heeft regelmatig observaties gedaan van de interacties tussen pleegouders en [dochter 1]. De stichting hanteert bij het nemen van beslissingen over kinderen een ontwikkeling-pedagogisch denkkader gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek.

Vanaf augustus 2013 heeft de moeder verzocht om uitbreiding van het contact met [dochter 1]. Aan de moeder is duidelijk aangegeven dat vanuit de stichting en pleegzorg de behoefte van [dochter 1] wordt gevolgd en getracht zal worden zo veel mogelijk aan te sluiten op de wensen van [dochter 1]. De ouders hebben qua frequentie een vergelijkbaar intensief contact met [dochter 1]. Zij zeggen allebei dat zij het belangrijk vinden dat de andere ouder een rol speelt in het leven van [dochter 1], maar zij willen niet dat [dochter 1] bij de andere ouder opgroeit en hebben daar argumenten voor. Hieruit blijkt dat de ouders er niet in slagen hun onderlinge strijd te stoppen.

De actuele stand van zaken, vanaf de datum van de bestreden beschikking, heeft de stichting

als volgt toegelicht. De pleegmoeder geeft aan dat [dochter 1] aan al haar ontwikkelingstaken toekomt. Zij gaat sinds augustus 2013 op maandagmiddag en vrijdagochtend naar een peuterspeelzaal. De interactie met de kinderen op de peuterspeelzaal verloopt goed. De bezoeken van de ouders verlopen prima, aldus pleegmoeder. Verder stralen de ouders naar [dochter 1] uit dat zij het goed vinden dat [dochter 1] bij de pleegouders woont en opgroeit, wat [dochter 1] de kans biedt zich verder te ontwikkelen en te hechten.

Ter zitting heeft de stichting onder meer nog aangevoerd dat het stimuleren van de ouders om gezamenlijk in gesprek te gaan, steeds een aandachtspunt blijft. Voor wat betreft het perspectief van [dochter 1] zal de stichting alle opties openhouden, aldus de stichting.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Op grond van artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een machtiging verlenen om een onder toezicht gestelde minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.9.2.

Het hof stelt vast dat de rechtbank Oost-Brabant bij beschikking van 9 mei 2014 het verzoek van de stichting tot ontheffing van de ouders van het gezag over [dochter 1], heeft afgewezen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat op grond van met name de gewijzigde situatie van beide ouders, hun opvoedingscapaciteiten en hun veranderende houding jegens elkaar, niet is gebleken of is komen vast te staan dat de ouders ongeschikt of onmachtig zijn om hun plicht tot verzorging en opvoeding van hun dochter, te vervullen. De stichting heeft ter zitting verklaard van die beslissing niet in hoger beroep te zijn gegaan.

3.9.3.

Het hof stelt voorts vast dat alle betrokkenen het erover eens zijn dat het contact tussen [dochter 1] en de ouders (afzonderlijk) naar ieders tevredenheid verloopt en dat mogelijkheden worden gezien (en benut) om de omgangsmomenten verder uit te breiden. Zo hebben de ouders afzonderlijk – de moeder op 1 november 2014 – een dag met [dochter 1] alleen mogen doorbrengen. Voorts is men tevreden over de onderlinge samenwerking tussen de moeder, de gezinsvoogd en het pleeggezin.

Het hof is van oordeel dat op dit moment niets zich verzet tegen een geleidelijke uitbreiding van het contact tussen de moeder en [dochter 1].

3.9.4.

Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat het aan de stichting is om een open visie te houden op het perspectief van [dochter 1], te meer nu uit ontwikkelingspsychologisch onderzoek is gebleken dat het gegeven dat een kind een veilige hechtingsrelatie is aangegaan met zijn verzorgers, niet zonder meer in de weg hoeft te staan aan een (geleidelijke) thuisplaatsing bij zijn of haar ouder(s). De stichting zal derhalve alle mogelijkheden in ogenschouw moeten blijven nemen, zijnde – voor zover thans van belang – voortzetting van het verblijf in het pleeggezin, dan wel thuisplaatsing bij de moeder.

De stichting dient haar taak in het kader van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing dan ook ruim te blijven opvatten, in die zin dat de in het kader van die maatregelen aangeboden hulpverlening onder de gegeven omstandigheden gericht dient te zijn op thuisplaatsing bij (een van) de ouders. De stichting heeft ter zitting toegezegd te zullen blijven investeren in de verbetering van de ouderschapsrelatie tussen de ouders. Het hof acht in dit kader van belang dat de stichting het initiatief neemt in het begeleiden van de ouders naar de daarvoor geschikte hulpverlening.

Voorts is ter zitting onweersproken komen vast te staan dat de gezinsvoogd anderhalf jaar niet bij de moeder op huisbezoek is geweest en dat zij voor de moeder slecht bereikbaar is. De gezinsvoogd heeft ter zitting toegezegd periodiek een gesprek met de moeder te zullen gaan inplannen.

3.9.5.

Al het voorgaande doet er niet aan af dat een thuisplaatsing op dit moment niet tot de mogelijkheden behoort, hetgeen de moeder ter zitting ook heeft erkend. Aan de in artikel 1:261 lid 1 BW genoemde voorwaarden voor uithuisplaatsing is naar het oordeel van het hof derhalve nog steeds voldaan.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 juli 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, M.C. van Dijkhuizen en A.P. van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2014.