Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5119

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-12-2014
Datum publicatie
05-12-2014
Zaaknummer
F 200.151.700_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft griffierecht niet voldaan en doet beroep op 282a lid 4 Rv. Hof verklaart appellante niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep. Niet gebleken van onbillijkheid van overwegende aard.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 282a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 4 december 2014

Zaaknummer: F 200.151.700/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/273201 / FA RK 14-62

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H. Sanli,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.E.J. de Hart.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 juni 2014, heeft de vrouw hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 april 2014.

1.2.

In deze zaak heeft het navolgende te gelden.

Een beroepschrift wordt op grond van artikel 282a lid 1 juncto artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) pas in behandeling genomen nadat het griffierecht is voldaan.

Op grond van artikel 3 lid 4 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) dient het griffierecht binnen vier weken na indiening van het beroepschrift te zijn bijgeschreven op de rekening van het betreffende gerecht.

Het hof heeft de advocaat van de vrouw bij brief van 3 juli 2014 medegedeeld dat de termijn voor betaling zal aflopen op 28 juli 2014.

1.3.

De man heeft bij brief van 27 augustus 2014 de mogelijkheid gekregen om incidenteel te appelleren tegen de bestreden beschikking.

Hiervan heeft de man geen gebruik gemaakt.

1.4.

Vast staat dat het griffierecht niet is voldaan. Het hof heeft daarop een zitting bepaald en aan mr. Sanli (zie brief van 25 september 2014) medegedeeld dat ter zitting van het hof van 28 oktober 2014 enkel de ontvankelijkheid zal worden behandeld.

Bij deze gelegenheid is de vrouw verschenen met mr. Sanli.

1.5.

Gelet op de inhoud van de brief van mr. Sanli van 3 september 2014 en de verklaring van mr. Sanli ter zitting, constateert het hof dat de vrouw een beroep doet op de hardheidsclausule van artikel 282a lid 4 Rv.

In dit kader voert de vrouw aan dat, gelet op haar betalingsonmacht, een niet-ontvankelijkheid zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Daarnaast doet de vrouw een beroep op artikel 6 EVRM. De heffing van griffierechten werpt een onredelijke financiële drempel op voor de vrouw en staat op gespannen voet met het gewaarborgde recht op effectieve toegang tot de rechter.

Ter zitting van het hof heeft mr. Sanli hieraan toegevoegd dat de aanvraag van de vrouw, die zij gedaan heeft op 6 augustus 2014, ter verkrijging van bijzondere bijstand nog in behandeling is bij de gemeente. Zodra hierop positief is beslist, is de vrouw in staat om het verschuldigde griffiegeld te voldoen.

Het hof overweegt als volgt.

1.6.

Op grond van artikel 282a lid 4 Rv laat de rechter deze bepalingen buiten toepassing, indien hij van oordeel is dat de toepassing daarvan gelet op het belang van appellante bij toegang tot de rechter zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Het hof is niet gebleken van omstandigheden die een dergelijke conclusie rechtvaardigen.

Ten aanzien van het beroep van de vrouw op het EVRM dat het griffierecht een wezenlijke belemmering vormt voor de toegang tot de rechter, overweegt het hof dat naar vaste jurisprudentie van het EHRM betrokken dient te worden: de hoogte van het griffierecht, in welke verhouding het griffierecht staat tot het belang van de zaak en of rekening is gehouden met de draagkracht van de rechtszoekende. Dat zich een dergelijke belemmering hier voordoet is, gelet op voornoemde toetsingscriteria, door de vrouw onvoldoende onderbouwd.

Het enkele feit dat de vrouw een uitkering heeft, hetgeen zij ter zitting heeft gesteld, leidt niet tot die conclusie. De juistheid van haar stelling dat er beslagen op haar uitkering zijn gelegd, blijkt niet uit de stukken en heeft zij ook verder niet nader onderbouwd. Dat de vrouw een aanvraag om bijzondere bijstand heeft ingediend, blijkt evenmin uit de stukken.

1.7.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat een niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in dit geval leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 282a Rv zal de vrouw daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar beroep.

4 De beslissing

Het hof:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, C.A.R.M. van Leuven en M.L.F.J. Schyns en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2014.