Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5081

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
05-12-2014
Zaaknummer
HD 200.122.644_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2011:8683
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:477
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:7017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

aansprakelijkheid op grond van 6:166 BW voor diefstal van elektriciteit/hennep.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 166, geldigheid: 2014-12-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.122.644/01

arrest van 2 december 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. G.H. Hermanides te Eindhoven,

tegen

Endinet BV,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. B. Sommen te Eindhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 22 oktober 2013 in het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 223031 / HA ZA 10-2824 gewezen vonnissen van 19 oktober 2011, 15 februari 2012 en 7 november 2012.

6 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 22 oktober 2013;

- het proces-verbaal van de enquête van 21 januari 2014;

- de akte van Endinet van 4 februari 2014 ( op de akte staat bij kennelijke

verschrijving 4 februari 2013), met één productie, genummerd 33;

- het proces-verbaal van voortzetting enquête van 13 maart 2014;

- het proces-verbaal van de contra-enquête van 24 juni 2014;

  • -

    de memorie na enquête van Endinet;

  • -

    de antwoordmemorie na enquête van [appellant].

Partijen hebben arrest gevraagd.

7 De verdere beoordeling

7.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof Endinet toe gelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat [appellant] in de periode van 1 augustus 2007 tot 16 juli 2008 zodanig betrokken is geweest bij de hennepkwekerij en de diefstal van elektriciteit in het pand [traatnaam 3][huisnummer C] te [plaats] dat hij daarvoor aansprakelijk kan worden gehouden.

7.2.

Het hof heeft [appellant] gelast de bij de rechter-commissaris in zijn strafzaak in hoger beroep afgelegde getuigenverklaringen, waarop het hof in de strafzaak mede zijn uitspraak van 29 november 2012 heeft gebaseerd, over te leggen en deze uiterlijk twee weken voor het verhoor aan de raadsheer-commissaris en de wederpartij toe te zenden, en, mocht Endinet niet tot het doen horen van getuigen overgaan, Van de [appellant] gelast de hier genoemde stukken op de rol van 19 november 2013 bij akte in het geding te brengen.

7.3.

[appellant] heeft voornoemde getuigenverklaringen overgelegd aan het hof en aan Endinet doen toekomen, echter niet uiterlijk twee weken voorafgaande aan de enquête op 21 januari 2014, maar kort daarvoor. Endinet heeft daar evenwel geen bezwaar tegen gemaakt. De getuigenverklaringen maken onderdeel uit van de processtukken.

7.4.1.

Endinet heeft op 21 januari 2014 als getuige onder anderen doen horen [getuige 2] (hierna: [getuige 2]).

[getuige 2] heeft, als getuige, verklaard dat hij in opdracht van [appellant] heeft meegewerkt aan de aanbouw aan het pand op [traatnaam 3][huisnummer C] te [plaats]. Ook heeft hij verklaard dat deze aanbouw als hennepkwekerij is gebruikt en dat hij deze kwekerij heeft helpen opzetten, terwijl [appellant] in de kweekruimte aanwijzingen kwam geven aangaande de kwekerij.

7.4.2.

Op 13 maart 2014 is de enquête voortgezet. Endinet heeft onder anderen doen horen [huurder/ getuige 3] (hierna: [huurder/ getuige 3]).

Bij het politie verhoor van 4 december 2008, productie 24 bij memorie van antwoord, en het verhoor van de rechter-commissaris in de strafzaak tegen [appellant] in hoger beroep op 30 november 2011, heeft [huurder/ getuige 3] verklaard op verzoek van en tegen betaling door [appellant] eerder te hebben verklaard dat de hennepkwekerij aan de [traatnaam 3][huisnummer C] te [plaats] van hem was, maar dat hij ([huurder/ getuige 3]) niets met de hennepkwekerij te maken heeft.

Op 4 december 2008 heeft [huurder/ getuige 3] tegenover de politie verklaard:

“ [appellant] ( [appellant], hof) vertelde mij dat hij dit op die manier al vaker had geregeld en dat er al meer mensen een dergelijke verklaring voor hem hadden afgelegd. Hij zei dat hij meerdere huizen had waarin hij weed teelde en dat hij zeker wist dat er voor mij weinig tot geen gevolgen zou hebben omdat ik nog nooit voor iets veroordeeld was.”

Bij zijn verhoor op 13 maart 2014 heeft [huurder/ getuige 3] ten aanzien van de [traatnaam 3][huisnummer C] te [plaats] voorts verklaard, dat hij [koper pand/Y.] in aanwezigheid van [appellant] heeft ontmoet bij [friettent] friettent en ten aanzien van [traatnaam 3][huisnummer C] te [plaats] met hen een gesprek heeft gehad over het tekenen van huurcontracten. Voorts verklaart [huurder/ getuige 3] dat hij besefte dat het huurcontracten voor hennepkwekerijen betrof, dat hij niet direct heeft getekend maar pas later en dat [appellant] daarbij was. Hij heeft de contracten voor [appellant] getekend en met [appellant] is afgesproken dat hij geld voor het teken van de contracten zou krijgen. Die afspraak is met [appellant] gemaakt; [appellant] heeft dit met hem besproken tijdens het gesprek in friettent [friettent]. [getuige 2] heb ik nooit gezien, zo heeft [huurder/ getuige 3] verklaard.

7.5.1.

In contra-enquête, gehouden op 24 juni 2014, heeft [appellant] onder anderen doen horen zichzelf en [koper pand/Y.] (hierna: [koper pand/Y.]).

7.5.2.

[appellant], die anders dan Endinet stelt, geen partijgetuige is nu de bewijslast op Endinet rust, heeft als getuige verklaard dat hij [huurder/ getuige 3] niet heeft gevraagd te verklaren een hennepkwekerij te hebben aangelegd of onderhouden.

Van de [appellant] heeft voorts verklaard dat hij denkt dat mensen in deze zaak verklaringen in zijn nadeel afleggen om hun eigen stoepje schoon te vegen.

7.5.3.

[koper pand/Y.] heeft, als getuige, verklaard dat hij het pand aan de [traatnaam 3][huisnummer C] te [plaats] van [appellant] heeft gekocht, zelf de vergunning voor de toen reeds aangevangen verbouwing heeft aangevraagd en verkregen en dat [appellant] sinds hij ([koper pand/Y.]) eigenaar is niets meer met de verbouwing te maken heeft gehad.

[koper pand/Y.] heeft voorts verklaard dat hij een huurcontract voor [traatnaam 3][huisnummer C] te [plaats] met [huurder/ getuige 3] heeft gesloten. Het huurcontract betreft de begane grond (verklaring door [koper pand/Y.] afgelegd op 7 november 2011, bij zijn verhoor door de rechter-commissaris in de strafzaak tegen [appellant] in hoger beroep). Het hof constateert dat bij conclusie van antwoord een afschrift van bedoeld huurcontract is overgelegd. Onderaan het contract staat de datum 25 maart 2008. Bij het afsluiten van het huurcontract was niet [appellant], maar [getuige 2] aanwezig, aldus [koper pand/Y.].

7.5.4.

De overige getuigen hebben met betrekking tot de [traatnaam 3][huisnummer C] te [plaats] niets dat ter zake dienend is verklaard.

7.6.1.

Het hof is van oordeel dat de verklaringen van [getuige 2] en [huurder/ getuige 3] in onderling verband wijzen op betrokkenheid van [appellant] bij de hennepkwekerij op de [traatnaam 3][huisnummer C] te [plaats]. De verklaring van [huurder/ getuige 3] dat hij op verzoek van [appellant] tegen betaling de verantwoording voor de hennepkwekerij op zich heeft genomen en, naar het hof begrijpt, daartoe huurcontracten heeft ondertekend staat niet alleen. Endinet heeft als productie 25 bij memorie van antwoord overgelegd een verklaring van [getuige/mede-gedaagde], waarin deze op 2 december 2008 tegenover de politie heeft verklaard dat hij op verzoek van Van de [appellant] en tegen betaling de verantwoordelijkheid van een hennepkwekerij op de [straatnaam 2][huisnummer A] op zich heeft genomen, waartoe hij blanco huurcontacten heeft ondertekend. Ten aanzien van het onderhavige adres [traatnaam 3][huisnummer C] te [plaats] geldt weliswaar dat voornoemd huurcontract is gesloten tussen [koper pand/Y.] en [huurder/ getuige 3], maar dat doet niet af aan de verklaring van [huurder/ getuige 3] dat [appellant] hem ([huurder/ getuige 3]) heeft verzocht de verantwoordelijkheid voor de onderhavige kwekerij op zich te nemen en daartoe, tegen betaling, het huurcontract voor de [traatnaam 3][huisnummer C] te tekenen. [huurder/ getuige 3] heeft, zie hiervoor onder 7.4.2., verklaard dat zowel [koper pand/Y.] als Van de [appellant] bij de totstandkoming van het huurcontract betreffende de [straatnaam 3] betrokken waren. De verklaring van [koper pand/Y.] in contra-enquête dat hij het huurcontract met [huurder/ getuige 3] is aangegaan, terwijl op het contract de datum 25 maart 2008 staat, ontzenuwt deze verklaring van [huurder/ getuige 3] niet. De contacten genoemd onder 7.4.2. laatste alinea hebben, naar het hof uit de verklaring voor politie d.d. 4 december 2008, de op 30 november 2011 afgelegde getuigenverklaring en de verklaring van 13 maart 2014, alle van [huurder/ getuige 3], in onderling verband begrijpt, in de zomer van 2008 plaatsgevonden. [huurder/ getuige 3] heeft op 4 december 2008 voor de politie evenwel verklaard dat het huurcontract voor de [straatnaam 3] op een eerdere datum is ingegaan dan de datum waarop hij ondertekende, om te doen voorkomen dat hij voldoende tijd had gehad voor een eerste oogst. Noch in contra-enquête noch met de overige bewijsmiddelen zijn feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die het hof aan de verklaringen van [huurder/ getuige 3] doen twijfelen. Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat betrokkenheid van [appellant] bij de onderhavige hennepkwekerij voldoende aannemelijk is. Aan het voorgaande doet niet af de verklaring van [koper pand/Y.], in contra enquete d.d. 24 juni 2014 dat [huurder/ getuige 3] door [getuige 7] en [getuige 2] bij hem als huurder is aangebracht, nu deze verklaring geen steun vindt in de overige stukken van het geding. Hetzelfde geldt voor de op 23 juni 2010 door [koper pand/Y.] aan de politie overgelegde aanvullende verklaring. Noch doet aan het voorgaande af de verklaring van [appellant] als weergegeven onder 7.5.2. Evenmin doet, nu zijn verklaringen van 4 december 2008, 30 november 2011 en de rest van zijn verklaring op 13 maart 2014 met elkaar overeenstemmen, aan het voorgaande af de omstandigheid dat [huurder/ getuige 3] bij zijn verhoor als getuige op 13 maart 2014, desgevraagd door mr. Sommen, niet wilde bevestigen dat het, hiervoor onder 7.4.2. geciteerde, onderdeel van zijn verklaring tegenover de politie op 4 december 2008, klopt.

7.6.2.

Met het voorgaand is tevens vast komen te staan dat [appellant] op grond van artikel 6:166 jegens Endinet aansprakelijk is voor de door Endinet geleden schade ter zake de elektriciteitsdiefstal. Niet is betwist dat ten behoeve van de onderhavige kwekerij elektriciteit van Endinet is gestolen. Voldoende is komen vast te staan sprake is van een gedraging van [appellant] in het verband van een groep die zich met hennepteelt bezig hield. [appellant] heeft immers [huurder/ getuige 3] verzocht de verantwoording voor de onderhavige hennepkwekerij op zich te nemen en daartoe tegen betaling een huurcontract te tekenen, terwijl [appellant] zich van deze gedraging had behoren te onthouden omdat hij wist of behoorde te begrijpen dat, nu het illegaal aftappen van elektriciteit ten behoeve van de hennepteelt bij hennepkwekerijen algemeen bekend mag worden verondersteld, het groepsoptreden het risico van elektriciteitsdiefstal schiep.

Nu [appellant] het bedrag waarvoor Endinet stelt schade te hebben geleden niet heeft betwist en evenmin de datum de wettelijke rente over dit bedrag betreffende heeft betwist, heeft de rechtbank [appellant] terecht veroordeeld tot betaling aan Endinet van een bedrag van € 17.856,68, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 16 juli 2008 tot de dag der algehele voldoening. Grief 4 faalt.

7.6.3.

Het voorgaande brengt mee dat grief 3 betreffende de proceskosten faalt. Daar [appellant] terecht in het ongelijk is gesteld, heeft de rechtbank hem terecht in de proceskosten veroordeeld.

7.6.4.

Het voorgaande brengt vervolgens mee dat het hof de vonnissen van 19 oktober 2011 en 7 november 2012 met verbetering van gronden zal bekrachtigen.

[appellant] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van 15 februari 2012, nu tegen dit vonnis geen grief is gericht.

7.6.5.

[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

7.6.6.

Het eindarrest wordt thans mede gewezen door mr. J.M. Brandenburg in plaats van mr. P.M. Huijbers-Koopman die geen vast lid meer is van dit gerecht.

8 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen van 19 oktober 2011 en 7 november 2012;

verklaart Van de [appellant] niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen het vonnis van 15 februari 2012;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Endinet worden begroot op € 1.815,00 aan verschotten € 795,00 aan getuigentaxe en op € 3.129,00 aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, P.M.A. de Groot-van Dijken en Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 december 2014.