Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:5080

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
05-12-2014
Zaaknummer
HD 200.122.643_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2011:8291
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:471
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:7015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

aansprakelijkheid op grond van 6:166 BW voor diefstal van elektriciteit bij hennepteelt niet aangenomen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 166
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.122.643/01

arrest van 2 december 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. G.H. Hermanides te [plaats],

tegen

Endinet B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. B. Sommen te [plaats],

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 22 oktober 2013 in het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 218293/HA ZA 10-2144 gewezen vonnissen van 21 september 2011, 15 februari 2012 en 7 november 2012.

6 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 22 oktober 2013;

  • -

    het proces-verbaal van de enquête van 21 januari 2014;

  • -

    de akte van Endinet van 4 februari 2014 ( op de akte staat bij kennelijke verschrijving 4 februari 2013), met één productie, genummerd 33;

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting van enquête d.d. 13 maart 2014;

  • -

    het proces-verbaal van de contra-enquête d.d. 24 juni 2014;

  • -

    de memorie na enquête van Endinet;

  • -

    de antwoordmemorie na enquête van [appellant].

Partijen hebben arrest gevraagd.

7 De verdere beoordeling

7.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof Endinet toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat [appellant] in de periode van 1 februari 2008 tot 16 juli 2008 zodanig betrokken is geweest bij de hennepkwekerij en de diefstal van elektriciteit in het pand [straatnaam 1][huisnummer A] te [plaats] dat hij daarvoor aansprakelijk kan worden gehouden.

7.2.

Het hof heeft [appellant] gelast de bij de rechter-commissaris in zijn strafzaak in hoger beroep afgelegde getuigenverklaringen, waarop het hof in de strafzaak mede zijn uitspraak van 29 november 2012 heeft gebaseerd, over te leggen en deze uiterlijk twee weken voor het verhoor aan de raadsheer-commissaris en de wederpartij toe te zenden en, mocht Endinet niet tot het doen horen van getuigen overgaan, [appellant] gelast de hier genoemde stukken op de rol van 19 november 2013 bij akte in het geding te brengen.

7.3.

[appellant] heeft voornoemde getuigenverklaringen overgelegd aan het hof en aan Endinet doen toekomen, echter niet uiterlijk twee weken voorafgaande aan de enquête op 21 januari 2014, maar kort daarvoor. Endinet heeft daar evenwel geen bezwaar tegen gemaakt. De getuigenverklaringen maken onderdeel uit van de processtukken.

7.4.1.

Endinet heeft op 21 januari 2014 onder anderen als getuige doen horen [getuige 2] (hierna: [getuige 2]), [getuige 6] (hierna [getuige 6]) en [getuige 7] (hierna: [getuige 7]).

7.4.2.

[getuige 2] heeft, als getuige, verklaard:

[appellant] heeft [oud-bewoner/getuige 1] als huurder aangebracht op de [straatnaam 1][huisnummer A]. Dat heeft hij mij zelf gezegd. [appellant] zei: ik zal [oud-bewoner/getuige 1] daar wel neer zetten. Het pand was van [getuige 7], maar [appellant] kwam met het pand.

(…)

Met [appellant] zou [oud-bewoner/getuige 1] daar wel neer zetten, bedoel ik dat [appellant] [oud-bewoner/getuige 1] daar wilde laten wonen. Later moest [oud-bewoner/getuige 1] van [appellant] plantjes water geven in de hennepkwekerij (…).””

7.4.3.

[getuige 7] heeft op 21 januari 2014, als getuige, verklaard dat hij sinds september/oktober 2007 eigenaar is van het pand aan de [straatnaam 1][huisnummer A]. [appellant] had hem warm gemaakt om het pand als verhuurpand aan te schaffen. [getuige 7] heeft voorts verklaard dat [appellant] [oud-bewoner/getuige 1] als huurder bij hem heeft aangebracht, en dat [appellant] hem maandelijks, cash, de huurpenningen kwam brengen. [getuige 7] heeft verklaard niet te weten op wiens naam de elektriciteitsaansluiting stond en evenmin te weten wie de elektriciteitsrekeningen betaalde.

Op 2 december 2011 heeft [getuige 7] bij de rechter-commissaris in de strafzaak tegen [appellant] in hoger beroep verklaard:

“Ik had met [appellant] de afspraak gemaakt dat hij de panden [straatnaam 1][huisnummer A] en… zou verbouwen tot kamer verhuur en de huur daarvan zou regelen”.

Op 21 januari 2014 heeft [getuige 7] als getuige voorts verklaard:

Ik heb de bouwaansluiting, dat wil zeggen de aansluiting in de tuin, op [straatnaam 1][huisnummer A] gezien. [appellant] wilde deze aansluiting terug hebben toen ik de hennepkwekerij heb doen oprollen. [appellant] zei dat de bouwaansluiting van hem was.”

7.4.4.

Op 13 maart 2014 heeft Endinet onder anderen doen horen [getuige 5] (hierna [getuige 5]).

[getuige 5] heeft, als getuige, verklaard wel eens naar koopappartementen op de [straatnaam 1] te zijn gaan kijken, maar dat zij niet weet wat het nummer van het pand was. Van enige mogelijke betrokkenheid van [appellant] bij een hennepkwekerij op [straatnaam 1][huisnummer A] te [plaats] weet zij niets.

7.4.5.

In contra-enquête d.d. 24 juni 2014 heeft [appellant] - die, anders dan Endinet stelt, geen partijgetuige is nu de bewijslast op Endinet rust - als getuige verklaard.

Ik heb niet aan de heer [oud-bewoner/getuige 1] gevraagd om een hennepkwekerij op [straatnaam 1][huisnummer A] te [plaats] te onderhouden. Ik heb nooit iemand een blanco huurcontract laten ondertekenen. Ik ben nooit eigenaar geweest van [straatnaam 1][huisnummer A]. Ik ben ook niet met mevrouw [getuige 5] gaan kijken op [straatnaam 1][huisnummer A]. Ik weet niet waarom mijn telefoonnummer op de electriciteitsaanvraag van [straatnaam 1][huisnummer A] is vermeld (…)

Ik ben met dhr [getuige 7] naar de [straatnaam 1][huisnummer A] geweest. Hij heeft mij gevraagd daar in te investeren. Dat heb ik niet gedaan en ik heb ook geen verbouwing voor [straatnaam 1][huisnummer A] geregeld.”

Bij antwoordmemorie na enquête heeft [appellant] betwist dat de bouwaansluiting van hem was en dat hij deze van [getuige 7] heeft terug gevraagd.

7.4.6.

Op 12 januari 2012 heeft [oud-bewoner/getuige 1] (hierna: [oud-bewoner/getuige 1]) bij de rechter-commissaris in de strafzaak tegen [appellant] in hoger beroep verklaard dat [appellant] niets met de hennepkwekerij op [straatnaam 1][huisnummer A] te maken heeft, dat het pand van [getuige 7] was en dat [getuige 2], die hem, [oud-bewoner/getuige 1], in het pand had gezet, de huur van de opbrengst van de in het pand geteelde weed aan [getuige 7] betaalde. Voorts heeft [oud-bewoner/getuige 1] verklaard dat hij de huurovereenkomst bij [getuige 7] op kantoor in aanwezigheid van [getuige 7] heeft getekend.

7.5.1.

Het hof is van oordeel dat de verklaringen van [getuige 7] niets zeggen over betrokkenheid van [appellant] bij een hennepkwekerij in het pand [straatnaam 1][huisnummer A], maar slechts over betrokkenheid van [appellant] bij verhuur en verbouwing van het pand. De verklaring van [getuige 7] dat [appellant] de bouwaansluiting terug wilde levert - nog daar gelaten dat [appellant] betrokkenheid bij de verbouwing en het terugvragen van de bouwaansluiting betwist - geen bewijs op van betrokkenheid van [appellant] bij de onderhavige hennepkwekerij. [getuige 7] heeft immers verklaard dat hij [appellant] de verbouwing van het pand heeft laten regelen. Daarnaast heeft [getuige 6], fraudespecialist bij Endinet, als getuige bij de enquête op 21 januari 2014 verklaard dat de naam van [appellant] op het aanvraagformulier voor een elektriciteitsaansluiting in de tuin stond vermeld onder het kopje ‘uitvoerder’, waarmee is bedoeld uitvoerder van werkzaamheden voor de te bouwen woning in de tuin.

7.5.2.

Tegenover de verklaring van [getuige 2] staat de verklaring van [oud-bewoner/getuige 1] dat [appellant] niets met de hennepkwekerij op de [straatnaam 1][huisnummer A] te maken had.

7.5.3.

De overige getuigen hebben met betrekking tot [straatnaam 1][huisnummer A] niets dat ter zake dienend is verklaard.

7.5.4.

Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat Endinet niet is geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs en dient haar vordering jegens [appellant] te worden afgewezen. Daarmee slaagt grief 5 welke is gericht tegen de hoofdelijke veroordeling van [appellant].

7.5.5.

Het voorgaande brengt mee dan [appellant] geen belang meer heeft bij de beoordeling van grief 3.

7.5.6.

Grief 4 met betrekking tot de proceskosten slaagt. Endinet zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [appellant] in eerste aanleg en hoger beroep.

7.5.7.

Het hof zal de vonnissen van 21 september 2011 en 7 november 2012 voor zover tussen partijen gewezen vernietigen.

[appellant] zal, nu tegen dat vonnis geen grieven zijn gericht,

niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beroep tegen het vonnis van 15 februari 2012.

7.5.8.

Het eindarrest wordt thans mede gewezen door mr. J.M. Brandenburg in plaats van mr. P.M. Huijbers-Koopman die geen vast lid meer is van dit gerecht.

8 De uitspraak

Het hof:

vernietigt de vonnissen van 21 september 2011 en 7 november 2012 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, onder rolnr. 218293/HA ZA 10-2144 tussen partijen gewezen;

verklaart [appellant] niet ontvankelijk in zijn beroep tegen het vonnis van 15 februari 2012;

veroordeelt Endinet in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] worden begroot op € 407,-- aan verschotten en op € 904,-- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 775,17 aan verschotten en op € 3.129,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, P.M.A. de Groot-van Dijken en Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 december 2014.