Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4993

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-11-2014
Datum publicatie
18-12-2014
Zaaknummer
13-01106
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1478
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft ten onrechte in haar aangifte de bijdrage Zorgverzekeringswet opgeteld bij de ingehouden loonheffing. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel treft geen doel. Het hoger beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/2692
V-N 2015/15.2.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 13/01106

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 11 september 2013, nummer AWB 11/6551, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Inspecteur van de Belastingdienst Oost-Brabant,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna nader aan te duiden aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2009 aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet. Naar aanleiding van deze aangifte is aan belanghebbende voor het jaar 2009 een voorlopige aanslag opgelegd naar een bedrag van € 969 negatief, bestaande uit een voorlopige teruggave van € 945 en € 24 aan heffingsrente. De definitieve aanslag is vastgesteld op een bedrag van € 1.002 positief, bestaande uit de correctie van de teruggave van € 945 vermeerderd met € 57 aan heffingsrente. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank aan belanghebbende een nota griffierecht gestuurd van € 41. Vervolgens heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard - bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) - omdat belanghebbende het verschuldigde griffierecht niet zou hebben betaald. De Rechtbank heeft het verzet van belanghebbende tegen deze uitspraak gegrond verklaard en heeft vervolgens het onderzoek voortgezet in de stand waarin dit zich bevond ten tijde van de uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Awb. Bij mondelinge uitspraak van 11 september 2013 heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbende daarna ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 118. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Awb heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Een afschrift van deze stukken is aan de Inspecteur verzonden.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 16 oktober 2014 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar is toen de heer [A] namens de Inspecteur verschenen en gehoord. Belanghebbende is niet ter zitting verschenen. De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij op 22 september 2014, met nummer [nummer], aangetekend naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Tot de stukken van het geding behoort een kopie van het op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende gedeelte van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de op dat verzendbewijs betrekking hebbende statusinformatie. Hieruit volgt dat de uitnodiging op 23 september 2014 op het door belanghebbende opgegeven adres is afgeleverd.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is gezonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende ontving in 2009 een bijstandsuitkering van de gemeente [woonplaats]. In haar jaaropgaaf over 2009 is onder “loon” (uitkering) een bedrag opgenomen van € 14.647, onder “ingehouden loonbelasting / premie volksverzekeringen” een bedrag van € 2.899 en onder “bijdrage Zvw” (Zorgverzekeringswet) een bedrag van € 945.

2.2.

In haar aangifte heeft belanghebbende de bijdrage Zvw opgeteld bij de ingehouden loonheffing.

2.3.

In de toelichting bij het aangifteformulier voor het jaar 2009 is onder 3 (onder meer) het volgende vermeld: “Had u AOW, pensioen of een andere uitkering? Dan kreeg u van de uitkeringsinstantie een jaaropgaaf. Hierop staan de bedragen die u moet invullen in uw aangifte”.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Valt de “bijdrage Zvw”, zoals vermeld op de jaaropgaaf van belanghebbende, onder de categorie “ingehouden loonheffing”?

II. Zo nee, had belanghebbende aan de toelichting op de aangifte, zoals opgenomen onder 2.3. van deze uitspraak, het vertrouwen mogen ontlenen dat dit wel het geval was?

3.2.

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting heeft de Inspecteur hieraan toegevoegd dat hij de onder 1.4. genoemde nadere stukken niet heeft ontvangen, maar dat hij er toch mee instemt dat ze tot de stukken van het geding gerekend worden. Verder heeft de Inspecteur aan het Hof medegedeeld dat door de Ontvanger inmiddels uitstel van betaling aan belanghebbende is verleend.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot een gegrond hoger beroep en vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur en van de definitieve aanslag. Belanghebbende concludeert dat de bedragen aan belastingteruggave en heffingsrente zoals opgenomen in de voorlopige aanslag juist zijn.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

In artikel 9.2, lid 1, onder letter a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) is bepaald dat de geheven loonbelasting met uitzondering van de als eindheffing geheven loonbelasting, een voorheffing is.

4.2.

In lid 7 van genoemd artikel is neergelegd dat indien artikel 9.1, lid 3 van de Wet IB toepassing vindt, ook als voorheffing wordt aangemerkt de bij wijze van inhouding geheven premie voor de volksverzekeringen met uitzondering van de bij wijze van eindheffing geheven premie voor de volksverzekeringen.

4.3.

Belanghebbende is premieplichtig voor de volksverzekeringen zodat artikel 9.1, lid 3 van de Wet IB in onderhavig geval van toepassing is.

4.4.

Uit het vorenstaande volgt dat onder de voorheffingen (voor zover hier van belang) de geheven loonbelasting (artikel 9.2, lid 1, onder letter a van de Wet IB) en premie volksverzekeringen (artikel 9.2, lid 7 van de Wet IB) dienen te worden verstaan. Deze twee posten zijn gezamenlijk onder het kopje “ingehouden loonbelasting / premie volksverzekeringen” op de jaaropgaaf van belanghebbende opgenomen.

4.5.

Belanghebbende heeft in haar aangifte onder het kopje “ingehouden loonheffing” terecht het bedrag aan “ingehouden loonbelasting / premie volksverzekeringen” van € 2.899 opgenomen. Zij heeft tevens het bedrag van de op haar uitkering ingehouden bijdrage Zvw van € 945 opgevoerd bij de post “ingehouden loonheffing”. De bijdrage aan de Zvw kwalificeert echter niet als onderdeel van de twee onder de term “ingehouden loonheffing” vallende posten. De bijdrage Zvw is namelijk geen loonbelasting en is evenmin, omdat de Zvw geen volksverzekering is, een premie voor die volksverzekering. Daarmee dient vraag I ontkennend te worden beantwoord.

4.6.

Belanghebbende heeft verder aangevoerd door de toelichting op de aangifte op het verkeerde been te zijn gezet. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van haar stelling verwezen naar het onder 2.3. opgenomen citaat. Noch uit dit citaat noch uit de overige in de toelichting opgenomen informatie volgt, naar het oordeel van het Hof, dat belanghebbende de bijdrage Zvw bij de post “ingehouden loonheffing” in haar aangifte diende te vermelden. Dat op de jaaropgaaf de bedragen staan die belanghebbende nodig heeft om aangifte te doen, impliceert niet dat zij al deze bedragen diende te vermelden bij onderdeel 3a van haar aangifte. Belanghebbende kon, naar het oordeel van het Hof, aan de door de Belastingdienst verstrekte informatie niet het vertrouwen ontlenen dat zij de aangifte diende te doen zoals zij heeft gedaan. Vraag II dient daarmee ook ontkennend te worden beantwoord.

4.7.

Voor zover belanghebbende meent rechten te kunnen ontlenen aan de door de Inspecteur opgelegde voorlopige aanslag, overweegt het Hof als volgt. Zowel de aard als de wijze van totstandkoming van een voorlopige aanslag staan eraan in de weg te aanvaarden dat de fiscus door het opleggen daarvan bij een belastingplichtige verwachtingen zou kunnen wekken waarop deze zich in redelijkheid tegenover hem mag beroepen. De voorlopige aanslag schept immers slechts een grondslag voor het doen van vooruitbetalingen op de definitieve belastingschuld en pleegt - in overeenstemming met de desbetreffende wettelijke voorschriften - te worden vastgesteld aan de hand van niet of slechts zeer globaal door de Inspecteur gecontroleerde schattingen van de belastingplichtige, in casu betreffende het bedrag van ingehouden loonheffing (vgl. HR 13 juni 1979, nr.19341, ECLI:NL:HR:1979:AX2732, BNB 1979/212 en HR 7 september 1988, nr. 24965, ECLI:NL:HR:1988:ZC3893, BNB 1988/296).
Het voorgaande lijdt uitzondering als de belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de Inspecteur heeft voorgelegd en hij bovendien op grond van bijkomende omstandigheden redelijkerwijs kan aannemen dat de Inspecteur met betrekking tot die aangelegenheid weloverwogen een standpunt heeft ingenomen (HR 17 januari 2003, nr. 37463, ECLI:NL:HR:2003:AF2996, BNB 2003/188). In het onderhavig geval zijn geen omstandigheden gebleken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de Inspecteur in zijn voorlopige aanslag weloverwogen een standpunt heeft ingenomen. De voorlopige aanslag is immers automatisch opgelegd (conform de aangifte van belanghebbende). Belanghebbende kan derhalve ook geen vertrouwen ontlenen aan de voorlopige aanslag.



Slotsom

4.8.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.



Ten aanzien van het griffierecht

4.9.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.


Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als
bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond, en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 28 november 2014

door G.D. van Norden, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is ondertekend door de griffier, alsmede door V.M. van Daalen-Mannaerts, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.