Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4991

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-11-2014
Datum publicatie
28-11-2014
Zaaknummer
F 200.137.831_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onverdeelde eenvoudige gemeenschap. Verdeling van de lasten van de voormalige echtelijke woning. Artikel 3:172 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 172, geldigheid: 2014-11-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0351
RFR 2015/46

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 27 november 2014

Zaaknummer: F 200.137.831/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/04/116775/FA RK 12-876

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te

[woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E. Maalsen,

tegen

[de man] ,

wonende te

[woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: voorheen mr. J.J.F.A. Ligthart, thans mr. A. van Dijk.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 28 augustus 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 november 2013, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover de vrouw daarbij is veroordeeld zoals beslist in voormelde beschikking onder 5.1 tot en met 5.5 en opnieuw rechtdoende in zoverre het inleidend verzoek van de man af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 29 januari 2014, heeft de man verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en het hoger beroep van de vrouw af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2014.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Maalsen;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Van Dijk.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 22 april 2013;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 2 oktober 2014;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 2 oktober 2014.

3 De beoordeling

3.1.

In hoger beroep kan van het volgende worden uitgegaan:

3.1.1.

Partijen zijn op 23 november 2007 na het maken van huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

3.1.2.

De huwelijkse voorwaarden houden onder meer het volgende in:

(…)

1. Uitsluiting gemeenschap van goederen

Tussen de echtgenoten zal geen huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap van

goederen bestaan.

2. Aansprakelijkheid voor schulden

Voor de schulden van ieder der echtgenoten is aansprakelijk degene die de desbetreffende

schuld heeft doen ontstaan. Voor schulden aangegaan ten behoeve van de gewone gang

van de huishouding zijn beide echtgenoten voor het geheel aansprakelijk, indien en voor

zover de wet dit bepaalt.

(…)

4. Kosten van de huishouding en dergelijke

4.1.

De kosten van de huishouding, komen ten laste van ieders netto inkomsten uit arbeid,

naar evenredigheid daarvan.

4.2.

Voorzover de inkomsten uit arbeid niet toereikend zijn, komen de kosten ten laste van

ieders vermogen, naar evenredigheid van de stand daarvan per één januari van het

desbetreffende kalenderjaar.

4.3.

Tot de uitgaven ten behoeve van de huishouding worden, tenzij de echtgenoten

schriftelijk anders overeenkomen, onder meer gerekend:

4.3.1.

de kosten van het dagelijks levensonderhoud, van medische verzorging en die

van verzorging en opvoeding van tot het gezin behorende kinderen die de

leeftijd van éénentwintig jaar nog niet hebben bereikt, waaronder begrepen

kosten van kinderopvang;

4.3.2.

de kosten van gezamenlijke vakanties, van door beiden gebruikte

vervoermiddelen en inboedelgoederen, huur en de rente van geldleningen

aangegaan ter financiering van de gezamenlijk bewoonde woning(en),

onroerende zaakbelasting, andere heffingen ter zake van het gebruik van deze

registergoederen en de uitgaven terzake van normaal onderhoud en verzekering

van die registergoederen.

(…)

4.7.

Partijen komen overeen dat van deze regeling overeenkomstig artikel 84 lid 3 Boek 1

Burgerlijk Wetboek slechts kan worden afgeweken bij notariële akte.

5. Overlijdensrisicoverzekering

5.1.

Premies van overlijdensrisicoverzekering – daaronder het risicodeel van gemengde

verzekering en van ongevallenverzekering begrepen – en al hetgeen overigens in dit

verband verschuldigd wordt, zoals poliskosten, behoren niet tot kosten van de

huishouding.

5.2.

De in lid 1 bedoelde premies en dergelijke blijven buiten iedere periodieke en/of

finale verrekening van inkomsten en/of vermogen, zodat betaling van premies en

dergelijke geen invloed heeft op de omvang van de verrekenplicht.

(…)

7. Afrekening bij het einde van het huwelijk

(…)

7.2.

Met inachtneming van het in artikel 8 bepaalde, zullen, bij het einde van het huwelijk

door echtscheiding alsmede bij scheiding van tafel en bed, de echtgenoten met elkaar

afrekenen alsof zij in wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd waren. Buiten de

afrekening blijven in dit geval echter:

a. alle aanbrengsten ten huwelijk;

b. al wat krachtens erfrecht is verkregen;

c. al wat door schenking is verkregen;

d. al wat klaarblijkelijk onverteerd is gebleven van hetgeen op grond van de jaarlijkse

verrekening werd verkregen;

e. al hetgeen verkregen is uit inkomsten die op grond van het bepaalde in artikel 139

lid 1 van het Burgerlijk Wetboek niet meer verrekend hoeven worden;

f. alle opbrengsten daarvan;

g. tevens al wat door “zaaksvervanging” voor het onder a, b, c, d, e, en f genoemde in

de plaats is gekomen, voor zover niet verteerd;

h. negatieve vermogens.

7.3. (…)

De afrekening als in lid 2 bedoeld geschiedt naar de toestand en waarde in het

economisch verkeer op de dag waarop het verzoekschrift tot echtscheiding of

scheiding van tafel en bed is ingediend.

(…)

7.6.

Ter gelegenheid van de afrekening als bedoeld in de leden 1 en 2 kan geen

verrekening meer worden gevorderd als bedoeld in artikel 4 (kosten van de

huishouding) en artikel 6 (jaarlijkse verrekening)

8. Verrekening van waardestijging aandelen/ondernemingswinst

8.1.

Ingeval een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten

van een door een kapitaalvennootschap of verwante rechtsfiguren uitgeoefend bedrijf,

hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen, wordt in geval van echtscheiding of

scheiding van tafel en bed de hierna vastgestelde waarde van de aandelen in de

verrekening als bedoeld in artikel 7.2 betrokken.

8.2.

Voorzover de aandelen bij het aangaan van deze huwelijkse voorwaarden reeds

worden bezeten, betreft de te verrekenen waarde het verschil tussen de waarde van de

aandelen per het einde van het boekjaar waarin deze huwelijkse voorwaarden werden

aangegaan en de waarde per dezelfde datum van het jaar voorafgaand aan het begin

van de procedure tot de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed. Een en ander

onverminderd het hierna bepaalde. Een waardedaling wordt niet verrekend.

8.3.

Voor zover de aandelen tijdens het huwelijk zij verkregen, geldt als eerste datum als

bedoeld onder 8.2 het einde van het boekjaar waarin de aandelen werden verkregen.

Een en ander onverminderd het hierna bepaalde en onder instandhouding van

eventuele aanspraken die op grond van artikel 8.7. bestaan.

(…)

3.1.3.

Bij beschikking van 4 juli 2012 heeft de rechtbank Roermond onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 24 september 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts – voor zover thans van belang – de verzoeken van partijen terzake de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk afgesplitst en bepaald dat deze verder afzonderlijk zullen worden behandeld.

3.2.

Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking van 28 augustus 2013, heeft de rechtbank Limburg, voor zover thans van belang:

  • -

    de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 10.296,86 ter zake van rente hypothecaire geldlening met betrekking tot de periode december 2010 tot en met juni 2012;

  • -

    de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 3.220,23 ter zake van premie ASR polis levensverzekering met betrekking tot de periode december 2010 tot en met juni 2012;

  • -

    de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 552,44 ter zake van premie glas/inboedelverzekering;

  • -

    bepaald dat de vrouw met ingang van 1 juli 2012 maandelijks dient bij te dragen in de (netto) eigenaarslasten met betrekking tot de woning gelegen [adres] te [plaats ];

  • -

    de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 3.843,00 ter zake van gebruikerslasten over de periode december 2010 tot en met maart 2012.

3.3.

De vrouw kan zich met deze beslissingen niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De vrouw heeft in haar hoger beroep zes grieven gericht tegen de bestreden beschikking die zien op de volgende onderwerpen:

  • -

    rente hypothecaire geldlening over de periode van december 2010 tot en met juni 2012 (grief 1);

  • -

    ASR polis levensverzekering (grief 2);

  • -

    glas/inboedelverzekering (grief 3);

  • -

    kosten woning (grief 4);

  • -

    gebruikerslasten (grief 5);

  • -

    aandelen MPV Holding (grief 6).

3.5.

Het hof zal de grieven hierna bespreken.

3.6.

Rente hypothecaire geldlening over de periode december 2010 tot en met juni 2012 (grief 1)

3.6.1.

De rechtbank heeft toegewezen het verzoek van de man tot veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 10.296,86 ter zake van de helft van door hem voldane hypotheekrente over de periode december 2010 tot en met juni 2012.

3.6.2.

De vrouw stelt in haar eerste grief dat de rechtbank haar ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 10.296,86 ter zake van de helft van door hem voldane hypotheekrente over de periode december 2010 tot en met juni 2012.

De vrouw is van mening dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om af te wijken van het beginsel dat beide partijen als eigenaren [van de echtelijke woning] de helft van de hypotheekrente voor hun rekening dienen te nemen. Volgens de vrouw dient in het kader van de redelijkheid en billijkheid van dit beginsel te worden afgeweken nu de man tijdens het huwelijk altijd al de woonlasten voor zijn rekening heeft genomen en na het uiteengaan van partijen in eerste instantie ook bereid was de volledige woonlast te betalen. Naar de mening van de vrouw valt niet in te zien dat iets wat partijen eerst redelijk achtten, in een later stadium niet langer redelijk zou zijn. In dit verband merkt de vrouw verder nog op dat zij altijd een minimaal inkomen heeft gehad wat bij de aankoop van de woning en het aangaan van de hypothecaire lening ook bekend was bij de man.

De man heeft de grief van de vrouw bestreden.

3.6.3.

Het hof overweegt als volgt.

In de hier relevante periode van december 2010 tot en met juni 2012 hebben partijen beiden gedeeltelijk in de woning verbleven. De vrouw gedurende de maanden december 2010 tot en met maart 2012 en de man met ingang van april 2012. Tussen partijen staat als niet weersproken vast dat de in onderhavige periode gemaakte kosten ter zake van hypotheekrente niet kunnen worden aangemerkt als kosten van de huishouding.

3.6.4.

De woning behoort aan partijen gezamenlijk toe, zodat sprake is van een (eenvoudige) gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW. Op grond van artikel 3:166 lid 2 BW zijn partijen ieder voor een gelijk aandeel in de woning gerechtigd, nu niet is gesteld of gebleken dat hun rechtsverhouding anders meebrengt. De rechtsbetrekkingen tussen partijen – als deelgenoten – worden beheerst door de eisen van de redelijkheid en billijkheid (art. 3: 166 lid 3). Op grond van artikel 3:172 BW moeten de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen die bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht, tenzij een regeling anders bepaalt. Nu partijen ieder voor de helft tot de woning gerechtigd zijn dienen zij in beginsel voor de helft in de uitgaven van de woning bij te dragen. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat partijen hoofdelijk verbonden zijn voor de hypotheekschuld. Op grond van artikel 6:10 BW zijn zij gehouden ieder voor het gedeelte van de schuld dat hen in hun onderlinge verhouding aangaat, in de schuld en de kosten bij te dragen. In hoeverre de schuld ieder van hen aangaat, hangt af van de bijzondere omstandigheden van het geval, met name van hun onderlinge rechtsverhouding. Nu de schuld door partijen tezamen is aangegaan ter financiering van de woning die op dat moment door hen beiden werd bewoond en dat die aan ieder van hen voor de onverdeelde helft in eigendom toebehoort, gaat deze schuld ook op grond van art. 6:10 BW in beginsel partijen ieder voor de helft aan.

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw – mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de man – onvoldoende gesteld dat tot de conclusie kan leiden dat uit de onderlinge rechtsverhouding van partijen voortvloeit dat de man de hypotheekrente over genoemde periode, waarin partijen ieder een bepaalde periode in de woning woonden, voor zijn rekening dient te nemen. Het enkele feit dat de man in de periode dat partijen nog samenwoonden de woonlasten voor zijn rekening nam en het feit dat de man – zoals de vrouw stelt – bereid was ook na het uiteengaan van partijen de hypotheekrente te voldoen is daartoe onvoldoende, nu een en ander – zonder nadere toelichting die ontbreekt – niet meebrengt dat de vrouw er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de man ermee instemde dat hij volledige draagplichtig was ter zake de hypotheekrente. Ook zijn deze omstandigheden onvoldoende voor de conclusie dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man zich voor wat betreft deze periode op een gelijke draagplicht beroept. In zoverre faalt de grief van de vrouw.

Nu ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de man in de hier relevante periode de volledige hypotheekrenteaftrek heeft genoten van € 333,- per maand dient het door de vrouw aan de man te betalen bedrag van € 10.296,86 te worden verminderd met de helft van de door man in de genoemde periode genoten hypotheekrenteaftrek, welk bedrag het hof becijfert op een bedrag van € 2.997,- (18 maanden x € 333,- : 2) zodat de vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag van € 7.299,86. Het hof zal het vonnis van de rechtbank op dit punt vernietigen en de vrouw veroordelen tot betaling van laatstgenoemd bedrag.

3.7.

ASR polis levensverzekering (grief 2)

3.7.1.

De rechtbank heeft toegewezen het verzoek van de man tot veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 3.220,23 ter zake van de helft van door hem betaalde premie ASR Polis levensverzekering over de periode december 2010 tot en met juni 2012.

3.7.2.

De vrouw stelt in haar tweede grief dat de rechtbank heeft miskend dat in de onderlinge verhouding tussen partijen kan worden afgeweken van een gezamenlijke aansprakelijkheid voor de helft. De vrouw is van mening dat ook ten aanzien van de kosten van de premie levensverzekering, deze geheel ten laste van de man dienen te blijven. De man heeft deze premie altijd voldaan en de redelijkheid brengt daarom met zich mee dat de man deze premie blijft voldoen, aldus de vrouw.

De man heeft de grief van de vrouw bestreden.

3.7.3.

Het hof overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man in de hier relevante periode van december 2010 tot en met juni 2012 de aan de hypotheek gekoppelde premie levensverzekering van in totaal € 6.440,46 heeft voldaan. Zoals reeds hiervoor overwogen onder rov. 3.6.4 zijn partijen in hun onderlinge verhouding verplicht ieder de helft van de hypotheeklasten voor hun rekening te nemen. Ook de aan de hypotheek gekoppelde premie levensverzekering dient door beiden ieder voor de helft te worden gedragen, omdat het betalen van deze premie leidt tot een vermogensopbouw die beide partijen bij de verkoop van de woning voor de helft ten goede komt. Naar het oordeel van het hof zijn er geen feiten of omstandigheden aangevoerd die zouden rechtvaardigen dat de man in afwijking van de hiervoor weergegeven regeling gehouden is de volledige premiebetaling te voldoen.

Derhalve faalt de tweede grief van de vrouw.

3.8.

Glas/inboedelverzekering over de periode december 2010 t/m juni 2012 (grief 3)

3.8.1.

De rechtbank heeft toegewezen het verzoek van de man tot veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 552,44 ter zake van de helft van door hem betaalde premie glas/inboedelverzekering over de periode december 2010 tot en met juni 2012.

3.8.2.

De vrouw stelt in haar derde grief dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om af te wijken van het beginsel dat partijen als eigenaren van de woning in beginsel ieder de helft van de aan de woning verbonden eigenaarslasten voor hun rekening dienen te nemen.

3.8.3.

Het hof overweegt als volgt.

In hoger beroep staat tussen partijen als onweersproken vast dat de man in de hier relevante periode van december 2010 tot en met juni 2012 de premie glas/inboedelverzekering heeft betaald van in totaal € 1.104,88. Ook hier geldt dat partijen als eigenaren van de woning in beginsel ieder de helft van de aan de woning verbonden eigenaarslasten voor hun rekening dienen te nemen. In het door de vrouw gestelde ziet het hof geen aanleiding om voor wat betreft deze periode van dit beginsel af te wijken. Derhalve faalt ook de derde grief van de vrouw.

3.9.

Kosten woning (grief 4)

3.9.1.

De rechtbank heeft in rov. 4.5.1 van de bestreden beschikking overwogen dat de vrouw met ingang van juli 2012 maandelijks voor de helft dient bij te dragen in de (netto) eigenaarslasten.

3.9.2.

De vrouw stelt in haar vierde grief dat nu de man samenwoont met zijn nieuwe partner en gebruik maakt van de gezamenlijk woning van partijen, de woning heeft willen overnemen, de vrouw eigen woonlasten heeft en de man altijd de eigenaarslasten heeft voldaan, het niet redelijk is dat de vrouw tot aan de verkoop van de woning voor de helft dient bij te dragen in de eigenaarslasten.

3.9.3.

Het hof constateert allereerst dat uit hetgeen partijen hieromtrent naar voren hebben gebracht onder de netto-eigenaarslasten van de woning dienen te worden verstaan de betaalde hypotheekrente alsmede de kosten van de polis levensverzekering ASR en de kosten van de glas/inboedelverzekering.

Zoals hiervoor in rov. 3.6.4 reeds is overwogen delen ingevolge artikel 3:172 BW de deelgenoten, tenzij een regeling anders bepaalt, naar evenredigheid van hun aandelen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijk goed oplevert, en moeten zij in dezelfde evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht. Daarbij is van belang dat de rechtsrelatie tussen deelgenoten in een onverdeelde boedel mede wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Wat redelijk en billijk is, is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden van het geval. Vast staat dat de man sedert juli 2012 het exclusieve gebruik heeft van de echtelijke woning en daar samenwoont met zijn vriendin. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man verklaard dat hij aanvankelijk het plan heeft gehad de woning over te nemen maar dat dat niet is gelukt. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is voorts gebleken dat thans geen activiteiten worden ontplooid gericht op verkoop van de woning, omdat – naar de stelling van de man – de woning moeilijk verkoopbaar is. Voorts heeft de man verklaard dat zijn vriendin bijdraagt in de betaling van de woonlasten. De man heeft voorts ook niet gemotiveerd betwist dat de vrouw thans eigen woonlasten heeft. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat de man over de periode vanaf juli 2012 een groter deel van de eigenaarslasten voor zijn rekening neemt dan de vrouw, waarbij het hof in redelijkheid het door de man te betalen deel van de eigenaarslasten zal stellen op 2/3 en het door de vrouw te betalen deel op 1/3. Het hof zal het vonnis van de rechtbank voor wat betreft het onder 5.4 bepaalde vernietigen en – opnieuw rechtdoende – de vrouw veroordelen tot betaling van 1/3 van de netto-eigenaarslasten vanaf 1 juli 2012. De conclusie is dat grief 4 deels slaagt.

3.10.

Gebruikerslasten (grief 5)

3.10.1.

De rechtbank heeft ter zake het verzoek van de man tot veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 10.192,98 ter zake van door hem voldane gebruikerslasten (stroom, gas, water, afvalstoffenheffing, gemeentelijke belasting, aanslag waterschapsheffing en UPC) over de periode december 2010 tot en met maart 2012, bepaald dat de vrouw over voormelde periode nog aan de man dient te voldoen een bedrag van

€ 3.843,- (€ 10.192,98 - € 6.000,00 - € 349,95).

3.10.2.

De vrouw stelt in haar vijfde grief dat de rechtbank heeft miskend dat de vrouw de maandbedragen voor WML en Essent heeft betaald en niet alleen de eindafrekening. Voorts stelt de vrouw dat zij de maandelijkse kosten voor UPC heeft betaald van € 237,12 per maand. De man heeft de grief van de vrouw bestreden.

3.10.3.

Het hof overweegt als volgt.

De vijfde grief van de vrouw faalt nu de vrouw heeft nagelaten haar stelling – dat zij in de hier relevante periode van december 2010 tot en met maart 2012 niet alleen de eindafrekening van WML en Essent heeft betaald, maar ook de maandelijkse kosten van WML, Essent en UPC – met nadere stukken te onderbouwen, hetgeen gezien de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, wel op haar weg gelegen had.

3.11.

Aandelen MPV Holding (grief 6)

3.11.1.

De rechtbank is van oordeel dat enige verplichting tot verrekening ingevolge artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden niet is komen vast te staan, nu de rechtbank het aannemelijk acht dat er geen sprake is geweest van een waardevermeerdering van de aandelen zoals ingevolge het bepaalde in artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden is vereist.

3.11.2.

De vrouw stelt in haar zesde grief dat de rechtbank heeft miskend dat de man meer informatie had dienen te overleggen ten aanzien van de waarde van de ondernemingen teneinde vast te kunnen stellen of sprake is van een te verdelen waardevermeerdering.

3.11.3.

Het hof overweegt als volgt.

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht op basis van de door de man aan de rechtbank overgelegde stukken tot het oordeel kunnen komen dat er geen sprake is geweest van een waardevermeerdering van de aandelen zoals voor verrekening ingevolge het bepaalde in artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden is vereist, zodat enige verplichting tot verrekening niet is komen vast te staan. Uit het door de man overgelegde schrijven van 5 april 2013 van [Administratie- en Advieskantoor] Administratie- en Advieskantoor (productie 9aa bij het verweerschrift van de man in eerste aanleg) is genoegzaam gebleken dat geen sprake is geweest van waardevermeerdering van de aandelen. Het hof ziet geen aanleiding om hierover in hoger beroep anders te oordelen. Dit leidt ertoe dat de zesde grief van de vrouw faalt.

3.12.

Nu partijen gewezen echtgenoten zijn zullen de proceskosten van het hoger beroep worden gecompenseerd in die zin dat ieder partij de eigen kosten draagt.

3.13.

Gelet op al het voorgaande wordt beslist als volgt.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van

28 augustus 2013, doch uitsluitend voor zover de vrouw daarbij ter zake van rente hypothecaire geldlening met betrekking tot de periode december 2010 tot en met juni 2012 is veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 10.296,86 en voor zover daarin is bepaald dat de vrouw met ingang van 1 juli 2012 maandelijks dient bij te dragen in (de helft van) de netto-eigenaarslasten met betrekking tot de woning gelegen aan [adres] te [plaats ];

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de vrouw ter zake van rente hypothecaire geldlening met betrekking tot de periode december 2010 tot en met juni 2012 tot betaling aan de man van een bedrag van

€ 7.299,86;

bepaalt dat de vrouw met ingang van 1 juli 2012 maandelijks dient bij te dragen in één derde (1/3) van de netto-eigenaarslasten met betrekking tot de woning gelegen aan [adres] te [plaats ];

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, G.J. Vossestein en

A.J.F. Manders en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2014.